Urgh 2

Het begon met een grapje. Een zinnetje in een blog over geluk. Het werd een enorm vervolgverhaal. 

Op deze pagina tref je deel 2 De dorspwijze van het Boek van Urgh aan waarin we zien hoe Urgh zich staande houdt in een veranderende wereld.




051. Tork verteld

Iedereen in de grot is al lang wakker en aan het werk wanneer de storm pas weer gaat liggen. Urgh trekt zich met Zan, Azel, Tak en Tork terug in de leegstaande grot voor overleg, de twee verzwakte vrouwen in de capabele handen van Gaya, Yali en Ani achterlatend. Aangekomen in de kleine grot gaan Urgh, Tork en Azel zitten terwijl Tak voor een klein vuurtje zorgt.  Het is Urgh die als eerste begint te praten. ‘Welke jagers worden er allemaal vermist?’, vraagt hij. ‘Alle jagers die hun bewondering voor jou en je werkwijze hebben uitgesproken’, is het antwoord van Tork. Urgh kijkt de oudere man die naast hem zit strak aan. ‘Ik wil namen Tork’, reageert Urgh. ‘Ik wil weten of Krom bij die jagers is en of Frag, Mig, Ong en Rag met hun mee gestuurd zijn’. Tork wacht even met antwoorden en zegt dan ‘Ja, Krom, partner van Pew, zoon van Azel is die noodlottige dag mee op jacht gegaan.  Ook de vier jonge jagers zijn door Elm met de jagers meegestuurd’. Hij slikt even. Alle vier de mannen kijken hem aan. ‘Ik heb geprotesteerd. Ik heb gezegd dat er veel sneeuw aankwam, dat het niet verantwoord was de jagers zo laat in het seizoen, zo ver bij het dorp vandaan op mammoet te laten jagen maar volgens Elm hadden de voorouders gezegd dat het wel kon, dat de sneeuw nog weg zou blijven. Ik heb gezegd dat we er beter aan deden om volgens het plan kortere tochten naar de diverse windstreken te maken zodat de jagers bij plotselinge sneeuw dicht genoeg bij huis waren om thuis te komen. Maar hij luisterde niet. Hij werd boos en vroeg of ik ook over gelopen was naar het kamp van Urgh. Ik zag de waanzin in zijn ogen en zei nee. En liet de jagers gaan. Geen van hen is tot nu toe teruggekomen’.

Urgh kijkt hem even peinzend aan. ‘Hoeveel nachten tussen het vertrek en de sneeuwstorm?’, vraagt hij dan. Tork denkt na, en steekt dan acht vingers op. ‘Volgens mij zoveel nachten’, zegt hij. ‘Maar zeker weten doe ik het niet’. Nu is het Urgh die nadenkt. ‘Acht nachten’, zegt hij na een tijdje, ‘Dan moeten ze al in het Schuildennenbos zijn geweest, of in het grottengebied wat daar net achter ligt. Murw was er bij zei je?’. Tork knikt. ‘Dan hebben ze een kans. Die weet van wanten’. Azel schudt zijn hoofd. ‘Ik vertrouw Murw niet’, zegt hij dan, ‘Die wil te graag hoofdjager worden en doet alles wat hij moet doen om dat te bereiken’. Voordat Urgh of Tork is kan zeggen snoert Azel hen de mond. ‘Nee, zeg maar niets. De toekomst zal het leren’.

Het is Zan die de volgende vraag stelt. ‘Hoe is het mogelijk dat er niet goed gedroogd vlees tussen het andere vlees terecht kwam? Nana controleert altijd alles’. Tork haalt zijn schouders op. ‘Volgens Elm was het vlees wat jullie meegebracht hadden, wat jullie stiekem gedumpt hadden. Nana zei dat dat niet kon, dat het een vossenkarkas was en dat er al die tijd dat zij in het grotdorp was geen vos gevangen was. Bovendien zei zij dat alle buit daar altijd meteen gevild en gedroogd werd. Elm bedacht wat anders. Als de vos niet uit het grotdorp kwam, dan hadden Sim en Lan de vos vast gevangen en tussen het vlees verstopt. Op Nana’s vraag waarom de beide vrouwen dat zouden doen antwoordde Elm dat zij vast in opdracht van Urgh hadden gehandeld. Dat Urgh er alles aan deed het dorp over te nemen. Nana zei dat hij moest stoppen met de belachelijke beschuldigingen. Maar Elm was niet voor reden vatbaar. De voorouders hadden het hem verteld. Twee dagen voor de winterzonnewende werden beide vrouwen uit het dorp verdreven’. Met gebogen hoofd valt de jager stil. Toen de ergste sneeuwstormen gingen liggen ben ik op zoek gegaan. Lan’s door aaseters aangevreten lichaam lag vlak bij het dorp. Sim’s lichaam heb ik niet gevonden. Misschien dat zij nog leeft. Zij heeft die zomer hier veel geleerd over voedsel zoeken’.

Zachtjes pratend vervolgt Tork zijn verhaal. ‘Elm ging zich steeds vreemder gedragen, staarde alleen nog maar in het vuur om met de voorouders te praten. Al zijn eten moest voorgeproefd worden door Pew. Hij eiste dagelijks dat Nana voorouderdrank voor hem maakte en om er zeker van te zijn dat Nana er geen vergif in deed moest Marg eerst een slok nemen. Elke dag sprak hij met de voorouders. Elke avond waarschuwde hij de dorpelingen namens de voorouders voor Urgh en zijn volgelingen. Op een dag kwam Pew bij mij. Onna had met haar gesproken. De waarschuwingen die Elm de dorpelingen gaf kwamen niet van de goedbedoelende voorouders maar uit zijn eigen vertroebelde geest. Het dagelijks drinken van voorouderdrank ehad er voor gezorgd dat een vage voorouder, uit de tijd dat de stam nog een nomadisch bestaan leidde, hem steeds meer onder controle kreeg. Deze voorouder vond het dorp veel te groot en deed zijn best om het aantal bewoners zo klein te maken, de ellende zo groot, dat zij weer zouden gaan rondtrekken zoals het hoort.  Onna had Pew gevraagd er voor te zorgen dat ik Elm tegen zou houden. Dat ik er voor moest zorgen dat hij geen voorouderdrank meer kreeg zodat zijn geest weer schoon en van hemzelf zou worden. Voordat ik dat kon doen kreeg ik van Elm de opdracht om de twee jonge vrouwen van het leven te beroven omdat zij volgens de voorouders de oorzaak van alle problemen waren. Toen hij dat tegen mij zei zag ik de waanzin in zijn ogen. De waanzin die ook Ergh regelmatig over zich had wanneer hij te lang en te vaak in het vuur had gestaard. De waanzin die ook mij ooit in zijn greep had’. Terwijl hij somber in het vuur kijkt zegt Tork, ‘Ik vertrok met de vrouwen en wist niet wat te doen. Op de plek tussen de bomen waar ik jou ooit aanviel hoorde ik de stem van Nana die zachtjes zei: ‘Zoek Urgh’. En dat hebben we gedaan. Wat er nu met ons gebeurt is aan jou’.

‘Ik heb gisteren gezegd dat jullie mogen blijven’, zegt Urgh, ‘En daar blijf ik bij’. Dan verschijnt er een wrang lachje rond zijn mond. ‘De andere bewoners moeten dit ook weten en vanavond moeten we met de voorouders praten. Ik wil weten of Krom en de jonge jagers nog leven, of Sim nog leeft. En, heel belangrijk, of Elm nog te redden is. Ik wil weten wie hier achter zit’. Met een diepe zucht staat hij op en loopt, op de voet gevolgd door de vier andere mannen, terug naar de grote grot.

52. De vergissing

Terug in de grot verteld Urgh aan de aanwezigen wat hij van Tork heeft gehoord en wat hij die avond van plan is.  Praten met de voorouders om achter het lot van Sim, de jagers en van Elm te komen. De drie vluchtelingen kijken niet vrolijk. Wat hen betreft brengt praten met de voorouders alleen maar ellende met zich mee. Toch zijn ook zij zo nieuwsgierig naar het antwoord op de vragen dat Pew halverwege de middag aan Gaya vraagt ‘Wanneer begin jij met het brouwen van de voorouder-drank?’. Gaya glimlacht even en zegt dan ‘Straks, na het eten’. Pew kijkt verbaasd. ‘Dan pas? Ik heb van Nana geleerd dat voorouder-drank heel lang op het vuur moet staan’. ‘Dat hangt er van af welke kruiden je gebruikt’, is het antwoord van Gaya.

Die avond, wanneer iedereen aan het eten is, zet Gaya een grote bak met water op het vuur. Wanneer het water kookt voegt zij er een klein beetje absintalsem en een handvol steranijs en nog wat kruiden aan toe. Al snel vult de grot zich met de typische geur van anijs. ‘Jee’, zegt Pew tegen Gaya, ‘Wat doe jij er veel absintalsem en weinig anijs in’. Gaya kijkt de jonge medicijnvrouw bevreemd aan. ‘Dat doe ik niet’, zegt zij dan. ‘Dit spul’, en zij houdt de stervormige steranijs omhoog, ‘Is steranijs wat maakt dat de drank zo sterk gaat geuren. Dat grijzige goedje is absintalsem’. Pew kijkt haar aan en prevelt dan wat zachtjes voor haar uit. Het is een lijst met kruiden, hun uiterlijk en hun geur. Ik snap het niet’, zegt zij. ‘Ik weet zeker dat ik het zo geleerd heb van Nana. Het bruine spul in de vorm van een ster is absintalsem, en het grijzige blad is steranijs. Ik weet het zo zeker omdat ik het zo bijzonder vond dat het stervormige kruid geen steranijs bleek te zijn’. ‘Ik begrijp het ook niet’, zegt Gaya, ‘Ik weet dat ik het anders heb geleerd. Maar ik ben wel blij dat zij regelde dat Marg de drank voorproefde en niet jij. In die hoeveelheden die jij  gebruikte kan absintalsem dodelijk zijn, zeker voor je ongeboren kind. En ik begrijp nu ook hoe het kan dat Elm bezeten lijkt te zijn van een boze geest en elke keer met de voorouders wil praten. Grote hoeveelheden absintalsem maakt dat je steeds meer absintalsem wilt hebben. Maar het maakt ook dat de je geest steeds makkelijker en sneller de grens naar het dodenrijk overgaat en dat je dingen gaat zien en denken die er niet zijn. En je wordt agressief’.

‘Hoeveel van dat grijze spul hebben medicijnvrouwen normaal op voorraad?’, vraagt Urgh ineens. ‘Niet zo veel’, is het antwoord van Gaya. ‘Zo vaak heb je geen voorouderdrank nodig’. ‘Hoeveel voorraad heeft Nana nog?’, vraagt Urgh aan Pew. Die denkt heel even na en zegt dan ‘Niet veel meer volgens mij. In de buidel zat nog voor een keer voorouderdrank. Er zit nog wel heel veel steranijs in de andere buidel’. “Wat gebeurt er wanneer iemand na zoveel tijd dat grijze spul niet meer binnenkrijgt?’, vraagt Urgh aan Gaya. ‘Eerst worden ze agressief maar na een halve dag begint hun kracht af te nemen, worden ze verward en ziek. Heel erg ziek. Met hoge koorts en toevallen. Dat duurt ongeveer een week of twee. Daarna worden ze heel langzaam beter. Maar helemaal genezen kan niet meer. Ze blijven altijd naar absintalsem verlangen’. Urgh knikt en zegt dan tegen niemand in het bijzonder, ‘Dan weet ik nu wat er met Ergh gebeurt is’. Hij kijkt de kring met mensen rond en vraagt ‘Jullie ook?’. Het is Yali is antwoord. ‘Ja’, zegt ze, ‘Dat klinkt naar Ergh net voordat hij verongelukte. Die deed ook zo vreemd’. Er wordt door een aantal mensen instemmend geknikt. De mensen rondom het vuur zijn stil, denken na. Over het verleden, over het heden.

Het is Urgh die de stilte verbreekt. ‘Iedereen die samen met mij met de voorouders wil praten mag 1 slok voorouderdrank nemen. Alleen Pew niet’. Dan krijgt hij een ingeving. ‘En voor de zekerheid Ani en Gaya ook niet’. Even later zit iedereen, met uitzondering van de drie vrouwen met een kommetje voorouderdrank in de handen. Voorzichtig neemt de een na de ander een slokje en nog een slokje. Diep van binnen zijn zij bang dat niet Gaya maar Pew gelijk heeft. Het zijn Urgh en Tork die als eerste Onna in het vuur zien verschijnen. Het duurt even voordat iedereen genoeg voorouderdrank heeft gedronken om haar te zien. Pas dan knikt Onna naar Urgh en Tork. ‘Ik kan niet lang blijven’, zegt zij dan. “Weet dat Gaya gelijk heeft. Het grijze goedje is het gevaarlijke spul.’ Ze glimlacht naar Urgh en zegt ‘De moeder van Gaya vertelde mij laatst van de fout die er in onze kruidenleer is geslopen. Ik wilde het eerst niet geloven maar…’. Even valt de geest van zijn moeder stil en dan vervolgt ze ‘Maar met de hoeveelheid van die bruine sterretjes die ik in het drankje had gedaan om na mijn verkrachting een zwangerschap te voorkomen had jij doet moeten zijn. Als dat absintalsem was. Wat het dus niet was. Ik heb slechts een drankje tegen maagpijn gedronken’.  Na dit gezegd te hebben kijkt Onna de kring mensen rond, zucht eens diep en zegt tegen niemand in het bijzonder. ‘De geest van Sim heeft ons gevonden’. Zij wendt zich tot Pew en zegt ‘Als Krom dood is heeft zijn geest ons nog niet gevonden’. Dan kijkt zij naar Urgh: ‘Nana weet niet dat niet het bruine spul maar het grijze spul de voorouder drank is en heeft Elm gisteren en vandaag een mengsel van steranijs met salie. Wat natuurlijk niet werkt. Het lijf van Elm schreeuwt om absintalsem en hij weet zeker dat Nana hem wil vergiftigen maar is gelukkig al te zwak om haar iets aan te doen. Nana begrijpt niet wat er aan de hand is. Ik probeer het haar wel te vertellen, maar zij wil niet luisteren’.

Langzaam lost het lichaam van Onna in rook op. Haar laatste woorden komen via de wind bij de mensen. ‘Wacht tot na de geboorte van het kind van Pew voordat jullie met een paar man met al het voedsel wat jullie kunnen missen naar het dorp gaan. Tegen die tijd is Elm of aan de beterende hand en hebben de nachtmerries en vermeende voorouders hem verlaten en is weer normaal of hij is gestorven omdat hij niets meer eet en drinkt omdat hij niemand vertrouwd’. Urgh kijkt naar het restje voorouderdrank in zijn kom. Voorzichtig laat hij zich op de grond zakken en schuift met de halfvolle kom in zijn hand naar de grote kom toe en giet het restje drank in de grote kom. ‘Ik stel voor dat jullie dat ook doen’. Wanneer alle restjes verzameld zijn zegt hij ‘Zan, wil jij dit weggooien voordat er straks iemand per ongeluk nog wat van drinkt en net zo vreemd gaat doen als Elm’. Voorzichtig loopt Zan met de kom met drank naar buiten en kiept het met kom en al over de reling op het strand. Terug bij het vuur barsten de gesprekken los en worden Ani, Pew en Gaya bijgepraat. Die avond duurt het lang voordat de grotbewoners naar bed gaan.

53. Wachten

De volgende dag, wanneer bijna iedereen aan de normale dagtaken is begonnen, verlaat Urgh samen met Kleintje de grot. Zan, die de lamme jager als geen ander kent, wenkt Azel en samen volgen ze de kreupele man die zich door de sneeuw een weg ploetert naar de weide vuurplaats. Daar aangekomen gaat Urgh op een steen zitten, met zijn gezicht richting de rivier. Azel neem naast hem plaats terwijl Zan een vuurtje aanmaakt. Dan gaat ook hij naast Urgh zitten. ‘Wat is er Urgh’, vraagt de oudere jager zachtjes. ‘Wat zit jou dwars?’. Urgh geeft geen antwoord. In plaats daarvan maakt hij een van de buidels die aan zijn riem hangt los, maakt het open en pakt er een klein pakketje uit. Wanneer hij dat openmaakt blijken er kleine, sterk geurende, bruine sterretjes in te zitten. ‘Wat is dit?’, vraagt hij aan de beide mannen. Zan kijkt hem verbaasd aan. Het is Azel die zegt ‘Gisteren heb ik geleerd dat dat steranijs is en goed tegen maagklachten’. Zan knikt bevestigend. Urgh zucht eens diep. En nog eens.

‘Zan, weet jij nog hoe ik de eerste avond na een jachtpartij altijd speciale thee klaarmaakte. Die thee met die warm geur en zoetige smaak?’ Zan knikt. ‘Je bedoelt die thee die ons zou behoeden van buikpijn na een te zware maaltijd op een lege maag?’ Urgh knikt. ‘Ja Zan, die bedoel ik’.  Urgh zucht nog eens diep en zegt dat, ‘Die thee maakte ik onder andere met dit kruid, met steranijs. Zowel de naam als de toepassing heb ik geleerd van Nana’. Dan doet hij er het zwijgen toe. Het duurt even voordat het tot de beide mannen doordringt wat hij zegt. ‘Maar dan wist Nana dat zij eerst Ergh en later Elm aan het vergiftigen was. Dan heeft zij Onna en Pew bewust iets anders geleerd’, reageert Azel. ‘Maar waarom?’. Urgh haalt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet’, zegt hij dan. ‘Ik kan er wel naar raden, maar ik weet het niet. Maar vreemd is het wel’.  Urgh stopt het pakketje met steranijs weer in zijn buidel. In gedachten verzonken staren de drie mannen naar het vuur.

Het is Kleintje die met een zacht gegrom hun terug haalt naar het hier en nu. Even later lopen Tork en Tak via het pad de weide op. Zij voegen zich bij de drie mannen. Het is Tak die begint te praten. ‘Urgh, lijkt het je niet verstandig om nu, na alles wat we gisteren gehoord hebben, met z’n allen terug te gaan naar het dorp om orde op zaken te stellen?’. ‘Nee’, zegt Urgh. ‘We blijven hier. We gaan niet riskeren dat Pew onderweg moet bevallen. Of dat we het dorp uitgejaagd worden en er gewonden of misschien wel doden vallen. Pas met de lentezonnewende gaan we naar het dorp terug. Met z’n allen en met voedsel. Voor nu mag Elm een keer zijn eigen boontjes doppen. Heel vervelend dat Nana de voorouderdrank volgens een verkeerd recept heeft gemaakt maar als Elm niet voor elke beslissing met de voorouders had willen overleggen en gewoon zijn gezond verstand had gebruikt zoals wij dat allemaal doen, dan was er niets gebeurt. Jammer dat het voedsel bedorven is maar volgens mij hebben de meisjes en ik vorig jaar al laten zien dat er voldoende eten te vinden is op nog geen uur lopen van Wel kon hij nog denken, zijn verstand gebruiken. Laten we een tijdje wachten. Als hij een maand geen absintalsem meer krijgt is hij ver genoeg hersteld om weer zelf na te gaan denken. Dan gaan we naar hem toe. Dan kunnen we met hem praten. Dan kunnen we hem weer vertrouwen. Dan is hij weer voor rede vatbaar. Zoals vroeger’.  De vier andere mannen luisteren naar de woorden van Urgh en kunnen niet anders dan hem gelijk te geven.

Wanneer de zon die dag op haar hoogtepunt staat gaan de drie jagers nog even de bossen voorbij de weide in om op klein wild te jagen. Azel en Urgh keren terug naar de grot. Ze zijn nog niet bij het pad wat naar de grotten leidt wanneer Flik hen tegemoet komt. ‘Draai maar om’, zegt de jonge jager met een somber gezicht, ‘Pew is aan het bevallen en Gaya en Yali willen geen mannen in de grot hebben. Tas komt ons waarschuwen wanneer we weer welkom zijn’. Urgh schiet bij de aanblik van het gezicht van de jonge jager in de lach. ‘Ik vraag je toch even terug naar binnen te gaan en een grote en drie kleine kommen te halen zodat we in ieder geval thee kunnen maken zodat we onze handen en neuzen kunnen warmen terwijl wij op de eerste grotbaby wachten’. Gedwee draait de jonge jager zich om en loopt terug naar de grot om de opdracht van zijn dorpswijze uit te voeren. Die laat zich ondertussen weer op een steenblok bij het inmiddels uitgegane vuur vallen. ‘Een voordeel hebben we’, zegt hij tegen Azel die het vuur weer aan wakkert. ‘We hoeven vannacht niet buiten te slapen. We kunnen ons altijd in een van de andere grotten terugtrekken vanavond’. Dan is Flik daar, samen met zijn broertje Krap. In zijn handen heeft een grote en vier kleine kommen. Niet lang daarna nippen de drie mannen en de jongen van de verwarmende kruidenthee terwijl zij wachten op de kreet die de geboorte van nieuw leven aankondigt.

54. De keuze

Het begint al te schemeren wanneer Tas de weide oploopt. Zij trekt de slee van Urgh achter zich aan met daarop een dampende kom met eten. ‘De slaaprollen van de jagers en jullie heb ik al in de kleine grot gelegd’, zegt zij. ‘Daar moeten jullie vannacht slapen. Gaya denkt dat het nog wel even gaat duren voordat de baby er is’. Snel schept zij vier kommen eten vol en deelt deze uit. Tot de verbazing van de mannen schept zij nog een vijfde kom vol en begint te eten. ‘Moet jij niet terug naar Pew?’, vraagt Flik. ‘Straks’, antwoord Tas. ‘Om heel eerlijk te zijn slacht ik liever een wildzwijn dan dat ik bij een bevalling help. Jullie hebben geluk dat jullie dat niet hoeven te doen’. De drie mannen en de jongen grijnzen vrolijk naar haar maar doen er verder wijselijk het zwijgen toe.

Dan waarschuwt het blaffen van de alomtegenwoordige Kleintje de vier mensen bij het vuur dat er mensen aankomen. ‘Ah’, zegt Urgh, nadat hij een blik op de kwispelende staart van de wolf heeft geworpen, ‘De jagers komen er aan’. Vrij snel klinkt de luide stem van Tork. ‘Slacht dat beest toch, dat draagt een stuk makkelijker’. Het antwoord van Zan gaat verloren in de wind. Tas, Flik, Krap en Azel staan op en lopen, voorzien van een fakkel, in de richting van de stemmen, Urgh alleen bij het vuur achterlatend. Weldra komt het licht van de fakkel weer zijn kant op. Zijn oog valt op een draagbaar die door Zan en Tak getrokken wordt. Urgh moet zich bedwingen om niet naar zijn grot genoten toe te lopen maar weet dat het nachtwandelingen voor hem te gevaarlijk zijn. Er zit niets anders op dan te wachten totdat de mannen met de draagbaar bij hem zijn.

Tot zijn verbazing ligt er een ooi op de draagbaar vastgebonden. De stand van haar linkerachterpoot verteld hem dat dit gebroken is. Vragend kijkt hij de drie jagers aan. ‘Ze is drachtig’, zegt Zan. ‘Zij heeft haar poot gebroken’, zegt Tak. ‘We moeten haar afmaken’, zegt Tork, ‘Dan hebben we vers vlees’. ‘Dat kan niet’, reageert Zan, ‘Dan sterft het lam ook en wanneer de eerstgeborene van het seizoen door mensenhanden sterft volgt er een seizoen van schaarste. Dat weet iedere jager’. ‘Het lam is nog niet geboren’, reageert Tork, ‘Dus het lam is niet de eerstgeborene’. ‘Dat is aan Urgh om te beslissen’, zegt Tak, ‘Daarom hebben we de ooi meegenomen’.

Peinzend kijkt Urgh even in het vuur en dan naar de ooi op de draagbaar. Kleintje heeft zich tussen de ooi en Tork opgesteld.  Dan zegt hij ‘Jagers, ik stel voor dat jullie eten terwijl ik daar over nadenk’. Dan richt hij zich tot Tas. ‘Zou jij een grote mand en een aantal leren koorden uit de grote grot willen gaan halen?’ Tas knikt en gaat doen wat  Urgh haar vraagt. ‘Krap’, vraagt Urgh de jonge jager, ‘Zou jij wat stokken willen zoeken, een duim breed en een halve arm lang. Terwijl de jagers eten en ik nadenk kan ik net zo goed haar achterpoot zetten zodat zij van die draagbaar af kan. Dat zal haar rustiger maken’. Tien minuten later zijn de twee jonge mensen met de gevraagde spullen terug. Voorzichtig voelt Urgh waar de breuk zit, hoe de breuklijn loopt. Met een snel gebaar zet hij de achterpoot. Het schaap blaat luid van de pijn en probeert hem met haar goede poot te schoppen maar Urgh ontwijkt die poot handig. Hij wenkt Flik en Krap dichterbij te komen met de twee stokken, pakt een van de door Tas gehaalde repen leer en wikkelt deze stevig om poot en stokken. ‘Zo’, zegt hij, ‘Dat is gebeurt. Willen jullie nu de mand met gras vullen. Dan heeft zij iets om op te liggen en van te eten in de grot’. ‘In de grot?’, vraagt Azel. ‘Urgh knikt. ‘Als we haar hier alleen laten is zij een makkelijke prooi voor elk dier wat voorbij komt’. Azel knikt dat hij het begrijpt.

Een uur later installeren de mannen zich in de grot, klaar om te gaan slapen. Als laatste wordt de ooi voorzicht van de baar afgehaald en op het gras gezet. Wanneer Tas de kleine grot verlaat zet Azel de baar voor de ingang van de grot om te vermijden dat de ooi in de nacht de grot zou verlaten. Tussen het blaten door begint de ooi haar bed op te eten.

De grote grot binnenlopend ziet Tas Pew op haar slaapplek liggen. De bevalling is begonnen. Ani en Yali zitten aan beide kanten naast haar, Gaya voor haar. ‘Een twee drie pers’, zegt Gaya. Met een rood hoofd, ondersteund door de beide vrouwen komt de vrouw kreunend en persend wat overeind. ‘En stop’, zegt Gaya. ‘je doet het goed, ik zie het hoofdje al’. Even is zij stil en dan zegt zij weer ‘Een twee drie pers’. Tijdens deze wee perst Pew het hoofdje naar buiten. Met de hulp van Gaya die het hoofdje ondersteunt pers Pew tijdens de volgende twee weeën haar baby naar buiten. Gaya geeft de baby een tik tegen de billen. Terwijl de baby begint te huilen zegt Gaya ‘Het is een meisje’. Zonder op te kijken zegt zij ‘Tas, ga jij de mannen vertellen dat het kindje geboren is? En Zoe, neem jij de plaats van Yali in dan kan Yali Pew helpen met de nageboorte terwijl ik de baby schoonmaak en inpak’. Zonder iets te zeggen doet  Zoe wat  van haar gevraagd wordt. Tas staat aarzelend in de deuropening en kijkt naar Pew. ‘Een twee drie pers’, hoort zij Yali zeggen. Weer doet Pew wat van haar gevraagd wordt. Dan roept Yali ‘Gaya, kom snel. Dit is geen nageboorte, er komt nog een kindje aan’.

Even later loopt Tas richting de kleine grot om te vertellen dat Pew bevallen is van een tweeling. Een meisje en een jongen. De vraag of het ongeboren lam de eerstgeborene van het seizoen is valt in het niet bij de keuze die Urgh moet maken over welk kind in leven mag blijven.

55. Dan beslis ik nu ..

Bij de kleine grot aangekomen ziet Tas Zan op wacht staan. “We hoorden een kindje huilen’, zegt Zan, ‘Is er een jongetje of een meisje geboren?’. Tas kijkt de oude jager even aan en vraag ‘Is Urgh nog wakker?’. Voor Zan kan antwoorden klinkt er een ‘Ja’ uit de grot. ‘Urgh’, zegt zij, ‘Gaya heeft mij naar jou toegestuurd om je te vertellen dat Pew vandaag moeder is geworden van een meisje en een jongetje’. Voordat Urgh kan antwoorden hoort zij Tork roepen ‘Een jongetje en een meisje. Daarom wilde de voorouders natuurlijk dat ik haar zou doden. Twee kinderen die tegelijkertijd geboren worden brengt ongeluk. Het spijt mij Urgh, ik ga mijn fout meteen herstellen’. Tas hoort hoe er iemand naar de ingang van de grot loopt en dan ligt met een harde klap haar vader voor haar voeten, onderuit Urgh onderuit gehaald met een kruk. ‘Tas, Zan’, roept Urgh, ‘Breng Tork terug naar binnen voordat hij wat doms doet’.

Tas en Zan slepen de hevig protesterende Tork mee terug de grot in. ‘Waarom liet je mij struikelen, Urgh?’, vraagt hij kwaad. ‘Ik ben tegen de wensen van de voorouders ingegaan en nu heb ik het ongeluk over het grotdorp afgeroepen’. Afgemeten antwoord Urgh ‘Houd je mond dicht Tork, en ga zitten. Ik ben de dorpswijze, ik moet een beslissing nemen, niet jij’. ‘Ik denk’, begint Tak maar Urgh onderbreekt hem ruw. ‘Ik ben de dorpswijze Tak, laat het denkwerk maar aan mij over’.  Vriendelijker vervolgt Urgh ‘Tak, zou je het vuur op willen porren? Tas zou jij thee willen zetten? Zan. wil jij Gaya gaan halen? Het gaat een lange nacht worden. We hebben het een en ander te bespreken voordat ik een beslissing neem’.

Precies op het moment dat Zan de grot verlaat om Gaya te gaan halen werpt Schaap haar eerste lam, even later gevolgd door nummer twee en nummer drie. Rustig likt Schaap haar jongen schoon. Kleintje helpt haar daarbij. De lammeren mekkeren zachtjes wanneer Zan en Gaya binnenkomen. Op verzoek van Urgh gaan de zes mannen en twee vrouwen rond het vuur zitten. Tas schept kommen thee vol en deelt deze rond.  Urgh neemt een slok alvorens te spreken. ‘Gaya’, richt hij zich tot zijn vuurpartner, ‘Zijn beide kinderen gezond?’. ‘Ja Urgh’, antwoord zij, ‘Voor zover ik kan beoordelen zijn beide kinderen gezond. Zij zijn nog niet helemaal volgroeid maar drinken beide goed. De tijd zal leren of ze goed blijven groeien’. ‘Het meisje moet dood’, gromt Tork, ‘Dan heeft de jongen alle kans om te groeien. Laat mij het doen Urgh, laat mij mijn fout goed maken’. Peinzend kijkt Urgh de oude jager aan. Dan vraagt hij, aan niemand in het bijzonder ‘Waarom brengt het ongeluk wanneer een vrouw twee kinderen tegelijkertijd krijgt? Weet iemand dat?’. ‘Omdat’, begint Tak. ‘Nou omdat’, zegt Tork. ‘Omdat wat?’, vraagt Urgh. ‘Omdat een vrouw geen twee kinderen tegelijk te eten kan geven’, zegt Tak aarzelend. ‘Omdat een vrouw geen twee kinderen tegelijkertijd kan dragen terwijl zij voedsel zoekt’, zegt Tork. ‘En omdat een vrouw met twee kinderen de stam teveel op houdt’.

Urgh knikt en wijst naar Schaap en haar nageslacht, ‘De lammeren drinken bij hun moeder. Alle drie. Niks mis mee toch?’. Zonder op een antwoord te wachten kijk hij Tork aan en zegt ‘Zijn de voorouders alwetend?’. Tork aarzelt even en zegt dan ‘Ja, de voorouders weten alles’. ‘Dus dan wisten zij dat jij tegen de orders van Elm in zou gaan en Pew en Meg zou laten leven, toch?’. Tork knikt van ja. ‘Maar ze hebben Elm niet gewaarschuwd om een andere jager de vrouwen te laten doden, toch?’ Weer knikt Tork van ja. ‘Denk jij dan ook niet dat de voorouders, die wisten dat Pew twee kinderen zou krijgen, juist willen dat Pew en haar kinderen zouden blijven leven? Dat ze daarom jouw naam hebben genoemd? Zodat beide kinderen geboren konden worden?’.

Weer wacht Urgh het antwoord niet af. ‘Vroeger’, zei hij, ‘Vroeger toen de hele stam, mannen, vrouwen en kinderen, nog samen op jacht gingen, samen voedsel zochten, samen reisden was het inderdaad niet handig wanneer een vrouw twee kinderen tegelijkertijd kreeg. Kreeg een vrouw pas een tweede kind wanneer het eerste kind niet meer gezoogd werd, niet meer constant gedragen hoefde te worden. Maar de tijd is veranderd. Nu we op een plek wonen, niet elke nacht een onderkomen hoeven op te bouwen, niet meer dagelijks hoeven te jagen of voedsel te hoeven zoeken is het leven anders. Worden de regels anders’.

Het is Tak die hem onderbreekt. ‘Ik ken anders geen enkele vrouw die twee kinderen tegelijkertijd zoogt’. ‘Niet?’, vraagt Urgh. ‘En Nana dan?’. Tak kijkt hem even verbaasd aan en zegt ‘Onna liep al, was al bijna een vrouw voordat Elm geboren werd. Nana heeft nooit twee kinderen tegelijkertijd gezoogd’. ‘Niet?’, vraagt Urgh. ‘Weet je het zeker Tak?’. Tak knikt van ja. ‘En jij Tork, weet jij het ook zeker?’. Het is Azel die antwoord geeft. ‘Nana heeft wel twee kinderen gezoogd. Haar eigen zoontje Elm, en Urgh, het zoontje van Onna. En Nana is niet de enige vrouw die het kind van een ander gezoogd heeft. Toen Joli ziek was heeft Yali de kleine Pew ook regelmatig gevoed. En ik kan wel meer voorbeelden geven’. Wanneer hij de blikken van de andere jagers ziet zegt Azel verontschuldigend, ‘je krijgt als man wel eens wat mee wanneer je altijd in het dorp verblijft’.

Urgh knikt Azel toe en zegt, ‘Heeft er nog iemand een reden waarom het jongste kind van Pew niet zou mogen blijven leven? Zeg mij dat dan nu’. Niemand geeft antwoord. ‘Niemand?. Dan beslis ik nu, geheel in lijn met de wens van de voorouders, dat Pew haar beide kinderen mag behouden’.

Naast hem haalt Gaya opgelucht adem. ‘Dan gaan Tas en ik nu naar Pew om haar het goede nieuws te vertellen’, zegt zij. Snel drinkt zij haar thee op en wenkt Tas om mee te gaan. Ook Zan staat op om zijn wachtplekje bij de ingang van de kleine grot weer in te nemen.  De andere mannen zoeken hun slaaprol op. Al snel is de rust in de kleine grot wedergekeerd. Alleen Urgh ligt nog lang wakker. Heeft hij de juiste beslissing genomen? Of gaan de jagers zich vanwege deze keuze tegen hem keren? Gelaten staart hij naar de ingang van de grot. De tijd zal het leren.

56. Dit zijn de kinderen van Pew

Uiteindelijk valt ook Urgh in slaap. Hij wordt wakker van het zielige geblaat van moeder Schaap naast hem. Een van haar jongen is op onderzoek uitgegaan en met haar gebroken poot kan zij het beestje niet terughalen. Maar daar is Kleintje. Voorzichtig pakt hij het lam bij haar nekvel en brengt haar terug naar Schaap. Schaap mekkert zachtjes. Langzaam kruipt Urgh uit zijn slaaprol, pakt zijn krukken en staat op. Achter hem hoort hij Tork zeggen ‘We leven in vreemde tijden Urgh. Die wolf van jou kan de ooi en haar lammeren in een keer verslinden maar hij zorgt voor haar en de jongen of ze bij elkaar horen’. ‘Ja Tork’, reageert Urgh, ‘We leven in een tijd van grote veranderingen. Kleintje, Schaap, de kinderen van Pew’. Tork kijkt hem even strak en en trekt dan een grimas. ‘Ik hoop dat de voorouders het mij niet kwalijk nemen dat ik de opdracht van Elm niet uitgevoerd heb’, zegt hij dan, ‘Het laatste waar ik zin in heb is een boze Onna te moeten aanhoren’. ‘We zullen het straks weten’, antwoord Urgh. ‘We gaan nu eerst wat eten en dan is het tijd om de voorouders kennis te laten maken met de kinderen van Pew zodat zij hen herkennen mocht het nodig zijn’.

Flik, die de laatste wacht heeft gedraaid, schuift gapend de baar voor de ingang van de grot weg zodat Urgh ongehinderd door kan lopen. Na het voltooien van het ochtendritueel vraagt Urgh aan de jonge jager of hij hem een kom lauw water kan bezorgen. ‘Ik wil mij even opfrissen’, zegt hij ter verduidelijking. ‘Voordat ik met de voorouders ga praten. Ik denk dat ik de eerste dorpswijze ooit ben die zo een grote beslissing alleen heeft genomen. Wie weet zijn zij niet blij met mij’, zegt hij met een grimas.

Tien minuten later lopen de vijf mannen de grote grot binnen. De geur van gekookte granen met honing komt hen tegemoet. Pew zit al te eten. Yali laat Tas, Meg en Zoe zien hoe zij Pew kunnen helpen met de verzorging van de baby’s. Achter in de grot is Gaya in een verhit gesprek met Yeti verwikkeld. Het is duidelijk dat Yeti het, net zo min als Tak en in mindere mate Tork, eens is met de door Urgh genomen beslissing. Met een ‘Zullen we gewoon afwachten wat de voorouders zeggen’, kapt Gaya het gesprek af en loopt naar haar vuurpartner. Pew heeft haar kom eten leeg en Yali reikt haar het eerste kind aan en helpt Pew met het aanleggen van de baby. Ondertussen scheppen Ani en Gaya kommen vol met pap en delen die uit. Weldra zit iedereen te eten.

Na het ontbijt  start Gaya met het bereiden van de voorouderdrank. Wanneer ook het tweede kind te eten heeft gekregen rakelt Zan het vuur hoog op en gaat links van Urgh zitten. Azel neemt rechts van Urgh plaats. Gaya laat de schaal met voorouderdrank rondgaan. Iedereen neemt een kleine slok. Urgh maakt het zich zo gemakkelijk mogelijk. De eerste voorouders verschijnen in het vuur. Hij ziet Onna, Sim en Yoti maar ook Ergh, Zark en de lange blonde man. Urgh slikt een keer, probeert de emoties van de voorouders van hun gezicht te lezen maar faalt daarin. Hij begint te spreken. ‘Welkom voorouders, welkom in onze grot. Vannacht zijn de kinderen van Pew geboren en ik wil hen graag aan jullie voorstellen, zodat jullie hen herkennen en kunnen beschermen wanneer dat nodig is’.  Weer probeert hij de voorouders te peilen maar van hun gezichten valt niets af te lezen. Gaya reikt hem een baby aan. ‘Dit’, zegt Urgh, is Luna. Dochter van Pew en Krom, kleindochter van Azel en Zan’. Voorzichtig houdt hij het kleine mensenkind in zijn handen, laat haar gezichtje aan de voorouders zien. Om het mollige polsje zit een armbandje met twee groene en een grijze kraal. De voorouders kijken het meisje strak aan. Dan maakt Onna zich los uit de gelederen der voorouders en buigt zich voorover naar het kleine meisje. Haar rechterwijsvinger trekt een roetstreep over het voorhoofd van het meisje. Daarna zet zij een veeg over beide wangen. ‘Een medicijnvrouw in wording’, zegt zij tevreden. Onna stapt opzij om plaats te maken voor Yoti die haar kleindochter diep in de ogen kijkt en daarna een kus op het kleine, met roet besmeurde voorhoofd drukt. “Welkom Luna. Welkom maan-meisje. Urgh heeft een goede naam voor jou gekozen’. Dan trekken beide vrouwen zich terug in het vuur. Voorzichtig geeft Urgh het kleine meisje aan de jager die naast hem zit. Hij probeert tevergeefs zijn zweethanden droog te wrijven aan zijn tuniek. Dan reikt Gaya hem de tweede baby aan. Ook deze baby houdt hij met het gezicht naar de voorouders gekeerd omhoog.

‘Dit’, zegt Urgh, is Storm. Zoon van Pew en Krom, kleinzoon van Yoti en Yali’. Ook Storm heeft een armbandje om zijn pols zitten, versierd met twee grijze en een groene kraal. Ook nu kijken de voorouders het kind vorsend aan. Ergh lijkt zich los te willen maken van het vuur maar wordt door Onna en de lange blonde man tegen gehouden. Het is Zark die samen met Yoti uit het vuur stapt. Zark kijkt de baby strak aan en trekt dan met een beroerte wijsvinger een streep over diens neus en kin. ‘Ik voorspel dat dit kind een groot jager wordt, leider van mannen, temmer van dieren, rechterhand van de dorpswijze. Ook Zark doet een stap opzij om Yoti bij haar kleinzoon te laten. Yoti drukt een kus op het voorhoofd van haar kleinzoon en zegt ‘Welkom Storm. Welkom jager van de wind’.

Met een zucht van verlichting geeft Urgh de baby aan Azel in de verwachting dat Zark en Yoti zich in het vuur terug zullen trekken. Maar niets is minder waar. Zark en Yoti blijven voor het vuur hangen en Onna en de lange blonde man voegen zich bij hen. Het is de lange blonde man die met een beroete wijsvinger twee liggende strepen op beide wangen van Urgh maakt en zegt ‘Welkom, grootste dorpswijze van deze tijd. Je hebt een goede beslissing genomen’. Onna drukt een kus op Urgh’s voorhoofd en zegt ‘Zoon, ik ben trots op je. Onder jouw leiding zal dit dorp groot groeien, klaar zijn voor de toekomst’.

Dan wendt zij zich met een stralende lach tot Tork. ‘Jij bent een stuk verstandiger geworden dan ik mij kan herinneren voormalig vuurpartner. Je hebt goed gehandeld’.  Tork krijgt zowaar een kleur van de woorden van zijn overleden vuurpartner. Langzaam trekken de voorouders zich terug in het vuur. Alleen Yoti blijft nog even voor Urgh hangen, buigt zich naar hem over en zegt zo zacht dat alleen Zan die naast hem zit het kan horen ‘Bedankt Urgh dat je Pew de pijn van het afstaan van een gezond kind hebt bespaard. Dat Zan niet voor de tweede keer een kind van zijn vlees en bloed in de sneeuw achter hoeft te laten. Jij bent waarlijk een wijs man… ‘.

Met die woorden verdwijnt ook Yoti in het vuur. Langzaam zakken de vlammen terug naar normaal. Even is het stil in de grot. Dan laat Storm horen waartoe zijn longen in staat zijn.

57. Terug naar het oude dorp

Na het voorstellen van de kinderen van Pew aan de voorouders keert de rust in de grotten weder. Het lijkt er op dat ook het weer het eens is met de goedkeuring van de voorouders. Winterse buien blijven achterwegen, de zon breekt steeds vaker en langer door, het voorjaar, al aangekondigd door de geboorte van de drie lammetjes, zit in de lucht. De dagen lengen, de ergste  koude is uit de nacht. De grotbewoners gaan weer terug naar hun eigen grotten. Marg, Pew en haar baby’s trekken bij Azel en Yali in. Zoe, Pon en Rin gaan terug naar de vrouwengrot. Tork krijgt de kleine grot ne weide toebedeeld. boven bij de weide toebedeeld. Schaap en haar drie lammeren verhuizen onder toeziend oog van Kleintje naar de grote grot.

De jacht verloopt voorspoedig, de eerste visvangsten zijn overweldigend. De voedselzoeksters vinden de eerste jonge eetbare scheuten. Op last van Gaya hakken Urgh en Azel een aantal nieuwe voedselputten zodat de nieuwe voorraden gescheiden van de oude voorraden opgeslagen kunnen worden. Elke avond doen de grotbewoners zich te goed aan stoofpotten waarin de oude vlees, groente en fruitvoorraden zijn verwerkt. Marg, Pon en RIn zijn op de weide een deel van de grond aan het breken zodat na de lentezonnewende het zaaigoed de grond in kan.

De lentezonnewende nadert met rasse schreden. Tien dagen voordat het zover is zegt Urgh tijdens het eten ‘We moeten het over het lentefeest hebben’. Hij kijkt naar de gezichten van de grotbewoners om hem heen. ‘Ik denk dat we er goed aan doen het feest hier te vieren’, vervolgt hij. ‘Waarom?’, wil Yeti weten. ‘Ik wil mijn familie weer eens zien. Bijpraten met vriendinnen’. Yeti’s voorstel krijgt weinig bijval. ‘Willen jullie dan niet weten hoe het er in het dorp aan toegaat?’, snauwt zij de andere toe. ‘Ja’, zegt Urgh, ‘Ik wil heel graag weten hoe het er in het dorp aan toe gaat. Maar ik denk niet dat we er wijs aan doen met z’n allen die kant op te gaan. Daarom is mijn voorstel dat een aantal van ons morgen, voorzien van voedsel en kruiden, naar het dorp gaan om te kijken hoe de bewoners er aan toe zijn en om hen uit te nodigen het feest hier te komen vieren. Vraag is alleen: Wie gaat?’

‘De jagers’, zegt Tak. Urgh schudt van nee. ‘Nee Tak, niet alleen maar jagers. Ten eerste laten we dan de overige bewoners onbeschermd achter, maar het kan voor de bewoners van het dorp ook bedreigend overkomen wanneer er alleen maar jagers gaan. Zelfs wanneer we eten bij ons hebben’.  Wanneer hij de blik van Tak ziet zegt hij. ‘Ja Tak, we… Ik ga mee… En jij ook. Maar wie nog meer. Ik had graag nog iemand meegenomen met kennis van kruiden. Iemand die kan helpen wanneer er nog steeds mensen ziek zijn’. Voordat Gaya kan antwoorden zegt Marg ‘Ik weet dat Elm mij de winter in gestuurd heeft om te sterven, maar hij is nog steeds mijn vuurpartner. Ik heb verstand van kruiden. Ik wil de mensen van het dorp helpen. Ik wil graag mee’. Urgh kijkt haar even peinzend aan, wikt en weegt even en zegt dan ‘Jij gaat mee Marg’. Hij wendt zich tot Tork ‘Ik wil jou er ook graag bij hebben Tork. Wanneer Elm blij is om Marg te zien, is hij ook blij met jouw ongehoorzaamheid. Is hij niet blij om Marg te zien, dan heb ik jouw sterke armen graag in de buurt’. Met een knik van zijn hoofd laat Tork weten het er mee eens te zijn. Als laatste worden Tas en Flik aan het gezelschap toegevoegd.

Het schemert nog wanneer het gezelschap klaar staat voor vertrek. Op de met voedsel volgeladen slede is ook een plekje voor Urgh gereserveerd. ‘Zan, Azel. Tot ik terug ben zijn jullie verantwoordelijk voor de grotten en haar bewoners. Handel wijs’. Hij neemt plaats op de slede en geeft het sein tot vertrek. Zoals zo vaak in het verleden vormt Kleintje de achterhoede. De beide jagers die de slee trekken hebben er een stevig tempo in. Eenmaal buiten het zicht van de grotten en hun bewoners verzoekt Urgh de beide mannen om in een rustiger tempo verder te gaan. ‘We weten niet wat voor welkom we gaan krijgen, laten we onze krachten een beetje sparen. Dat is ook de reden waarom ik niet loop’.

Na een kleine vier uur komen ze bij de rand van het dorp, zien het pad tussen de bomen wat naar de doorgang tussen de rotsen leidt. Het gezelschap houdt halt. Steunend op zijn krukken stapt Urgh van de slee en kijkt net als de overige jagers speurend rond. Er brandt geen welkomsvuur bij de doorgang. Het enige geluid wat ze horen zijn de vogels in de bomen. ‘Ik vertrouw het niet’, zegt Tak. ‘Volgens mij kunnen we beter om het dorp heen trekken en via het kleine achterpad naar het dorp gaan’. ‘We zijn geen dieven’, reageert Marg, ‘We zijn gasten. Gasten komen via de doorgang, zichtbaar voor iedereen’. ‘Marg heeft gelijk’, zegt Urgh, ‘Wanneer we naar het achterpad gaan zal het lijken of we kwaad in de zin hebben. Wij komen als gast. Wij gaan via de doorgang. Wel stel ik voor dat Marg en Flik vanaf nu de slee trekken en dat iedereen zijn wapens in de hand neemt’.

Op hun hoeden naderen de zes mensen de doorgang. Een blik op de vuurplaats leert han dat hier al zeker 14 manen geen vuur meer heeft gebrand. ‘Urgh, ga op de slee zitten’, zegt Tork. ‘En bewaak de achterhoede. Vergeet niet om ook regelmatig omhoog naar de rotsten te kijken. Tak, jij gaat rechts van de slee lopen, Tas, jij links’. Zonder te morren doet Urgh wat van hem gevraagd wordt. Snel trekken de zes mensen door de smalle spleet in de rotsen die de doorgang naar het dorp vormt. De geur van rottend vlees komt hen tegemoet. Aan de rand van het dorp blijven ze stil staan. In de grote vuurplaats ligt op een stapel hout een aantal lichamen waar gieren en hyena’s zich aan tegoed doen. Er brand geen vuur. Buiten de hyena’s en gieren beweegt er niets.

‘Is iedereen dood?’, vraagt Tas ontzet. ‘Misschien’, zegt Urgh, ‘Maar mensen sterven meestal niet op de vuurplaats. Iemand heeft ze daar neergelegd. Iemand heeft de lichamen willen verbranden. Die iemand kan nog in leven zijn. Die iemand gaan we zoeken. We beginnen bij de grot van Elm’. Hij staat op, pakt zijn slinger en zegt ‘Maar eerst gaan we die aaseters verjagen zodat Tak en Tork het vuur aan kunnen steken’. De twee oude jagers gaan aan de slag om fakkels te maken. De vier slingeraars gooien steen na steen naar de aaseters om hen te verjagen en komen steeds dichter bij de vuurplaats. De lichamen krijgen gezichten, krijgen namen. Namen zoals Ong en Frag, twee van de jonge jagers die meegeholpen hebben aan de opbouw van het Grottendorp. Twee jagers die met Murw op jacht zijn gestuurd. De fakkels verdwijnen in de vuurplaats. Langzaam likken de vlammen aan het hout, aan de lichamen. De vlammen groeien en groeien. De laatste aaseters verlaten onder luid protest hun feestmaal.

Ook Tork heeft de jonge jagers herkend, Zich rustig ronddraaiend kijkt hij speurend het dorp rond. Dan ziet hij een beweging vanuit de jagersvuurplaats en roept ‘Urgh! Liggen!’ op hetzelfde moment dat Kleintje met een forse sprong Urgh tegen de grond werkt. De werpspies die aan gescheerd komt mist op een haar haar doel en verdwijnt in het vuur. De witte veren aan de spies verraden dat het om de spies van een dorpswijze gaat.  Dan maakt zich een kleine man los uit het oude jagerskamp en rent gillend, met opgeheven werpspies in de hand,  op het gezelschap bij het vuur af. ‘Verjaag de indringers. Zij willen mij, jullie dorpswijze, doden’.

58. Het gevecht

Al opkrabbelend probeert Urgh te ontdekken tegen wie de kleine man het heeft. Hij ziet niemand bij de oude jagersvuurplaats. Dan gooit de kleine man de spies naar hem toe. Hij belandt net voor Urgh in het zand. De man trekt zijn mes uit zijn gordel en rent nog steeds op Urgh af die, op zijn knieën gezeten een steen in zijn slinger legt. Nog voor Urgh een eerste slingerbeweging kan maken krijgt de man een steen tegen zijn borst aan. En nog een. Een derde steen raakt hem tegen zijn hoofd. Verdwaasd blijft de man stilstaan.  Hij keert zich half om en brult naar achteren ‘Waar blijven jullie no…’. Hij kan zijn zin niet afmaken. Kleintje heeft van zijn moment onoplettendheid gebruik gemaakt om hem onderuit te springen. Dan is Marg daar. Zij gebruikt haar slinger om de handen van de kleine man achter op zijn rug vast te binden. ‘Waar is Elm’, sist zij de kleine man toe. ‘Wat heb jij met Elm gedaan zwijn?’.

De kleine man geeft haar geen antwoord, kijkt haar slechts minachtend aan. ‘Uh, Marg, pak zijn slinger’, hoort zij Urgh zeggen, ‘Er komen nog meer mannen aan’. Marg kijkt op en ziet een zestal mannen uit de oude jagersvuurplaats komen. Allemaal hebben zij hun werpspiesen in de hand. Marg herkent de mannen. Het zijn allemaal geharde jagers. De jagers die samen met de nu vastgebonden Murw op jacht zijn gegaan net voor de sneeuwstorm uitbrak. De eerste spies vliegt hun kant op maar treft geen doel. Urgh, nog steeds op zijn knieën, pakt de spies die door Murw naar hem is gegooid en gooit hem naar de dichtstbijzijnde jager. Hij treft vol doel en de jager gaat neer. Dan gaat een tweede jager neer, getroffen door de werpspies van Flik. Een derde jager wordt keer op keer getroffen door stenen die Tas en Marg op hem afvuren en gaat neer. Het lijkt er op dat de zes grotbewoners er zonder kleerscheuren van af gaan komen. Dan wordt Flik getroffen door de werpspies van de vierde jager. Met een kreet gaat hij neer. Tak gooit zijn spiesen aan de kant en knielt bij zijn zoon neer, kijkt naar diens door pijn vertrokken gezicht. Een werpspies uit de richting van de oude jagersvuurplaats schakelt de vierde jager uit. Vanuit het niets werpt Tork zich op nummer vijf en ontwapend de man. Nummer zes blijft op een afstandje staan en gooit zijn overgebleven werpspies op de grond. De gebonden Murw ligt razend en tierend op de grond. Zijn woorden zijn vooral op de twee oude jagers uit het grotdorp gericht. ‘Dood niet jullie broeders van de jacht. Dood Urgh en zijn verachting van de voorouders. Het zijn zijn ideeën die maken dat de voorouders ons in de steek hebben gelaten’. De woorden van Murw hebben geen invloed op Tork maar de tweestrijd staat op het gezicht van Tak te lezen. ‘Het is Urgh’s leven wat maakt dat jouw zoon’, en hierbij kijkt Murw Tak aan, ‘Van pijn ligt te creperen. Gaat sterven’. Tak bukt zich en pakt een van zijn spiesen op en loopt richting Urgh. Murw begint kakelend te lachen. Met een snelle beweging keert Tak zich van Urgh af, stopt bij Murw en zet de spies op zijn borstkas. ‘Het was jouw stem die het aanvalssignaal gaf’, zegt hij zachtjes, ‘Niet die van Urgh’. Met zijn volle gewicht duwt hij de spies door het hart van de gebonden man. Het bloed spuit omhoog. ‘En je maakt mij niet wijs dat de voorouders zo dom zijn jou dorpswijze te maken’. Met die woorden keert hij zich om en loopt naar zijn zoon om diens wond te verzorgen.

De stilte die na zijn daad en woorden volgt is oorverdovend. Het is Tas die de stilte doorbreekt. Zij richt zich tot de zesde jager en zegt: ‘Je bent vader geworden van twee mooie kinderen Krom. Van Urgh mochten ze beide blijven leven en de voorouders waren het met hem eens. Ze voorspelde beide kinderen een mooie toekomst. Medicijnvrouw en hoofdjager’. De jonge jager geeft geen antwoord. Langzaam zakt hij door zijn knieën. Steun zoekend met zijn handen op de grond zegt hij ‘Twee manen geleden leefde Elm en Nana nog. Zij liggen in de grot van Elm’. Dan kunnen ook zijn armen hem niet meer dragen en zakt hij in elkaar. Hij voelt nog hoe iemand een hand op zijn voorhoofd legt en hoort Marg zeggen ‘Hij heeft koorts’. Dan wordt zijn wereld zwart.

Urgh wendt zich tot de door Tork gevangen genomen jager en zegt ‘Wanneer hebben jullie voor het laatste gegeten Vil?’ En wat is er hier allemaal gebeurt?’ Vil aarzelt even. ‘Vijf manen. We hadden niet veel gevangen, onze weg naar huis was lang en zwaar.  Toen we hier aankwamen bleken vele stervende of dood te zijn. Het grote vuur was uit maar het was duidelijk dat er al vele verbrand waren. Murw stuurde de jonge jagers naar Elm om polshoogte te nemen. Zij vertelde dat iedereen in de grot ziek was. Murw stuurde hen terug naar de grot om de staf en werpspiesen van Elm te halen. Die avond verklaarde Murw dat Elm hem als nieuwe dorpswijze had aangewezen. De volgende dag werden de twee jonge jagers ziek. Murw sneed hen eigenhandig de keel door en zei dat we nu niets meer te vrezen hadden. Hij vertelde dat de mensen ziek waren geworden door het karkas van een slecht geprepareerde vos. Toen Krom hem vroeg waar hij die informatie vandaan had omdat de beide jonge jagers dat niet verteld hadden moest hij van Murw de lijken op de vuurplaats stapelen. Ik denk dat hij toen ook ziek is geworden. Daarna durfde wij niets meer te zeggen uit angst voor Murw’. Urgh knikt. ‘Ik weet even genoeg Vil’, zegt hij dan.

Even kijkt hij peinzend voor zich uit en zegt dan: ‘Tas, jij gaat naar de grot van Zan en richt daar slaapplaatsen in voor ons. Dan ga je naar de grot van Tork en richt daar slaapplaatsen in voor de zieken. Tak, jij zorgt voor een vuur om op te koken bij beide groten en verbind het been van Flik. Tork, jij gaat alle grotten langs op zoek naar zieken en brengt ze naar jouw grot. Marg, zodra het vuur brandt begin jij met koken. We hebben soep nodig’. Vil, jij helpt Tas met het inrichten van de slaapplaatsen’.

Vil kijkt Urgh aan en zegt dan ‘En jij Urgh, wat ga jij doen?’ Urgh knijpt zijn ogen tot spleetjes en antwoord dan. ‘Ik ga in het vuur kijken, contact zoeken met Onna en Kali in de hoop dat beide voormalige medicijnvrouwen ons kunnen helpen met het vinden van een medicijn tegen deze ziekte’.

59. Onna spreekt

Wanneer iedereen aan de door Urgh aan hen toegewezen taak is begonnen loopt Urgh zelf naar het grote vuur en gaat, met zijn rug tegen een rotsblok aan, zo gemakkelijk mogelijk zitten in de hoop zonder voorouderdrank met de voorouders te kunnen praten. De zieke geesten van Murw en zijn volgelingen dwalen nog tussen het land van de levende en de de plek van de voorouders en het laatste wat Urgh wil is dat zijn geest, net als die van Elm, overgenomen wordt door een kwaadaardige voorouder. Hij moet helder blijven. Zichzelf blijven.

Het duurt langer dan verwacht voordat Onna voor hem verschijnt. Kali is nergens te bekennen. ‘Koningskaars en citroenmelisse is wat jullie nodig hebben’, zegt zij. ‘Maak thee van de bloemetjes en de bladeren. Koningskaars is goed voor de longen, citroenmelisse is koortswerend. Het verlicht slechts de klachten en kan niet voorkomen dat mensen sterven. Waarom sommige overleven en de meeste sterven weten wij niet. Verdun de soep voordat je de mensen het laat drinken. De meeste hebben al lange tijd geen eten meer gehad. Kali laat weten dat dit dezelfde ziekte is waardoor de dorpen van haar en Gaya bijna uitgeroeid zijn en dat Gaya jullie kan helpen omdat zij de ziekte al eens gehad heeft. Stuur Tork om haar te halen maar laat hem op veilige afstand van de rest van het dorp blijven. De kans is groot dat jullie al besmet zijn. Laat Gaya ook extra voorraden koningskaars en citroenmelisse meenemen. Jullie zullen bakken vol van dat spul en van de soep moeten maken nu jullie nog gezond zijn. En Urgh, zorg dat er tussen elke slaapplek ruimte voor een extra slaapplek overblijft zodat de mensen niet te dicht tegen elkaar aan liggen. Verbrand alle lichamen van de overledenen zo snel mogelijk. Was de lichamen van de nog levende en verbrand de bevuilde kleding en slaaprollen. Zorg dat de zieken schoon blijven’. Even doet zij er het zwijgen toe, vervolgt dan haar monoloog, ‘Sterkte jongen. Ik hoop dat ik het nog lang duurt voordat ik je hier kan begroeten maar met deze ziekte weet je het nooit’. Voordat Urgh iets kan zeggen verdwijnt Onna weer in het vuur.

Urgh blijft nog even zitten en laat de woorden van zijn moeder op zich inwerken. Dan staat hij op en loopt naar de voormalige vuurplaatsen van Zan en Tork. Er brand een klein vuur. Het been van Flik is verbonden. Marg is al bezig met de soep. Tork en Vil zijn de voedselvoorraden van de slee aan het laden. Hij ziet de slaaprollen in de grot van Zan liggen. Hun slaaprollen. Hij ziet zieke   mensen, besmeurd door hun eigen vuil, voor de grot van Tork liggen. Naast Krom zijn dat Elm, Nana en Meuw. Hij ziet het kleine zusje van Meuw en de oude ome Oz. Tas is al begonnen met het wassen van de patiënten. ‘Zijn dit alle overlevenden?’, vraagt hij bevreesd. Tork knikt van ja. ‘Heb jij met de voorouders gesproken?’, vraagt hij. ‘ja’, antwoord Urgh, ‘Met Onna. Wat zij te zeggen had maakt mij niet blij’. Dan verheft hij zijn stem en zegt ‘Ik heb met Onna gesproken en heb slechts nieuws. Door het dorp binnen te gaan hebben wij de ziekte ook gekregen. Er bestaat geen medicijn voor. Alleen iets wat verlichting kan brengen. De voorouders weten niet waarom sommige mensen het overleven daar waar de meeste mensen sterven. Wat wel belangrijk is is dat wij de doden zo snel mogelijk verbranden nu wij nog fit zijn. We moeten alle zieken wassen en hen schone kleding en slaaprollen geven. Er moet tussen elke slaaprol genoeg ruimte zijn voor nog een extra slaaprol. Daarnaast raadt zij ons aan Gaya te halen. Tork’, en hierbij wendt hij zich tot de oude jager, ‘Onna wil dat jij Gaya gaat halen. Zij heeft de ziekte al gehad en is er van genezen. Zij kan ons helpen. Zij  moet ook zo veel mogelijk Koningskaars en Citroenmelisse meenemen om hier thee van te maken. Je moet niet dichterbij komen dan de afstand waarop je een speer kunt gooien om ervoor te zorgen dat de grotbewoners niet besmet worden. Ik wil dat je nu meteen gaat. Als je doorloopt kan je vanavond samen met Gaya terug zijn’. Tork knikt, pakt zijn werpspiesen en wat stenen voor zijn slingers en vertrekt in een lichte jagers-draf’.

‘Tas, jij  geeft eerst elke zieke een beetje soepnat te drinken. Ik denk dat er in de oude grot van Azel nog wel nieuwe kommen te vinden zijn. Daarna ga je verder met hen wassen en van schone kleren voorzien. Marg en ik komen je dadelijk helpen. Tak en Vil, ik wil dat jullie bij de uitbeenplaats een grote vuurstapel maken en daar alle doden oplegt om ze te verbranden. Daarna moet er nog een grote brandstapel gemaakt worden voor de mensen die hierna nog sterven. Doe dat maar op de open plek voor de grot van Elm. Urgh stopt even met praten om adem te halen. ‘Marg, weet jij hoe de kruiden Koningskaars en Citroenmelisse er uit zien?’. Marg schudt van nee. ‘Citroenmelisse ken ik wel, Koningskaars niet’. ‘Dankzij Pew en Gaya ik wel’, zegt Urgh, ‘Ik zal samen met jou de grot van Elm in gaan om te kijken of deze kruiden nog in de voorraad van Nana zitten zodat we alvast bakken met thee kunnen maken’. Als laatste gaat zijn blik naar de jonge jager Flik en vraagt ‘Kan je lopen op dat been?’. Wanneer de jongeman bevestigend knikt zegt hij ‘Dan ga jij eerst dit vuur groter maken en meer brandhout voor dit vuur halen. Daarna ga je zorgen dat er zoveel mogelijk bakken en manden met water gevuld worden. Als ik Onna mag geloven komt er een tijd dat we dat nodig hebben maar niet meer zelf kunnen halen omdat wij ziek zijn en zij die herstellende zijn niet genoeg kracht hebben om dat te doen’.

Vol vragen, met angst in hun hart begint  iedereen aan de door Urgh opgedragen taken. Zelf loopt hij samen met Marg naar de grot die zo lang zijn woonplaats was. De geur van menselijk vuil en de dood komt hem tegemoet. Samen met Marg inspecteert hij de kruidenmanden van Nana maar er is geen koningskaars of citroenmelisse te vinden. Twee half lege manden en een grote kom koude thee bij het uitgedoofde vuur van de medicijnvrouw verteld hen waarom. Nana heeft ondanks haar eigen ziekte zo lang zij kon voor de ziekte dorpsbewoners gezorgd. Zwijgend pakt Marg de beide manden op en samen lopen ze naar buiten, naar het tijdelijke vuur bij de grotten van Zan en Tork.

Terwijl Urgh begint met het klaarmaken van de eerste kom kruidenthee gaat Marg Tas helpen met het wassen van de zieken. Wanhopig kijkt de jonge vrouw naar het uitgemergelde lichaam van haar vuurpartner Elm, luistert naar zijn rochelende ademhaling. Zou hij het halen? Zouden de andere zieken het halen? Gaat zij het zelf halen?

60. Herstel

Het is al te donker wanneer Tork samen met Gaya en Yeti het dorp inlopen. Alle drie de mensen zijn zwaar bepakt. Naast hun eigen slaaprol, kleding en de door Onna gevraagd kruiden hebben zij ook extra schone kleren en huiden voor de overige Grot-bewoners meegenomen. Het eerste wat Gaya na aankomst doet is alle zieken controleren terwijl Yeti zich over haar zoon Flik ontfermt. Wanneer Gaya de zieken-grot uitkomt heeft zij goed nieuws. ‘Elm, Nana, Meuw en haar zusje en Oz hebben geen koorts meer en zijn aan de beterende hand als zij voldoende en goed eten krijgen. Ik begrijp van Marg dat de koorts van Krom aan het dalen is, dat is ook een goed teken’. Tevreden kijkt zij naar de aangelegde water en hout voorraad, de grote kommen met bouillon en kruidenthee. ‘Ik maak mij nu vooral zorgen om jullie. Waarschijnlijk gaan jullie ook allemaal ziek worden’.

Gaya loopt naar het vuur en pakt een kom en schept er wat bouillon in, neemt een slokje en gaat verder met het voorlichten van de Grot-bewoners over wat hun te wachten staat. ‘Er zijn een paar dingen heel belangrijk wanneer je koorts krijgt. Je moet blijven drinken en je moet er voor zorgen dat je schoon blijft. Vraag hulp als je niet meer kunt lopen. Zorg dat je niet in je eigen vuil komt te liggen. Dan duurt de ziekte veel langer en is de kans dat je sterft ook veel groter. Vraag me niet waarom, dat weet ik niet. Maar het is wel zo. Net zo goed als ik weet dat het pas veilig is om naar huis te gaan wanneer de laatste zieke 7 manen koortsvrij is’.

Die avond wordt het eten in stilte genuttigd. Iedereen is nog bezig met het verwerken van de woorden van Gaya en vraagt zich af wie van het kleine gezelschap niet terug naar de grotten zal gaan. Op aanraden van Gaya gaat iedereen op tijd naar bed. Urgh stelt een dubbel wachtschema op. Een jager om de mensen te bewaken en iemand om de zieken te helpen met alles wat ze nodig hebben.

Halverwege de nacht, tijdens de wacht van Tas reageert Nana voor het eerst op de aanraking van Tas. Herkent haar kleindochter. “Ga weg’, murmelen haar gebarsten lippen, ‘Ziek!’. Tas negeert haar woorden, tilt het bovenlichaam van de oude vrouw een stukje op en zet een kom thee aan haar lippen. Na een paar kleine slokjes zakken de ogen van Nana weer dicht. Na de oude vrouw voorzichtig terug op de vacht te hebben laten zakken blijft Tas nog even bij haar zitten voordat zij een nieuwe kom met thee vult en de volgend patiënt wat te drinken geeft. Aan het eind van de nacht is het Meuw die een teken van herkenning geeft, aan het begin van de volgende avond Elm. De woorden van Gaya lijken uit te komen. De volgende ochtend wordt Vil ziek. Ondanks de goede zorgen van Gaya sterft hij nog diezelfde avond. De verslagenheid onder de herstellende dorpelingen en de grotbewoners is groot. Wie zal de volgende zijn?

Een week later zijn alle zieken met uitzondering van Krom al weer zo ver opgeknapt dat zij zelf kunnen eten, even de grot uit kunnen om hun behoeften te doen. Langzaam sterken zij aan. Geen van de grotbewoners is ziek geworden. Er wordt al gesproken over de terugkeer naar de grotten samen met de vijf nog levende dorpelingen maar Gaya is onverbiddelijk. ‘Krom is pas drie dagen koortsvrij en de kans bestaat nog steeds dat een van ons ziek wordt’.

De beenwond van Flik is aan het genezen en samen met zijn vader, Tork en Tas gaat hij dagelijks op jacht om de voedselvoorraden aan te vullen. Urgh voert lange gesprekken met Nana en Elm.  Over alles wat er de laatste maanden in het Dorp is gebeurt. Elm’s gesprekken met de voorouders, de bedorven voedselvoorraden, de mogelijke rol van Murw. Als Urgh niet met Elm en Nana in gesprek is, zit Marg bij Elm.

Eindelijk, eindelijk is ook Krom meer dan zeven manen koortsvrij. ‘Morgen kunnen we naar huis’, zegt Gaya die avond tijdens het eten. Er wordt enthousiast gereageerd. Alleen Urgh is stil maar daar zijn zijn dorpsgenoten wel aan gewend. Met twee kommen stoofpot in haar hand kruipt Gaya dicht tegen Urgh aan. Ze voelt de hitte van zijn lijf, hoort zijn raspende ademhaling. ‘NEEEHHEEEEE’, gilt Gaya. ‘Nee Urgh, niet jij’. Langzaam glijdt Urgh van zijn vaste zitplek de slee af. Gaya laat de kommen eten uit haar handen vallen in een poging de grote man tegen te houden, De sfeer rond het kampvuur is in een klap veranderd van hoopvol naar wanhoop. Urgh, hun dorpswijze en vriend ligt bewusteloos op de grond. Gaya, de immer rustige Gaya, weet niet meer wat te doen. Met haar hoofd in haar handen zit zij hevig snikkend naast haar vuurpartner. Kleintje zit aan zijn andere zij en likt het voorhoofd van de bewusteloze man.


61. Gewond

Het is Nana die het hoofd koel houdt en het heft in handen neemt. In een paar passen zit zij naast haar kleinzoon, legt een koele hand op zijn voorhoofd. Zij hoort zijn raspende ademhaling, zo anders dan de ademhaling van de andere patiënten. Op aanwijzingen van Nana trekt Tas, geholpen door Tork, Urgh’s  boventuniek uit waarbij Kleintje regelmatig aan de kant geschoven wordt.. Tot haar grote schrik is de rechterhelft van zijn bovenlichaam blauw, paars en gezwollen. Voorzichtig betast zij met beide handen zijn ribbenkast maar voelt geen breuken. ‘Dit verklaart zijn moeizame ademhaling’, zegt zij tegen niemand in het bijzonder, ‘Maar niet zijn koorts’. Wanneer Tas en Tork Urgh’s broek uittrekken zien zij een flinke, zwaar ontstoken wond op zijn slechte been. De houtsplinters steken er uit. Tenminste, Nana hoopt dat het houtsplinters zijn.

Nana wendt zich tot de mensen die verschrikt rond het vuur zitten en vraagt ‘Weet iemand wat er met Urgh is gebeurt? Dit soort kneuzingen krijg je niet zo maar’. Even is het stil. Zelfs het snikken van Gaya is verstomd. Dan zegt Tas zachtjes ‘Urgh is drie dagen geleden gevallen’.  ‘Gevallen?’, vraagt Gaya, ‘Hoe heeft dat kunnen gebeuren? En waarom weet ik dat niet. Waarom heb je niets gezegd?’ Zonder Gaya aan te kijken antwoord Tas ‘We liepen over het pad naar de oefenplaats en toen gleed zijn kruk weg en tuimelde hij naar beneden. Hij kwam tot stilstand op het onderste pad. Toen ik bij hem kwam zei hij dat er niets aan de hand was en hij vroeg mij jou niets te vertellen omdat hij bang was dat jij boos op hem zou worden. Net als toen met dat everzwijn. Het spijt me Gaya’, vervolgt Tas, ‘Ik wil jou geen verdriet doen, maar Urgh nog minder’. Gaya’s ogen spuwen vuur maar voor zij wat kan zeggen geeft Nana haar een opdracht. ‘Gaya, ik wil op zijn ribben een klei-omslag met valkruid leggen. Voor zijn been is een klei-omslag met duizendblad beter.  Ga jij dat maken. Je weet waar de spullen liggen. Dan ga ik nu deze wond schoonmaken en de splinters verwijderen’.

Gedwee doet Gaya wat haar opgedragen is. Bij het weglopen hoort zij nog net hoe de oude medicijnvrouw Tas terecht wijst. ‘Ik weet dat je Urgh graag ter wille bent Tas, maar het was dom om hier niets van te zeggen. Gaya kan veel beter en veel langer boos zijn dan Urgh. Bovendien was het beter voor hem geweest wanneer we de wond meteen schoon hadden kunnen maken. Pak mijn kleine takkenborstel, wat schuimas en een bak met warm water’.  Zonder een woord te zeggen doet Tas wat van haar gevraagd wordt. Wanneer zij de gevraagde spullen aan de oude vrouw wil geven schudt die haar hoofd. ‘Ik ben te zwak Tas, jij zult het moeten doen’. Zij wijst het meisje waar zij naast Urgh moet gaan zitten. ‘Doe wat schuimas op de takjes en boen daarmee over de wond net zo lang tot er bloed uitkomt’. Gedwee begint Tas voorzichtig te schrobben.’Harder Tas, de wond moet open en het vuil moet er uit’, zegt de oude medicijnvrouw onderwijl een splinter uit het been van de man trekkend. Telkens wanneer Urgh kreunt gromt Kleintje maar hij schijnt te begrijpen dat de beide vrouwen Urgh willen helpen.

Alle splinters zijn verwijderd en de wond al schoongeboend als Gaya met de twee klei-omslagen terug bij het vuur arriveert. Samen met de oude medicijnvrouw brengt zij beide omslagen aan. Daarna wil Gaya haar vuurpartner weer aankleden maar Nana schudt haar hoofd. ‘Beter van niet Gaya. Zo kunnen we de omslagen sneller en pijnlozer verwisselen’. Op Nana’s aanwijzingen wordt Urgh op zijn slaaprol gelegd. Elm en Tak zijn extra vachten gaan halen om de gewonde man mee toe te dekken. Dan is het tijd om eindelijk te gaan eten. Tas brengt Gaya, die niet van Urgh’s zijde wijkt, een kom stoofpot. ‘Het spijt me Gaya’, zegt zij zachtjes, ‘Ik dacht echt dat het meeviel. Maar ik had het je moeten zeggen. Zodat jij vast had kunnen stellen dat er niets aan de hand was’. Gaya neemt de kom met eten aan maar zegt niets, kijkt haar slechts aan. Verslagen loopt Tas de grot uit, terug naar het vuur.

Die nacht, tijdens de wacht van Tas, loopt Gaya met een kom in haar handen, de grot uit, recht op het meisje af. ‘Ik wilde je even laten weten dat Urgh is bijgekomen’, zegt zij zachtjes, ‘De koorts is aan het zakken. Het komt allemaal goed. En Tas…. Het spijt mij van straks. Het is niet jouw schuld. Het is de schuld van Urgh zelf. Die had jou nooit mogen vragen hierover te zwijgen’.

Dan schept Gaya wat kruidenthee in een kom en neemt deze mee de grot in, Tas opgelucht achterlatend. Wanneer het meisje de grot in kijkt ziet zij Urgh rechtop in bed zitten, met Kleintje aan zijn zij. Hij zwaait even naar het meisje en neemt dan de kom thee van Gaya aan en drinkt deze leeg. Dan gaat hij weer liggen met Gaya aan zijn ene en Kleintje aan zijn andere zij. Met een blij gemoed vervolgt Tas haar wacht. Het komt allemaal goed!


62. Een kudde mammoeten

Ondanks haar bemoedigende woorden naar Tas en al haar medische kennis lukt het Gaya niet om de wond aan Urghs been dicht te krijgen. Ook de koorts krijgt zij niet onder controle. De vierde nacht na het instorten, wanneer Urghs koorts aan het dalen is zegt hij ineens ‘Het wordt tijd dat wij naar huis gaan Gaya. De lentezonnewende is al voorbij en ik voel mij hier niet prettig. Het voelt of het dorp ons weg wil hebben’. Gaya kijkt hem even bevreemd aan, voelt zijn voorhoofd of hij misschien weer koorts heeft, maar dat voelt koel aan. De volgende ochtend, wanneer iedereen zich rond het vuur verzameld heeft zegt Gaya ‘Urgh heeft beslist dat we naar huis gaan. Er is niemand meer ziek, zijn koorts komt van wat anders’. Zij wendt zich tot de overlevende dorpsbewoners en zegt ‘Pak dat in wat je niet kunt missen en wat je zelf kunt dragen. Urgh en de kleine Mus zullen op de slee reizen’.

Een klein uur later verlaat het kleine gezelschap in stilte het dorp. Tork voorop, Tak als hekkensluiter. Elm loopt naast de slee met daarop de gewonde Urgh. Bij het verlaten van het dorp kijkt Elm nog eenmaal om en vraagt zich wanhopig af of al die ellende, al die doden, zijn schuld was. De tocht naar het grotdorp duurt langer dan normaal. Hoewel de zieken allemaal zijn opgeknapt zijn zij nog erg zwak. In overleg met Gaya last Tork daarom regelmatig rustpauzes in. Ineens staan Zan en Zoe voor hun neus. Na kort overleg is het Zoe die terug sprint naar de grotten om de andere bewoners te vertellen dat Urgh en zijn reisgezellen er aan komen. Wanneer het gezelschap de weide oploopt staan daar alle grotbewoners op hen te wachten. Iedereen is blij iedereen te zien.

Een uurtje later ligt Urgh in zijn eigen grot, op zijn eigen bed terwijl Gaya een verse klei-kompresse met kruiden om zijn been wikkelt. Voor de nieuwkomers wordt een slaapplekje in de hoofdgrot gezocht maar niet voordat niet alleen Krom maar ook Elm Nana, Oz en Meuw beide kinderen van Pew hebben bewonderd. Dan is het tijd om te eten. Zoveel overvloed hebben de Dorpsbewoners lang niet meer meegemaakt. Zij genieten volop. Na het eten, wanneer Pew haar kinderen voedt, zegt Elm ineens tegen haar ‘Ik zou moeten zeggen dat het mij spijt dat ik jou samen met Marg door Tork het dorp uit heb laten voeren maar het spijt mij niet. Dat was de beste beslissing die ik in die tijd gemaakt heb. Ik had de beslissing die Urgh genomen heeft om beide kinderen te laten leven nooit durven nemen. Ik had volgens de traditie gehandeld.  Ik had een van jouw kinderen laten sterven of misschien wel jou en beide kinderen uit het Dorp verbannen. Jullie zouden de schuld van alle rampspoed hebben gekregen. Ik weet nu dat Murw achter dat verrotte karkas zat, maar toen… Nee echt, ik ben blij dat jullie het tot hier gered hebben. Ik ben blij dat Urgh een waar dorpswijze is gebleken. Ik ben blij dat ik deel uit mag maken van het dorp van deze dorpswijze’. Na die woorden doet hij er het zwijgen toe. De grotbewoners niet. Met hun lege etensbakken en soms nog volle kommen met kruidenthee slaan zij vol enthousiasme op de grond. Vanaf zijn slee kijkt Urgh koortsig maar tevreden naar het tafereel aan de andere kant van de grot. Na de woorden van Elm is er een last van zijn schouders gevallen.

Het is al laat wanneer iedereen is bijgepraat en de gesprekken rondom het vuur verstommen. Ondanks de thuiskomst van hun dorpswijze is het Zan die de wacht verdeeld. Het zacht ronkende geluid uit de hoek waar hun dorpswijze slaapt zegt iedereen waarom. Gaya zoekt haar slaaprol naast die van Urgh op. De grote man doet even zijn ogen open, trekt haar dicht tegen zich aan en slaapt weer verder. Tevreden nestelt Gaya zich tegen hem aan. Na vier nachten waken aan het bed van haar vuurpartner is ook zij zo naar dromenland vertrokken.

Midden in de nacht wordt zij heel even wakker met het gevoel dat de aarde schudt. Ver in de verte hoort zij een rommelend geluid. Wanneer zij bij het licht van het kleingemaakte kookvuur de grot rondkijkt ziet zij dat ook Ani en Pew rechtop in bed zitten. Gaya staat op en loopt naar buiten, naar Zan die de wacht houdt. Kleintje loopt met gespitste oren achter haar aan. Er volgt nog wat gerommel en dan is het weer stil en blijft het stil. ‘Wat was dat?’, vraagt Gaya zachtjes. Zan haalt zijn schouders op. ‘Misschien een kudde mammoeten die over de vlakte tussen beide dorpen heen rende’, zegt hij. ‘Misschien iets anders. Maar wat het ook was, het gevaar is geweken. Kijk maar naar Kleintje, naar zijn houding’. Gerustgesteld loopt Gaya met Kleintje op haar hielen terug de grot in en kruipt weer terug in haar slaaprol, terug in de armen van Urgh. ‘De koorts is gezakt’, denkt zij, en dan valt zij weer in slaap, dromend van mammoetvlees.


63. Elm

De volgende ochtend bij het ontbijt heeft iedereen het over het gerommel en het schudden van de aarde. Op verzoek van Urgh gaan de drie oude jagers, vergezeld door een jongere jager, elk in een andere windrichting op zoek naar sporen van de beesten. ‘Alleen sporen zoeken’, drukt hij hen op het hart. ‘Zelfs wanneer we met alle jagers achter een mammoet aan gaan is het gevaarlijk. Met z’n tweeën is het vragen om niet meer terug te komen. Loop en speur tot de zon over haar hoogtepunt heen is’, voegt hij er aan toe, ‘Keer dan huiswaarts. Wanneer je ze eerder ziet, kom dan ook naar huis. Morgen zien we wel verder’.

Na het ontbijt vertrekken  de duo’s, Tork en Tas gaan naar het Westen, Tak en Krom naar het Noorden en Zan en Flik naar het Oosten. De Grotbewoner pakken hun normale dagtaken op. Op verzoek van Azel gaat Oz met hem mee naar zijn werkplaats. Ani ontfermt zich over Meuw en haar kleine zusje Mus. Als Nana naar het kleine medicijnvrouwenvuur loopt blijft Elm alleen achter bij het grote vuur. Hij staart in de vlammen, zich afvragend wat Urgh voor taken voor hem in petto heeft. Hij is geen jager, kan niet uitbenen, geen huiden prepareren en heeft nog nooit iets met vuurstenen gedaan, manden gevlochten of kommen gemaakt. Zuchtend zet hij zijn kom met daarin nog een beetje van de granenpap die hij als ontbijt heeft gegeten voor zich neer. Hij voelt iets tegen zijn been stoten en hoort dan een slobberend geluid. Verbaasd kijkt hij op en ziet hoe twee van de lammetjes op hun gemak zijn ontbijtkom leeg lebberen. Dan verschijnt lam nummer drie, op de voet gevolgd door moeder schaap. De twee nieuwkomers blaten klagend bij het zien van de lege kom. Moeder schaap duwt met haar kop tegen zijn been alsof ze wil zeggen ‘Ik wil ook wat’. Met een vage lach rond zijn mond staat Elm op en loopt naar de de kom met granenpap die door Ani buiten het bereik van de schapen is gezet. Snel schept hij nog wat in zijn kom en begint te blazen. Even later hebben ook moeder Schaap en het derde lammetje wat van de pap gegeten en is zijn kom weer leeg. De drie beesten blijven klagen maar Elm schudt zijn hoofd. ‘Jullie hebben genoeg gehad. Ga maar gras eten.’, zegt hij tegen de dieren. Voorzichtig duwt hij moeder schaap wat aan de kant. Dan dringt het tot hem door dat de grot gebarricadeerd is en dat de vier beesten er niet zonder menselijke hulp uit kunnen. Hij staat op en loopt naar de ingang van de grot en haalt de barricade weg. De vier beesten staan nog steeds bij zijn kom te kijken. Zuchtend loopt hij terug, pakt zijn kom, schept er nog wat pap in en loopt dan naar buiten. Moeder schaap en haar jongen volgen hem als… Als makke schapen mee naar buiten.

Rustig loopt Elm met de vier schapen naar de weide. Wanneer het tot de dieren doordringt dat ze geen pap meer krijgen beginnen zij te grazen. Elm loopt naar het kleine vuur waar Ani en Meuw bezig zijn om huiden te prepareren. Er staat een grote kom met water naast het vuur waarom de huiden langzaam gekookt worden. De kleine Mus speelt in het gras met wat takjes. ‘Waarom kook je de huiden?’, vraagt Elm aan Ani. ‘Om de laatste restjes vlees die aan de huid kleven er af te krijgen’, antwoord Ani. ‘Als je dat niet doet gaat dat rotten en dan kan je de huid nergens meer voor gebruiken’, voegt Meuw er aan toe. Elm knikt, dat klinkt logisch. ‘Kan ik iets voor jullie doen?’, vraagt hij dan aarzelend. ‘Je kan mij helpen met het opzetten van het droogrek’, zegt Meuw en wijst naar een stapel lange takken die vlak bij het vuur liggen en die hij voor brandhout had aangezien. Op aanwijzing van Meuw houdt hij de takken vast terwijl zij ze met graskoorden aan elkaar vastmaakt. Met een schuin oog houdt hij moeder schaap en haar lammeren in de gaten. Door de spalk die zij nog altijd om haar pootje heeft is zij een stuk minder vlot dan haar drie kinderen. Als het rek staat gaat hij eerst de lammeren een voor een terug naar hun moeder brengen en dan knielt hij bij het schaap om voorzichtig haar pootje te voelen zoals hij Nana ooit het been van Urgh betaste. Schaap geeft geen kik iets wat Elm als een goed teken beschouwt. Hij pakt zijn mes en snijdt voorzichtig de repen leer waarmee de spalken op hun plaats worden gehouden door.  Schaap graast rustig verder.

‘Goed gedaan Elm’, hoort hij Urgh zeggen. Elm draait zich om en ziet hoe Urgh zwaar steunend op zijn krukken de weide oploopt. ‘Ik moest van Gaya de grot uit’, vervolgt de grote man, ‘En toen bedacht ik mij dat Schaap nu wel lang genoeg met die spalken rondgelopen heeft’. Langzaam loopt Urgh naar het vuur en kijkt in de kommen die rondom het vuur staan te pruttelen. ‘Is er ergens kruidenthee?’, vraagt hij aan Ani. Ani schudt van nee en zegt lachend ‘Ik ga wel even wat kommen en kruiden halen. Meuw, Elm, hangen jullie de huiden te drogen?’. Zonder op antwoord te wachten loopt zij bij het vuur vandaan. In het voorbijgaan pakt zij voorzichtig de kleine Mus op die onder het spelen in slaap is gevallen en neemt haar mee naar de grot..

Wanneer zij even later terugkomt ziet zij hoe de voormalig dorpswijze onder toeziend oog van Meuw de huiden voorzichtig uit de kommen haalt en op het droogrek hangt.  Ani schept water in de grootste kom en zet deze zo ver mogelijk bij de nu lege kommen met het stinkende water vandaan naast het vuur en voegt een handje kruiden toe. Als de thee kookt hangen alle huiden te drogen. Voor hij gaat zitten om een kom thee te drinken kijkt Elm even de weide rond, op zoek naar Schaap en haar jongen. Pas wanneer hij ze alle vier in beeld heeft schept hij een kom thee in en gaat zitten. Urgh kijkt hem even peinzend aan  maar zegt niets. Zwijgend drinken de vier mensen hun thee op terwijl zij wachten op huiden die drogen en nieuws van de jagers over mammoeten.


64. Elm is niet erg handig

Het begint al te schemeren wanneer eerst Tak en Krom gevolgd door Zan en Flik zich bij het vuur melden. Zij hebben nergens een teken van mammoeten gezien. Het is al donker en ruim na etenstijd wanneer Tork en Tas met bedrukte gezichten en bedekt met een laagje steengruis eindelijke thuis komen. ‘Ons dorp is er niet meer’, valt Tork met de deur in huis. ‘De meeste grotten zijn volledig ingestort, de werkplaats van Azel is compleet verdwenen, de doorgang afgesloten door rotsblokken…’. ‘Als Urgh dat voorgevoel niet had gehad, als we gisteren niet naar huis waren gegaan…’. Tas maakt haar zin niet af maar iedereen weet wat zij bedoelt. Het is Gaya die de vraag uitspreekt die iedereen bezig houdt. ‘Hoe kunnen grotten instorten?’. ‘Een kudde mammoeten!’, zegt Pon stellig. ‘We hebben geen enkel spoor van mammoeten gevonden’, zegt Tas.

‘Misschien trilde en schudde de aarde’, zegt Oz aarzelend. ‘Ooit, heel lang geleden, tijdens een grote stammen bijeenkomst, heb ik daar wel eens verhalen over gehoord’. Nana knikt. ‘Die verhalen heb ik ook wel eens gehoord. Over een dorp wat ineens helemaal verdwenen is’. ‘Net als nu’, zegt Tork, ‘Net als nu’. ‘Maar dat dorp was helemaal verdwenen’, zegt Oz bedenkelijk, ‘Terwijl ons dorp er nog is, alleen zijn er grotten ingestort als ik Tas en Tork moet geloven. Dat klinkt toch anders’. ‘Misschien weten de voorouders het’, zegt Oz aarzelend, ‘Misschien kunnen we…?’ Voor hij zijn vraag kan afmaken roepen zowel Urgh als Elm, ‘Nee, geen voorouders’. ‘We horen het wel wanneer we het moeten horen’, zegt Urgh. ‘Nu hebben we toch niets aan die kennis’.

Die avond duurt het langer dan normaal voordat het rustig is in de grotten, voordat iedereen slaapt. Het idee dat grotten kunnen instorten beangstigd iedereen. Alleen de kleine Mus, detweeling en Kleintje slapen rustig.

De volgende morgen, wanneer iedereen aan het werk is wenkt Urgh Elm om mee te komen. Samen lopen beide mannen naar de achterste grot waar Azel zijn werkplaats heeft. ‘Azel’, zegt hij, ‘Ik denk dat het tijd is dat je Elm wat basiskennis bijbrengt over hoe steen en hout te bewerken. En ik wil met je praten. Ik wil dat jij, dat jullie meedenken. Ja, jij ook Elm’. Even is de grote man stil, en zegt dan ‘Ik zit hier al een tijdje aan te denken. Hoewel dit mooie grotten zijn, zijn ze in de wintermaanden wanneer er sneeuw ligt niet geschikt voor mij. Het paf is te steil en te glad waardoor ik veel te lang naar mijn zin binnen moet blijven. Dat wil ik niet. Ik zou graag op de weide gaan wonen. In een tent of zo. Nu ik het verhaal van Tork en Tas heb gehoord over de verwoesting van het dorp denk ik dat het beter is wanneer we allemaal de groten uitgaan. Maar we moeten wel allemaal veilig kunnen wonen. Ik zat te denken aan een soort tent maar dan van hout. Alleen, hoe maak je die?

Daar heb ik dus jouw hulp bij nodig Azel.. Jouw vindingrijkheid’. Dan wendt hij zich tot Elm. ‘En jouw kennis van hoe andere dorpen gebouwd zijn. Jij bent vaker naar de grote stammen bijeenkomst geweest. Ik maar een keer, en toen was ik nog een klein kind. Ik kan mij daar niet zo veel meer van herinneren. Maar jij hebt andere dorpen bezocht’. Elm knikt en zegt: ‘Nana, Oz en de oudere jagers hebben vaker een grote stammen bijeenkomst bijgewoond en Gaya heeft heel wat dorpen gezien voordat zij bij ons kwam wonen. Misschien dat zij ook mee kunnen denken’. Urgh glimlacht even en zegt ‘Gaya is een goed idee. De andere, nee. Zan misschien, maar Tork en Tak hebben het al moeilijk genoeg met een lamme dorpswijze en alle veranderingen die ik door voer. Dat geldt ook voor Nana en Oz, al houden zij zich groot. Er zijn trouwens meer mensen hier in de grotten die niet goed tegen veranderingen kunnen. Daarom wil ik dat de eerste bovengrondse woonstee voor Gaya en mij is, de tweede voor  jou Elm  en de derde voor Krom, Pew en de kinderen’.

Azel wrijft zich, in gedachten verzonken, over zijn kin. ‘Ik denk dat ik wat weet’, zegt hij. ‘Maar ik wil hier eerst rustig over nadenken. Laten we eerst maar met de les beginnen’. Hij wendt zich tot Elm en zegt ‘Pak daar even drie blokken hout, dan gaan we beginnen met het maken van een kom. Als mijn handen bezig zijn kan ik het beste denken’. Wanneer Urgh op wil  staan zegt hij, ‘Nee jongen, jij blijft ook hier. Ik kan al dat denkwerk niet alleen doen. Daarbij… hoewel je best leuke kommen maakt kan ik als vakman zien dat je verkeerd begint. Jij begint met het uithakken van het hart, maar je moet beginnen met het glad maken van de buitenkant..’.

‘Kijk goed naar het blok hout wat je in je hand hebt’, zegt de oude vakman tegen zijn toehoorders, ‘Voel welke kant het vlakste is. Dat wordt de onderkant van de kom. Maak die kant nog wat vlakker door er met je bijl kleine stukjes van af te kappen net zo lang tot hij helemaal recht is…’. Op aanwijzing van Azel beginnen Urgh en Elm aan het maken van een kom. Wanneer Yali een uur laten met een kom kruidenthee de werkplaats van haar vuurpartner binnenloopt ziet zij tot haar verbazing hoe de dorpswijze en de voormalig dorpswijze druk aan het kappen zijn. Urgh met eenzelfde dromerige uitdrukking op zijn gezicht als Azel. Het gezicht van Elm vertoont een verbeten grimas en het bloed aan zijn linkerhand verraadt een aantal misslagen.

Yali zet de kom thee naast Urgh neer en loopt terug naar de grote grot. ‘Ik heb Urgh en Elm gevonden’, zegt zij tegen Gaya en Marg, onderwijl nog twee kommen thee inscheppend, ‘Zij zitten bij Azel in de werkplaats en krijgen les in het maken van kommen. Elm is niet echt handig…’.


65. Gaya's verdriet

Elm mag dan niet echt handig zijn, aan het eind van de dag, wanneer de mannen terugkeren naar de gezamenlijke vuurplaats  om te eten geeft hij vol trots zijn eerste, zelf gemaakte, kom aan Marg. Dankzij het in de rivier zandschuren van de kom zijn alle bloedvlekken die in eerste instantie op en in de kom zaten verdwenen. Ook de wonden aan met name zijn linkerhand zijn goed schoongespoeld. Marg neemt de kom met een glimlach in ontvangst. Al zegt zij het niet, zij is trots op haar vuurpartner die zo zijn best doet om zich nuttig te maken voor het dorp. Het lijkt er op dat Elm minder moeite heeft met het feit dat hij geen leidende rol meer heeft in het dorpsleven dan Nana die keer op keer de leidende rol bij het medicijnvrouwenvuur naar zich toe lijkt te trekken, al geven Gaya en Pew geen krimp en negeren de buien van de oudere vrouw.

In de weken die komen en gaan vinden ook de nieuwkomers hun routine in de werkzaamheden in en rond de grotten. De lente gaat over in de zomer en de zomerzonnewende komt er aan. Dat Tas en Flik zich tijdens het feest zullen verbinden is geen verrassing. Dat Tork het voorbeeld van zijn broer heeft gevolgd en Pon, een van de alleenstaande vrouwen, gevraagd heeft zijn vuurpartner te worden eigenlijk ook niet. De grote verrassing van deze zomerzonnewende is toch wel dat Oz en Nana zich gaan verbinden. ‘Als ik dan niet meer voor het hele dorp mag zorgen’, had Nana gezegd, ‘En ook Elm en Urgh mijn zorg niet meer nodig hebben, dan zorg ik wel voor Oz’.

Op de dag van de zomerzonnewende is het bloedheet. Bij het vuur op de weide zijn Ani, Yali en Marg druk bezig met de bereiding van het feestmaal. De heerlijkste geuren hangen rond het vuur. Hoewel er dit keer geen reden is om het vuurritueel uit te voeren omdat alle toekomstige partners uit hetzelfde dorp komen heeft Urgh besloten dat er wel een vuurritueel plaatsvindt. Het vuur van het vuurritueel versterkt de aanwezigheid van de voorouders waardoor de voorouderdrank veel minder sterk hoeft te zijn en iedereen maar een klein slokje nodig heeft. Azel en Zan zijn op verzoek van Urgh druk doende een smalle, ondiepe greppel te graven waar straks het smalle vuur voor het vuurritueel in ontstoken zal worden.

De een na de andere grotbewoner neemt na het verrichten van de voor die dag aan hen toegewezen taken een duik in de rivier om straks schoon en frisgewassen de voorouders tegemoet te treden. Aan het eind van de middag, wanneer Gaya de voorouderdrank naar het vuur op de weide brengt, komt zij Yali, Meg en Ani tegen die op weg zijn naar de rivier om zich te wassen. ‘Kom je mee naar de rivier?’, vraagt Yali. Gaya knikt. ‘Ga maar vast’, zegt zij met een scheef lachje. ‘Even de voorouderdrank bij het vuur neerzetten en dan kom ik ook’. De drie vrouwen vervolgen snel hun weg naar de rivier. Onder de verzengende zon koken is zwaar en warm werk. Met een verdrietige uitdrukking op haar gezicht kijkt Gaya de drie vrouwen na.

Voordat zij zich omdraait om de kom met voorouder-drank naar Urgh, die al bij het vuur zit,  te brengen trekt zij haar gezicht in de plooi. Voorzichtig, om niets te morsen, knielt zij met de kom voorouderdrank in haar handen voor Urgh en zet de kom op een kleine verhoging naast haar vuurpartner. Urgh maakt van de gelegenheid gebruik om haar even dicht tegen zich aan te trekken om haar te knuffelen. Met een ‘Urgh, ik wil mij nog graag even wassen’, maakt zij zich los uit zijn armen en rent de weide af. In haar haast loopt zij tegen Elm, die net de weide oploopt, aan en valt. Wanneer de voormalig dorpswijze haar overeind helpt ziet hij dat er tranen in haar ogen staan. Voor hij iets kan zeggen rent Gaya het pad af en haar grot in.

‘Wat is er aan de hand met Gaya, vraagt hij verwonderd aan Urgh. ‘Ze is de laatste tijd zo afwezig en ze lijkt zo verdrietig. Gaat het niet goed tussen jullie?’. Urgh wrijft eens langs zijn neus en zegt met een wrang lachje op zijn gezicht, ‘Dat Marg en Ani zwanger zijn kon Gaya nog wel aan al heeft zij het er heel moeilijk mee. Maar dat de buik van Yali groeit en zij dus nog niet bij de wijze vrouwen hoort zoals Nana en Gaya dachten toen zij geen maanstonde meer kreeg, dat doet Gaya pijn. En daardoor mij ook. Gaya is zo aan het veranderen. Is bang dat ik haar niet langer als vuurpartner wil nu zij nog niet zwanger is. Alsof ik ooit iemand anders als partner wil. Gaya is mijn alles’. Urgh staart even naar zijn schoenen, kijkt dan zijn zoogbroeder en voormalig dorpswijze aan en zegt ‘Elm, wat moet ik doen om Gaya duidelijk te maken dat ik haar niet wil missen?’ Ondanks het sombere onderwerp schiet Elm in de lach. ‘Dat vraag je mij?’, zegt hij, ‘De man die ooit zijn vuurpartner uit het dorp heeft gezet omdat hij dacht dat dat de voorouders gunstig zou stemmen. Aan mij, de man die nog steeds niet kan geloven dat zijn vuurpartner de verbinding niet verbroken heeft na die actie’. Na dat gezegd te hebben doen de beide mannen er het zwijgen toe.

Wanneer Gaya een uur later samen met de andere vrouwen als laatste van de Grotbewoners de weide betreedt heeft zij zich weer volkomen in de hand en kan de ceremonie beginnen. Azel ontsteekt het vuur, iedereen neem een slokje vooroudeirdrank en dan begint Urgh, onder toeziend oog van de voorouders, met de verbindingsceremonie. Na het uitwisselen van de laatste persoonlijke geschenken, worden de etenskommen gevuld en is het tijd voor het feestmaal. Gaya vult een kom vol lekkers voor Urgh maar neemt zelf slechts wat soep. Met kleine slokjes begint zij te drinken. ‘Is dat alles wat je eet?’ vraagt Urgh voordat hij zijn tanden in een heerlijk gebraden konijnenbout zet. ‘Ik ben misselijk’, antwoord Gaya. ‘Ik ben al weken misselijk. Het eten maa…’.

Voordat zij haar zin af kan maken laat zij de kom uit haar handen vallen en rent bij het vuur vandaan. Dichterbij het etende mensen dan zij zou wensen keert haar maag zich om. Dan staat Tas naast haar, ondersteunt haar. Urgh zet zijn kom neer, pakt zijn krukken en krabbelt overeind. De stilte rondom het vuur is oorverdovend. Het is Meuw die uitspreekt wat iedereen denkt. ‘Wat is er met Gaya aan de hand? Welke ziekte heeft zij onder de leden?’.

Dan verschijnt Kali, Gaya’s moeder, in het vuur. Haar felle, vuurspuwende ogen boren zich recht in de van Urgh. Dan begint zij te lachen. ‘Hehe jongen, is het je dan eindelijk gelukt mijn dochter zwanger te maken. Het werd wel tijd’. Vol ongeloof kijkt Urgh haar aan. Zwanger? Zijn Gaya? ‘Sinds wanneer word je ziek van zwanger zijn?’, vraagt hij verbaasd, ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord’. Het is Nana die zijn vraag beantwoord. ‘Je bent een man’, zegt zij simpel. Urgh hoort het al niet meer. Zo snel zijn benen en krukken hem dragen kunnen hobbelt hij naar zijn vuurpartner toe, die zich net voor de tweede keer voorover buigt’. Haar ogen schitteren weer, de droeve blik is verdwenen. Zij wordt moeder.


66. De eerste sneeuw

Het weer blijft prachtig. De oogst, het verzamelen, het vissen en het jagen levert een vette buit op. De bouw van de eerste drie hutten aan de achterste rand van de weide vordert gestaag. Het leven in en om de grotten is goed. Alleen het constante overgeven van Gaya baart Urgh en de overige bewoners zorgen. Gaya vervalt tot een schim van haar vroegere zelf, wordt somber en zwijgzaam. Als zij zo haar zwangerschap moet uitzitten… Ze weet het niet. Meerdere keren maakt zij een kruidenmengsel om de zwangerschap af te breken maar iets in haar houdt haar tegen.

Door het korten der dagen weten de grotbewoners dat de zomer plaats heeft gemaakt voor de herfst al is het aan het weer niet echt te merken. Een week voor de herfstwende verhuizen Urgh, Gaya, Tas, Flik en Kleintje naar hun nieuwe onderkomen. De door Azel bedachte hut is gemaakt van hout, leem, plaggen en huiden. De hut ligt op een kleine verhoging zodat er bij zware regen geen water binnen kan stromen. Aan de achter- en linkerkant is de hut bedekt met een laag aarde waardoor het op een kleine heuvel lijkt. De hut is laag en donker, net als een grot. Alleen wanneer de huid bij de ingang van de hut opzij wordt getrokken valt er licht naar binnen. De huid die de ingang van de hut markeert hangt niet helemaal vooraan in de constructie maar een anderhalve man naar achter waardoor er een soort afdak is ontstaan. Zowel onder het afdak als in de hut is een kleine vuurplaats gemaakt.

Of het door de verhuizing komt, of doordat haar lijf gewend is aan het idee dat er een kind in haar groeit dat weet Gaya niet. Wat zij wel weet is dat de misselijkheid en het overgeven minder wordt en dat zij langzaam maar zeker weer aansterkt. Wanneer de grotbewoners het feest van de herfstwende vieren kan zij de lucht van eten weer verdragen en mee feesten. Urgh haalt opgelucht adem.

In de weken die komen zijn ook de andere twee hutten klaar. In de ene gaan Zan, Ani, Pew, Krom en hun kinderen wonen, in de andere Azel, Yali, Elm en Marg. Aan deze hut zit een extra groot afdak met omheining vast voor de schapen van Elm. Het is niet bij Schaap en haar jongen gebleven. Sinds de zomer heeft Elm vijf ooien, een ram en een aantal uit de kluiten gewassen lammeren onder zijn hoede.

Het weer blijft lang zacht. De winterwende komt en gaat en nog is er geen sneeuw gevallen. De buiken van de zwangere vrouwen groeien en groeien. De dagen beginnen al lengen wanneer de eerste sneeuw begint te vallen en blijft vallen. Warm aangekleed, met zijn rug naar de ingang van de hut, gezeten op zijn slee met Kleintje aan zijn zij ziet Urgh de dag overgaan in de nacht, ziet de weide en het pad verdwijnen onder een dikke laag sneeuw. Pas wanneer het maanlicht op het pak sneeuw valt tilt hij de huid bij de ingang van de hut op en gaat naar binnen, naar zijn zwangere vrouw, zich afvragend wanneer de sneeuw stopt, of de dak van zijn onderkomen de hoeveelheid sneeuw wel kan dragen. Zich afvragen wanneer hij weer in staat is het pad naar de grotten te betreden.


67. Idee

Gaya ligt al te slapen. In de hut is het behaaglijk waar. Urgh gooit nog wat van de snippers eikenhout op het vuur. Die snippers maken dat het vuur de hele nacht blijft branden zodat de hut warm blijft in de winterse kou. Dan kruipt ook Urgh in zijn slaaprol en valt, ondanks zijn vragen, snel in slaap. Het laatste wat hij meekrijgt is Kleintje die de huid voor de ingang opzij duwt om nog even naar buiten te gaan.

Als Urgh de volgende dag zijn hoofd om de hoek van de ingang van de hut steekt ziet hij tot zijn vreugde dat het gestopt is met sneeuwen. De sporen in de sneeuw die van de beide andere hutten richting het pad lopen vertellen hem dat een aantal van zijn buren al naar de Grot zijn geweest. Zijn slee, die nog steeds buiten staat, is schoon en droog. Snel trekt hij zijn warme tuniek aan en loopt op zijn krukken naar de slee. Vanuit zijn ooghoek ziet hij hoe Ani bij het kleine vuur dat dienst doet als kookvuur in een kom roert. Dan grijpt zij naar haar buik. Even maar. Dan roert zij weer verder in de kom. Dan gaat de huid voor de ingang weer opzij en komt een warm aangeklede Gaya naar buiten. ‘Ik denk dat Ani vandaag gaat bevallen’, zegt Urgh tegen zijn vrouw. Gaya volgt zijn blik en ziet hoe Ani wederom naar haar buik grijpt. ‘Hum’, zegt Gaya, ‘Dan krijgen Pew en ik het druk. Gisteren vertoonde Yali ook al de eerste tekenen van een op handen zijnde bevalling’.

Terwijl Gaya naar Ani loopt om polshoogte te nemen sleet Urgh richting de rand van de weide. Vandaar kijkt hij speurend over het water  en naar de lucht om te zien of er nog meer sneeuw aan komt. Net als het voorafgaande jaar kijkt het verwonderd naar een aantal grote boomstammen die de rivier liggen en met de stroming worden meegesleurd. Anders dan zijn slee blijven de bomen drijven. ‘Waar kijk je naar Urgh?’, hoort hij Gaya ineens vragen. ‘Hij wijst naar de boomstammen. ‘Ik vraag mij af hoe het kan dat die zware bomen blijven drijven, daar waar stenen zinken’. Gaya haalt haar schouders op. Met twee bevallingen in het verschiet is zij niet zo filosofisch.

‘Ik heb Elm en Flik gevraagd een van die grote zware eiken stammen naar onze hut te slepen. Die mag jij de komende tijd in kleine stukjes hakken zodat er voor alle drie de hutten voldoende aanmaakhoutjes zijn om het vuur warm en laag te laten branden’. Zonder om te kijken knikt Urgh. ‘En ondertussen mag je in de diverse kommen met medicijnen roeren die ik dadelijk langs het vuur buiten ga zetten’, vervolgt Gaya haar verhaal. ‘Dan blijf ik bij Ani. Zij is niet meer zo jong en dit is haar eerste kind. Alles wijst er op dat het een zware bevalling gaat worden. Pew en Marg zorgen voor Yali. Maar nu is het eerst tijd om te eten’. Met een zucht maakt Urgh zijn blik los van de drijvende boomstammen en sleet achter zijn vuurpartner aan, naar het vuur bij de hut van Zan waar het kookvuur is.

Na het ontbijt sleet Urgh terug naar zijn hut, naar de boomstam die hij mijn zijn vuistbijl in kleine stukjes mag hakken. Het ding is enorm. Zan neemt Flik, Krom en Tas mee het woud in, op konijnenjacht. Dan staan Azel en Elm, beide met een grote wilgentenen mand in de ene en vuistbijl in de andere hand bij Urgh. ‘Je hoeft het niet alleen te doen’, zegt Azel, ‘Wij komen je helpen’. Azel wil aan het uiteinde van de stam beginnen met hakken maar Urgh houdt hem tegen. ‘Ik heb een idee’, zegt hij langzaam. ‘Hebben jullie die boomstammen wel eens zien drijven?’. Beide mannen knikken van ja. ‘En zijn jullie ook wel eens een kom kwijt geraakt omdat deze tijdens het afwassen in de rivier ineens weg dreef?’ Weer knikken beide mannen van ja. Ik dacht’, zegt Urgh, ‘Als we deze boomstam nu eens uithollen, net als een kom. Misschien kunnen we dan wel op de rivier drijven en eens gaan kijken wat er aan de overkant allemaal is..’.

‘Ik denk niet dat dat werkt’, zegt Azel. ‘Ik denk..’. Dan ziet hij de blik op het gezicht van de grote man en zegt ‘Maar allez, het maakt niet uit of we vanuit het midden de boom klein maken, af vanaf een van de kanten’. Meteen voegt hij de daad bij het woord en wipt met zijn bijl een stuk schors weg en begint te hakken’. Wanneer Gaya een uurtje naar de hut komt om de kommen met medicijnen op te zetten ziet zij hoe elke man al een kleine kuil in de boomstam heeft gemaakt. Hun rode hoofden en uitgegooide wintertunieken vertellen haar dat het zwaar werk is. Wanneer het water in de kommen kookt en zij de kruiden toevoegt wordt zij opgeschrikt door een kreet van Marg. Snel geeft zij Urgh instructies hoe om te gaan met de medicijnen en loopt dan, met Elm op haar hielen, zo vlug zij kan door de sneeuw naar Marg. Met een perfect gevoel voor timing heeft ook het kind van Marg besloten dat het die dag geboren wil worden.


68. Een zware beslissing

Al snel komt Elm weer terug naar het vuur van Urgh. ‘Ze hebben mij weggestuurd’, zegt hij verbolgen. Azel grinnikt eens en vraagt ‘Ben jij wel eens bij een bevalling aanwezig geweest?’ Elm schudt van nee. ‘Geloof mij’, zegt Azel, ‘Dat wil je zo houden ook’. De oude man pakt zijn bijl en gaat rustig verder met hout weg kappen.

Aan het eind van de dag, wanneer de jagers Krom, Tas en Zan terug komen met een kleine buit, zijn er nog geen kinderen geboren. Tas wordt meteen door Gaya gecharterd om mee te helpen met de bevallingen. De beide andere jagers trekken zich terug bij het vuur van Urgh waar Azel een stoofpot aan het bereiden is. Wanneer het begint te schemeren brengen Zan en Azel kommen eten naar de vrouwen toe. Bij terugkomst staat het gezicht van Zan zorgelijk. Ik geloof niet dat Joli het ooit zo zwaar heeft gehad tijdens de bevalling’, zegt hij somber, ‘En Joli kreeg nog wel twee kinderen tegelijkertijd’. Zwijgend eet de oudere jager zijn kom stoofpot. Hij wil niet denken aan wat er allemaal kan gebeuren.

Het loopt al tegen middernacht wanneer de mannen zich klaar gaan maken om te slapen. De een na de ander gaat zijn slaaprol halen en maakt het zich gemakkelijk in de hut van Urgh. Alleen Urgh blijft nog buiten bij het kleine vuur zitten met Kleintje als gezelschap. Als dorpswijze is het zijn taak om, wanneer de medicijnvrouwen dat aangeven, een beslissing over leven of dood te geven. Dat wil hij met een wakker hoofd doen.

Het loopt al tegen de ochtend wanneer hij een kind hoort huilen. ‘Nee’, herstelt hij zijn gedachtengang, ‘Twee kinderen’. Dan is Tas daar.  ‘Marg en Yali hebben beide een zoon gekregen’, zegt zij snel. ‘Vertel jij het de mannen? En laat jij een van hen Nana halen? Ik ga weer terug. Gaya’s weeën zijn ook begonnen dus Pew kan wel wat hulp gebruiken’. Nog voor Urgh de hut in kan lopen staat Azel al buiten, glunderend van oor tot oor. ‘Een zoon’, zegt hij, ‘Ik heb er een zoon bij’. Dan zegt hij ‘Ik ga Nana halen, ga jij Elm maar wakker maken. Die snurkt als een os’. Grinnikend loopt Urgh de hut in. Weer hoort hij een kind krijsen. Een van de twee jongetjes? Of een derde kindje? Hij weet het niet, kan de stemmen nog niet uit elkaar houden. Het geluid van het kind wordt overstemd door het gejankvan Kleintje. Door het tumult wordt niet alleen Elm maar ook de beide andere mannen wakker. ‘Marg en Yali hebben beide een zoon gekregen’, zegt hij, ‘En volgens mij is er nog een kindje geboren maar ik weet het niet zeker en ook niet wie de moeder is’. Wanneer Zan hem bevreemd aankijkt zegt hij ‘Gaya is ook aan het bevallen zei Tas net. Azel is Nana halen voor extra hulp’.

Even laten verschijnt niet alleen Nana op de weide maar ook Pon, Yeli en Meuw. Die laatste heeft haar kleine zusje Mus op de arm. Op dat moment verschijnt Tas weer. Zij loopt naar Urgh en zegt ‘Gaya heeft een dochter. Het kindje heeft net zo’n kleur haar als Gaya zelf’. Dan is Tas weer weg. Achter de drie nieuwkomers aan verdwijnt zij in de hut van Zan en Ani.

De zon staat al op het hoogste punt wanneer Pew de hut weer uitkomt en met een vermoeid en bedrukt gezicht naar de wachtende mannen loopt. Zonder haar vader Zan aan te kijken zegt zij tegen Urgh ‘Ani heeft een zoon. Hij lag fout tijdens de geboorte. Zijn kontje is eerst naar buiten gekomen. De navelstreng zat rond zijn nek en hij zag helemaal blauw.  Een paar van zijn botten zijn gebroken. Wat moeten wij doen?’ Urgh kijkt haar aan en vraagt ‘Heeft hij gehuild?’ Pew knikt. ‘Ja, het jongetje geeft gehuild’. ‘Welke botten zijn gebroken?’, vraagt hij dan. ‘Beide sleutelbenen’, is het zachte antwoord. ‘Ik moest van Nana ook zeggen dat zijn ogen schever staan en dikker zijn dan bij de meeste kinderen en zijn hoofd groter’. Urgh denkt even na. Het klinkt als een eeuwig kind baby. Eeuwig kind baby’s worden zelden oud. Lichamelijk niet, maar geestelijk al helemaal niet. ‘Drinkt het kind al?’, vraagt Urgh. Pew knikt van nee. ‘Niet omdat hij niet wil, maar omdat het van Nana niet mag’. Urgh knikt. ‘Hoe gaat het met Ani’, is de volgende vraag. ‘Zij is moe en heeft veel bloed verloren maar Nana denkt dat zij het wel overleeft’.

‘Laat me even alleen’, zegt Urgh, ‘Ik wil hier even goed over nadenken en misschien zelfs wel even met de voorouders overleggen’. De overige aanwezigen staan een voor een op en lopen bij het vuur vandaan. Alleen Zan blijft zitten, kijkt de Dorpswijze, zijn zorgzoon verdrietig aan. ‘Waarom er over nadenken Urgh?’, vraagt hij dan zachtjes, ‘Jij en ik weten beide wat dit betekent. Dit kind, mijn kind, wordt niet oud en is een last voor de stam, voor dit dorp’. Urgh staart in het vuur en zegt dan ‘Ik heb nog nooit een eeuwig kind gezien Zan, ik heb er alleen maar over gehoord. Vroeger, vroeger was zo’n kind een last, maar nu we niet meer rond trekken… Daarom wil ik er goed over nadenken. Wil ik van de voorouders weten of de botbreuken goed kunnen herstellen. Wil ik van hun weten hoe ernstig het is… Dan pas neem ik een beslissing. Een beslissing die goed is voor alle bewoners van dit dorp… Dus als je mij nu even alleen laat met de voorouders…’.

Zan wil nog wat zeggen maar de afwezige blik op het gezicht van Urgh verteld hem dat zijn zorgzoon in gesprek is met de voorouders. Een gesprek wat moeilijk belooft te worden. De ouder jager staat op en loopt langzaam, met stramme benen naar de hut waar zijn vuurpartner en zoon zich bevinden. Er zit niets anders op dan samen met hen de beslissing van Urgh af te wachten.


69. Welkom in deze wereld

‘Wat wil je van ons Urgh?’, vraagt de lange blonde man nors. ‘In je hart heb je de beslissing al genomen. Waarom dan nog met ons overleggen?’ ‘Wil jij dat wij nog meer bewezen gebruiken met voeten treden om jou nu te steunen met de beslissing die je zonder overleg met ons al genomen hebt?’, snauwt Ergh. ‘Ik had je moeten doden toen ik de kans kreeg’, gromt Murw. Urgh kijkt de drie mannen voor hem even aan en schudt dan zijn hoofd van nee. ‘Neen, jullie hoeven mij niet te helpen met beslissen, en jullie hoeven mijn beslissing niet te steunen. Ik heb slecht een vraag’.

‘Stel je vraag’, zegt de lange blonde man, ‘Misschien krijg je antwoord. Misschien ook niet’. Urgh knikt, kijkt de kring rond en zegt dan ‘Kan een van de aanwezige medicijnvrouwen mij vertellen of het volgende kind van Ani weer een eeuwig kind is?’ Het is Onna die het woord neemt ‘Het spijt mij Urgh maar de vraag of Ani nog een kind krijgt mogen wij niet beantwoorden. Maar mocht zij nog een kind krijgen dan is de kans heel groot dat het weer een eeuwig kind wordt. Zowel Ani als Zan zijn al op leeftijd en zouden geen kinderen meer moeten krijgen’. Urgh kijkt even peinzend voor zich uit en zegt dan ‘Dank je voor dit antwoord. Ik ga nu mijn beslissing aan Ani en Zan mededelen. Over een paar dagen zie ik jullie weer. Dan worden de nieuwgeborenen aan jullie voorgesteld’. De lange blonde man wil nog wat zeggen maar Urgh heeft zijn ogen al losgemaakt van het vuur en is druk doende zijn krukken te zoeken. Voorzichtig staat hij op en loopt naar de hut van Zan waar alle moeders, kinderen en medicijnvrouwen vertoeven.

Eenmaal binnen loopt hij naar Marg en Elm en hun zoon. ‘Welkom Run, welkom in deze wereld’, zegt hij tegen de kleine jongen en geeft Elm een kleine armband met groene kraal om rond de pols van zijn zoon te knopen. ‘Welkom Teem’, zegt hij tegen de zoon van Yali en Azel. ‘Welkom in deze wereld’. Ook Azel krijgt een kleine armband met groene kraal in zijn hand gedrukt. Dan loopt hij naar zijn vuurpartner, knielt bij haar neer, bekijkt zijn dochter lang en aandachtig. ‘Welkom Klee’, verzucht hij zachtjes, ‘Welkom op deze wereld. Je bent net zo mooi als je moeder en dat wil wat zeggen met een vader als ik’. Voorzichtig knoopt hij een kleine ketting voorzien van een groene kraal rondom de nek van het kleine meisje.

Als laatste loopt hij naar Zan en Ani. ‘Welkom Zen’, zegt hij en geeft Zan een kleine armband met een groene kraal. ‘Welkom in deze wereld eeuwig kind’. ‘Wat!’, schreeuwt Nana, ‘Waarom heet je hem welkom. Je weet dat eeuwige kinderen…’. Urgh laat haar niet uitpraten. ‘Ik weet wat de traditie wil maar ik heb anders beslist. Dit kind van Ani en Zan blijft hier totdat het zijn tijd is om naar de voorouders te gaan. Vandaag is zijn tijd nog niet gekomen’.  De oude vrouw kijkt hem scherp aan. ‘Jij weet niet wat je doet, wat je net gedaan hebt’, zegt zij dan, ‘Jij neemt de verkeerde beslissingen. Het tweede kind van Pew laten leven, nu dit eeuwig kind weer. Zo verzwak je het dorp’. ‘Misschien’, antwoord Urgh, ‘Maar vooralsnog lijkt het er niet op dat Storm een zwak kind is. Lijkt Pew er weinig problemen mee te hebben twee kinderen tegelijkertijd te zogen. Lijkt Luna er geen last van te hebben haar eten te moeten delen met haar broertje’. Nana kijkt hem zwijgend aan. ‘Je zegt dat ik een zwak leider ben’, zegt Urgh, ‘Toch heb je zelden weerwoord. Dat ben ik anders van je gewend Nana’. Zonder iets te zeggen wendt de oude vrouw haar ogen af. ‘De baby moet drinken’, zegt zij dan stuurs, ‘Zou jij eerst naar zijn schouders willen kijken. Er zijn wat botten gebroken en jij bent de beste botten-zetter die ik ooit aan het werk heb gezien’.  Urgh knikt en laat zich naast Ani op zijn knieën zakken. Om hem zijn armband om te doen heeft Zan de huid waarin de kleine Zen gewikkeld zat los gemaakt. Voorzichtig zoeken de vingers van Urgh naar de botbreuken. Links lijkt alles op zijn plaats te zitten, rechts voelt hij een kleine breuk. ‘Dit gaat pijn doen kleine man’, zegt hij tegen de baby terwijl hij de botten op z’n plaats duwt. Zen zet het op een brullen en brult nog steeds wanneer Pew hem weer stevig in zijn huid wikkelt om hem daarna aan Ani te geven zodat Zen eindelijk kan gaan drinken.

“Totdat zijn schouder genezen is’, zegt Pew, ‘Moet je hem zo vasthouden dat alleen zijn gezonde arm tegen jouw lichaam komt. Anders schieten de botten weer over elkaar heen’. Ani knikt. Ondanks de pijn, ondanks de zwakte door bloedverlies, ondanks dat Zen anders is dan de andere kinderen juicht het in haar. Ze hoeft haar baby niet af te staan aan de wilde dieren. Ze mag hem voeden. Ze mag hem zien opgroeien. Wanneer Zen haar tepel vindt en begint te drinken barst haar hart van vreugde haast uit elkaar. Ze is moeder.


70. Het kind wat niet mocht zijn

Urgh bekijkt het tafereeltje even en loopt dan naar Gaya en haar, nee, hun dochter. Voorzichtig gaat hij naast zijn vuurpartner zitten, ziet haar vermoeide gezicht, haar glanzende ogen. Hij weet niets te zeggen, kan alleen maar naar zijn vuurpartner en het kleine meisje in haar armen kijken. Ondanks de vier pasgeboren baby’s is het stil in de hut. Dan wordt de huid bij de ingang opzij geschoven en komen de laatste grotbewoners binnen om de baby’s te begroeten. Ondanks het feit dat hij volledig achter zijn beslissing om Zen te laten leven staat vreest hij toch dat dit besluit dat wederom tegen alle tradities ingaat een tweedeling binnen de kleine gemeenschap gaat veroorzaken.

De kinderen worden bewonderd, de ouders gefeliciteerd en niemand schijnt te beseffen dat de kleine Zen een eeuwig kind baby is. Niemand van de hutbewoners lijkt genegen er iets over te zeggen en zelfs de zeer traditioneel ingestelde Yeti die bij de geboorte geassisteerd heeft houdt haar mond. Of wacht zij op het juiste moment? Maar wat is het juiste moment? Dan neemt Nana het woord. ‘Beste grotbewoners’, begint zij, ‘Ik wil jullie verzoeken om terug te gaan naar de grotten. De moeders en kinderen moeten rusten. Vooral Ani heeft veel bloed verloren. Zodra zij ver genoeg is opgeknapt zullen de kinderen aan de voorouders voorgesteld worden en is het tijd voor het feestmaal’.

Gedwee vertrekken de grotbewoners. Alleen Pon, Yeti en Nana blijven achter. ‘Mannen, dat verzoek geldt ook voor jullie’, zegt Nana dan. ‘Ik stel voor dat jullie nog een paar nachten in de hut van Urgh slapen. De vrouwen en kinderen blijven hier totdat iedereen wat aangesterkt is’. Het begint net weer te sneeuwen wanneer de vier kersverse vaders de hut van Azel verlaten. Krom zit bij het kleine kookvuur onder het afdak van Zan’s hut en roert in een kom. ‘Lusten jullie ook wat te eten?’, vraagt hij de vier mannen. ‘Ik ben geen goede kok maar volgens Flik is het eetaar’.

Vijf dagen later oordeelt Nana dat alle vrouwen, ook Ani, ver genoeg zijn opgeknapt om hun kindje voor te stellen aan de voorouders. Op verzoek van Urgh heeft Pew voorouderdrank gemaakt terwijl Nana, Yeti en Pon zich met het feestmaal bezig houden. Dankzij de inspanningen van de jagers en het slachten van een van de lammeren is er vers vlees in overvloed. Precies zoals het hoort wanneer kinderen voorgesteld worden aan de voorouders.

Wanneer de zon haar hoogtepunt bereikt is het zo ver. Er brandt een groot vuur op de weide. De Grotbewoners zitten er allemaal om heen. De nieuwbakken moeders zitten met een kind op een arm naast Urgh, twee aan elke kant. Pew biedt Urgh de kom met voorouderdrank aan en Urgh neemt een kleine slok. Langzaam loopt Pew alle grotbewoners langs zodat iedereen een slok kan nemen. Als laatste neemt zij zelf een slok en gaat dan achter Urgh staan. Het duurt even voordat de voorouders verschijnen. Nana neemt de kleine Run van Marg aan en geeft hem aan Urgh. ‘Voorzichtig houdt de voormalig jager het kind van zijn zoogbroeder omhoog zodat de voorouders de kleine jongen goed kunnen zien. ‘Zie hier, Run, zoon van Marg en Elm. De  lange blonde man, voorouder van zowel Elm als Urgh, en Ergh, Elm’s vader, buigen zich voorover en bestuderen het kind in Urgh’s handen. ‘Welkom Run’, zegt de lange blonde man uiteindelijk, terwijl hij met een beroete wijsvinger een verticale streep over de neus en kin van de kleine jongen trekt, ‘Welkom op deze wereld. Ik voorspel dat jij een groot en behendig jager wordt, en een bottenzetter, net als de man die jou nu vast heeft’.

De woorden van de voorouder worden met gejuich ontvangen. De lange blonde man en Ergh doen een stap achteruit terwijl Urgh de kleine Run aan Pew geeft. Dan reikt Nana hem Teem aan en is het diens beurt om aan de voorouders voorgesteld te worden. Dit keer stappen de vaders van Azel en Yali naar voren. Beide mannen bestuderen de baby in de handen van de voormalig jager. Het is Otak, vader van Azel die met zijn wijsvinger een horizontale streep van wang tot wang over het gezicht van Teem trekt. ‘Teem’, zegt hij met zachte stem, ‘Welkom op deze wereld. Jij hebt het in je om dorpswijze te worden. Maar eerst wordt je een groot jager en een kundig vakman. Luister goed naar je vader, leer van je dorpswijze en wie weet…’. Terwijl de beide mannen zich terugtrekken in het vuur kijkt Urgh naar de baby in zijn handen. “Welkom opvolger’, zegt hij zachtjes maar duidelijk hoorbaar voordat hij Teem onder luidt gejuich van de grotbewoners aan Pew geeft.

Dan reikt Nana hem zijn eigen dochter aan. Vol trotst houdt hij het kleine meisje omhoog. ‘Voorouders zie hier Klee, dochter van Gaya en mij. Bekijk haar goed, zodat jullie haar zullen herkennen als het nodig is’. Dit keer zijn het Kali en Onna die naar voren lopen en het kleine meisje met de rode haren strak aankijken. Even kijken de beide medicijnvrouwen verbaasd wanneer zij zien wat de toekomst voor Klee in petto heeft. ‘Welkom Klee’, zeggen beide vrouwen tegelijkertijd. Dan trekt Onna met haar wijsvinger een streep van voorhoofd naar kin. ‘Welkom op deze wereld’, zegt zij. ‘Hoewel jij afstamt van een lange lijn van medicijnvrouwen zal jij geen medicijnvrouw worden maar een groot jager. Misschien wel de beste die dit dorp ooit heeft gezien’.  Beide vrouwen drukken een kus op het voorhoofd van hun kleindochter en trekken zich in het vuur terug. Urgh bekijkt zijn dochter verbaasd alvorens haar aan Pew te geven. De grotbewoners zijn stil, weten niet goed hoe te reageren op dit bericht. Een meisje wat de grootste jager ooit wordt. Het moet niet gekker worden.

De grotbewoners zijn nog niet over hun verbazing heen wanneer Nana Zen aanreikt. Urgh neemt de jongen voorzichtig aan, ziet  nu nog duidelijk dan op de dag van zijn geboorte de tekenen van zijn eeuwig kind zijn. Voorzichtig houdt hij Zen omhoog. ‘Voorouders, aanschouw Zen, eeuwig kind en zoon van Ani en Zan. Bekijk hem goed zodat jullie hem zullen herkennen mocht het nodig zijn’. Waren de grotbewoners al stil gevallen na het horen van de toekomst van Klee, nu kon je een benen naald horen vallen. Dan ontstaat er tumult bij de voorouders. Ergh en Murw willen zich naar voren dringen om hun zegje te doen maar de lange blonde man houdt hen tegen. Het zijn Yoti en de de moeder van Ani die naar voren komen. Vol liefde kijken zij naar de baby in Urgh’s handen. Het is Yoti die het woord neemt. ‘Welkom Zen, welkom op deze wereld eeuwig kind. Er is geen symbool om te duiden wat jij gaat worden. Wat jij al bent. Schenker van vreugde. Bewijs van liefde. Resultaat van wijsheid. Hoewel jij niet oud zult worden, anders zult zijn dan de anderen, zal het hele dorp treuren wanneer het jouw tijd is om naar de voorouders te gaan’. Beide vrouwen buigen zich voorover om de baby een kus op het voorhoofd te geven en trekken zich dan terug in het vuur. Hun plaats wordt ingenomen door de ene na de andere vrouw. Als laatste stapt Onna uit het vuur. Nadat ook zij de baby welkom heeft geheten drukt zij een kus op het voorhoofd van haar zoon. ‘Dank je Urgh, dat jij de vrouwen van dit dorp de kans geeft het kind wat niet mocht zijn te zien opgroeien’. Dan trekt ook Onna zich terug in het vuur en verdwijnen de voorouders in de vlammen.

Even is het stil rond het vuur en dan beginnen de vrouwen te juichen. Zelfs Nana juicht mee om het kind wat niet mocht zijn. Met een warm gevoel in zijn hart drukt ook Urgh een kus op het voorhoofd van het eeuwig kind in zijn handen en geeft het kind dan aan Pew.  De voorouders hebben hem zijn beslissing vergeven. Het feestmaal kan beginnen!



71. Het leven gaat verder

De weide is nog steeds verborgen onder een dik pak sneeuw wanneer de lente zonnewende een feit is. Ondanks de sneeuw en de kou verzamelen de dorpsbewoners zich rondom het vuur op de weide om de komst van de lente te vieren. De stemming onder de bewoners is goed. Er is, ondanks de tijd van het jaar, voldoende te eten waardoor niet alleen de volwassenen het goed maken maar ook de kinderen goed gedijen. Zowel Schaap als de overgebleven vier ooien zijn drachtig. Bijgestaan in raad en wat minder in daad door Azel is Elm druk doende om om de stal naast hun hut uit te breiden en een deel van de weide te voorzien van een afrastering om te voorkomen dat de nieuw te verwachten lammeren gaan dwalen. Azel zelf is samen met Oz druk doende met het verzamelen van materialen om nog twee hutten te kunnen bouwen zodat voor de volgende winter iedereen op de weide woont en Urgh werkt gestaag verder aan zijn ‘drijvende boomstam’.

Na in eerste instantie te zijn begonnen met het uithollen van de boomstam herinnerde hij zich een paar dagen na de geboorte van Klee de les in het maken van kommen die Azel aan Elm en hem gegeven heeft. ‘Je begint altijd aan de onderkant’, waren de wijze woorden van Azel.  Met de hulp van Elm en Azel keert Urgh de boomstam om en begint met het gladmaken van de onderkant. Het is langzaam en zwaar werk. Werk waar niet alle bewoners van grot en weide het nut van inzien maar aangezien de manden met aanmaakhoutjes altijd vol zijn zegt niemand er wat van.

Een volle maan na de lente zonnewende wordt het dan  eindelijk echt lente. Onder invloed van de zon verdwijnt de sneeuw in een rap tempo en begint de natuur aan een inhaalslag. Bomen en struiken lopen uit en laten al snel hun prachtige bloesems zien. Nestelende vogels kwetteren dat het een lieve lust is, lammeren worden geboren. De eerste aarde wordt gebroken en het zaaigoed gaat de grond in. De jagers maken gebruik van het mooie weer om verder weg te gaan jagen, blijven telkens een aantal nachten weg en komen beladen met buit terug.

De zomer zonnewende nadert. De kleine Mus kletst iedereen de oren van het hoofd, de tweeling zet hun eerste stapjes. De afrastering van de weide blijkt niet alleen handig om de lammeren in de buurt te houden maar ook Mus en de tweeling. Azel, Elm en Oz zijn druk bezig met het bouwen van hut nummer vier en vijf. Het is de bedoeling dat rond de viering van de herfst zonnewende iedereen de grotten verlaten heeft. Maar zo ver is het nog niet. Eerst moet de zomer zonnewende nog gevierd worden.

Aan het eind van een warme zomerdag legt Urgh zijn bijl aan de kant en pakt zijn krukken en loopt een paar passen bij zijn drijfboom vandaan om zijn werk in ogenschouw te nemen. Hij kijkt naar de botte achterkant, de iets spitse voorkant, de gladde binnenkant ‘Volgens mij is hij klaar en kan je hem proberen’, hoort hij Azel achter hem zeggen. ‘Ik weet het niet’, zegt hij aarzelend. ‘Eigenlijk weet ik niet of dit wel een goed idee is’, voegt hij er aan toe. Azel grinnikt even. ‘Dat weet je pas wanneer je hem probeert jongen’, is zijn antwoord. Urgh kijkt nog steeds bedenkelijk maar krijgt geen kans meer om iets te zeggen. Ineens staan Elm, Tork, Flik en Frag naast de drijfboom en met vereende krachten wordt zijn werkstuk over de weide via het pad naar het strand versleept. Langzaam loopt hij achter de mannen en de drijfboom aan. Hij is niet de enigste ziet hij. Het hele dorp is uitgelopen om te zien of de ‘vinding’ van hun dorpswijze werkt.

De mannen schuiven de drijfboom een stuk het water in. Alleen de botte achterkant ligt nog op het strand. ‘Stap in Urgh, stap in’, zegt Azel en gedwee gaat Urgh op de rand van de drijfboom zitten, laat zijn krukken los en schuift de boom in. Zijn hart klopt in zijn keel wanneer de mannen de drijfboom een laatste duwtje geven zodat zij helemaal op het water ligt. Langzaam deint de uitgeholde boomstam op het water op en neer maar zinkt niet. Zijn dorpsgenoten beginnen te juichen bij het zien van de boomstam die langzaam de rivier op drijft. Opgelucht haalt Urgh adem. Zijn idee werkt! Snel steekt hij zijn handen in het water en probeert de boom tegen de stroming in te sturen. Dat lukt maar matig en hij is blij wanneer de overige mannen de drijfboom terug naar de wal duwen. Voorzichtig gaat Urgh weer op de rand van de boot zitten en pakt zijn krukken die Elm hem toesteekt aan. ‘Ik moet iets bedenken om te sturen’, zegt hij met een brede grijns op zijn gezicht, ‘En iets om te peddelen. Mijn handen zijn te klein. Maar het werkt. Het werkt!’

Hij grijnst nog steeds wanneer hij met een kom eten bij het kookvuur zit. Zijn vinding werkt. En hoewel hij niet weet waar dit toe leidt vermoedt hij wel dat deze vinding goed is voor het dorp.


72. De kleine Zen

Ruim vier jaar zijn er verstreken sinds de bouw van de eerste hutten, de geboortegolf en Urgh’s eerste korte uitstapje met een drijfboot. Urgh’s dorp is klein maar welvarend. De bewoners zijn weldoorvoed en tevreden. Er staan nu zes hutten op de weide, op het strand liggen acht drijfboten. Drie zomers geleden zijn Zoe en Krap vuurpartners geworden en is Moos, zoon van Tas en Flik geboren. Twee zomers geleden hebben Pew en Krom nog een derde kindje, een dochtertje genaamd Jool, gekregen en werd bij Marg en Elm nog een jongetje, genaamd Mel, geboren. Alle kinderen verkeren in goede gezondheid, net als hun ouders.

Op een warme dag, halverwege de zomerzonnewende en de herfstwende, staan Oz en Urgh, omringd door de kinderen van het dorp, op de kleine weide die dienst doet als oefenweide voor het slinger werpen. De stenen van Mus en Storm raken het doel bijna elke keer. Vol trots ziet Urgh hoe de stenen van zijn dochter Klee, net als die van Luna, vaker wel dan niet het doel raken. Ook Run en Teem beginnen de techniek van het slinger werpen door te krijgen. Dan is het de buurt aan eeuwig kind Zen. Zoals gewoonlijk vliegen de stenen alle kanten op. Geen enkele steen raakt het beoogde doel. Het deert Zen niet. Hij joelt en lacht na elke steen die zijn slinger verlaat. De andere kinderen joelen moedigen hem aan. Klappen net als Zen voor elke boom die per ongeluk wordt geraakt. Voor elke vogel die uit het struikgewas opvliegt omdat een steen die kant opvliegt. Voor elke keer dat Oz of een van hen opzij moet springen om niet geraakt te worden door een steen. Dan ligt er nog slechts een steen op Zen te wachten. Hij neemt de steen in zijn hand en kijkt Urgh verwachtingsvol aan. De voormalig jager laat zich lachend door de knieën zakken en gaat achter de jongen zitten, met zijn hand om de slingerhand van de jongen. Voorzichtig draait hij de jongen een klein beetje zodat hij goed voor het doel staat. Zen legt de steen in de slinger en samen draaien ze de slinger een aantal rond tot dat het moment daar is om de steen te laten gaan. ‘Nu’, zegt Urgh zachtjes en door een klein beetje druk op de hand van Zen uit te oefenen zwiert deze de steen uit de slinger. Voor het eerst sinds hij met de slinger oefent raakt zijn steen het doel. Blij danst de kleine jongen in het rond, verliest zijn evenwicht en valt. ‘Sten rak! Sten rak!’ roept hij trots naar de andere kinderen die net zo uitgelaten als Zen dansen en lachen.

Zen’s laatste steen wordt gevolgd door het zoeken en terugleggen van de stenen in de mand bij de oefenweide. Met een kreun hijst Oz de mand op zijn rug. ‘Oz wordt oud’, denkt Urgh. Deze gedachten wordt gevolgd door het besef dat Oz niet oud wordt maar oud is. Net als Nana. In ganzenpas lopen de twee mannen en de zeven kinderen naar huis. Het tempo ligt laag. Zen loopt nog wankel en valt vaak. Het is Mus die hem telkens weer met eindeloos geduld opraapt. Bij de grote weide aangekomen vindt Zen het wel welletjes geweest. Hij laat zich op de grond vallen en kruipt/schuifelt zo snel hij kan richting het grote vuur, richting zijn moeder. ‘Mom mom!’, roept hij, ‘Sten rak, sten rak!’ ‘Mama is trots op je Zen’, zegt zij. Zen kruipt bij zijn moeder op schoot, kijkt haar stralend aan en zegt: ‘Jurg helpt bitje’. Ani geeft haar zoon een stevig knuffel en werpt de dorpswijze een dankbare blik toe. Urgh grinnikt een beetje verlegen terug en neemt plaats bij het vuur.

Zoals gewoonlijk zijn Oz, Urgh en de kinderen als eerste terug bij het vuur waar Ani, Nana, Rin en Pon bezig zijn met het bereiden van het avondeten en het drogen en verwerken van de vangst van gisteren. Azel en Yali zitten beide nog onder het afdak bij hun hut. Beide leggen de laatste hand aan een kom. Urgh maakt het zich met zijn rug tegen een boomstam gemakkelijk. Rin brengt hem een kom kruidenthee. Tevreden kijkt hij om zich heen. Naar de werkende mensen, de spelende kinderen. In de verte ziet hij twee drijfbomen aankomen. In de ene zitten Flik, Tas en Moos, in de andere Krap en Zoe. Net voordat ze door de bomen en een stuk van de helling aan het oog worden onttrokken ziet Urgh Tas en Moos zwaaien. Loom zwaait hij terug. Een zacht geblaat uit de verte kondigt de komst van Elm, Marg, de medicijnvrouwen en de schapen aan. En Kleintje natuurlijk. Pas als alle schapen veilig in de kraal staan neemt Kleintje de tijd om eerst Urgh en dan Klee en Zen te begroeten. Zijn grootste en natste lik is als altijd voor Zen die vrolijk terug likt. De vijf mensen die er met de drijfbomen op uit zijn geweest lopen de weide al op wanneer een schel gefluit de komst van de jagers aankondigt. Meteen laat Zen de hals van de wolf los en begeeft zich zo snel hij kan richting het pad om zijn vader en de andere jagers te begroeten. ‘En sten rak!’, jubelt hij terwijl hij zich vastklemt aan het been van zijn vader die ondanks het extra gewicht aan zijn been rustig doorloopt. ‘Zo zo’, zegt hij tegen zijn zoon. ‘Raak gegooid. Dan is Zen nu een echte jager’. Verrukt laat de jongen zijn vaders been los. ‘En nu jagr’, zegt hij met een brede lach op zijn gezicht. ‘En nu jagr’.  Zen’s oog valt op Urgh die het tafereeltje lachend bekijkt en zijn gezicht betrekt. ‘Jurg bitje helpt’, zegt hij dan waarheidsgetrouw. ‘En nit jagr’. De tranen springen hem in de ogen en hij laat zijn vaders been los. Op dat moment is het Elm die de jachtbuit van Zan overneemt zodat Zan zich over zijn zoon kan ontfermen. Hij tilt de jongen op, kijkt hem recht aan en zegt serieus: ‘Zen, als geholpen worden door Urgh betekent dat jij geen jager bent, dan zijn wij geen van allen jagers. Jagers helpen elkaar. Dat is deel van het jager-zijn. Zen is een echte jager’. Met voldoening ziet Zan hoe het gezichtje van zijn zoon weer opklaart. De kleine jongen heeft zijn armen nog steeds stevig om de nek van zijn vader geslagen wanneer deze naast Urgh plaats neemt. Niet voor de eerste maar zeker niet voor de  laatste keer is hij zijn zorgzoon dankbaar voor het feit dat hij dit kind, zijn kind, liet leven. Is hij de mede weidebewoners dankbaar voor alle hulp die zij Ani en hem bieden om het leven van hen beide en de kleine Zen zo aangenaam mogelijk te maken. Dan maakt Zen zich los uit de greep van zijn vader en waggelt richting de andere kinderen. Klaar om mee te spelen. Klaar om te lachen, te schatteren, te vallen en weer op te staan.


73. Hun reis zit er op

De zomer gaat over in de herfst. Warme dagen worden afgewisseld met dagen vol regen en wind. De bladeren aan de bomen verkleuren van groen naar geel, oranje, rood en bruin. De dagen korten, de nachten lengen. Het wordt natter en kouder. Het grote vuur op de weide dooft. Het is vaak te nat om daar te koken of te eten. Het kookvuur onder het vergrootte afdak voor de hut van Urgh wordt ontstoken. Met een beetje schikken is daar net ruimte genoeg om met z’n allen te eten. De herfstwende wordt daar gevierd. De voedselputten beneden in de grotten zitten boordevol eten. De jagers en voedselverzamelaars besteden meer en meer tijd aan het sprokkelen en kappen van brandhout. Zoals zo vaak wanneer de winter bijna voor de deur staat klaart het weer nog even op. Regen en wind verdwijnen en de laaghangende najaarszon verwarmt mens en dier op de weide.

Tak, Yeti, hun beide zoons Flik en Krap en Krap’s vuurpartner Zoe maken van de gelegenheid gebruik om nog eenmaal een paar daagse tocht met de drijfbomen te gaan maken. Tas en de kleine Moos die een beetje snotterig is blijven in het dorp achter.  Op verzoek van de kleintjes gaat Urgh nog een keer met hen naar de oefenweide. Stijf en stram staat Oz op om mee te gaan. Ondanks de pijnstillende drankjes die Nana voor hem maakt heeft de oude man veel pijn aan zijn botten. ‘Blijf lekker bij het vuur zitten Oz’, zegt Tas. ‘Ik ga vandaag met Urgh en de kleintjes mee naar de oefenweide’. Dankbaar gaat de oude man weer zitten. Nana, die naast hem zit, trekt de warme huid van een holenleeuw weer stevig rond zijn oude lijf. Na Urgh, Tas en de kleintjes vertrekken ook de andere weidebewoners en al snel zitten alleen Oz en Nana nog bij het vuur. Er trekt een pijnscheut door het uitgemergelde lijf van de oude man die maakt dat hij even compleet verstijfd. ‘Is het tijd?’, vraagt Nana zachtjes. ‘ja’, zegt de oude man, ‘Het is tijd’. Nana kijkt hem aan. Tranen springen in haar ogen. ‘Weet je het zeker?’, wil zij weten. Een volgende pijnscheut ontneemt de oude man zijn adem. ‘Je weet het zeker!’, zegt zij dan. Zij staat op, pakt een kleine kom waar zij een bodempje water in doet en zet de kom naast het vuur. Dan maakt zij een kleine buidel los van haar riem en kiept de volledige inhoud van de buidel in de kom. De gedroogde rode bessen zuigen zich vol met vocht. Met een steen plet zij bes en pit, net zo lang tot er slechts een rode brij in de kom zit. Zij reikt haar vuurpartner de kom aan. Dankbaar zet hij de kom aan zijn lippen en neemt een slok, nog een en nog een. Wanneer hij ongeveer de helft op heeft pakt Nana de kom uit zijn handen. Zij gooit nog wat takken en houtsnippers op het vuur en rakelt het wat op. Als in een trance verzonken drinkt zij de rest van de brij op. ‘Nana’, zegt har vuurpartner, ‘Wat doe je nou?’. Met een glimlach gooit zij de nu lege kom op het vuur, kruipt dicht tegen haar vuurpartner aan en slaat de huid om hen beide heen. ‘Ik ga met je mee naar de voorouders’, antwoord zij zachtjes. ‘Zodat we voor altijd samen kunnen zijn’. Met de armen om elkaar heen geslagen kijken zij uit over de weide en de rivier er achter. Woorden zijn niet meer nodig. De beide oudjes laten elkaar zelfs niet los wanneer de door het gif opgeroepen spasmen door hun lichaam trekken. De spasmen worden al snel gevolgd door bewustzijnsverlies.

Het zijn Rin, Ani, Gaya en Pew die hen een paar uur later vinden. De genadige dood heeft dan al zijn intrede gedaan. Tranen lopen over haar wangen. Met een liefdevol gebaar sluit Gaya de ogen van beide overledenen. Ondanks al haar nukken is de oude vrouw haar dierbaar. Om alles wat zij voor haar, Gaya, heeft gedaan. Voor het opvoeden van Urgh. Urgh! Natuurlijk, Urgh moet dit weten. En Tas en Elm ook. Met een resoluut gebaar veegt Gaya haar tranen weg en kijkt haar metgezellen aan. ‘Urgh moet dit weten’, zegt zij. ‘Hij moet zo snel mogelijk hier naar toe komen zodat hij hun geest, mocht dat nodig zijn, naar de voorouders kan vergezellen. Rin, wil jij Urgh, Tas en de kleintjes gaan halen? En jij Pew, wil jij Elm en Marg gaan zoeken? Dan kan Ani beginnen met koken en kan ik het kruidenmengsel, benodigd voor de lijkverbranding, bij elkaar zoeken’.

Die avond wordt er in stilte gegeten. Iedereen is in gedachten bij de twee oudste mensen die zij ooit hebben gekend. Bij de eerste twee doden van de hutten. De stilte wordt verbroken door Urgh. ‘Ze zijn bij de voorouders aangekomen’, zegt hij rustig, ‘Hun reis zit er op. Oz en Nana zijn herenigd met iedereen die zij al zo lang hebben moeten missen’. De lange man wendt zijn ogen van het vuur af om het contact met de voorouders te verbreken. ‘Elm’, vraagt hij zijn zoogbroeder, ‘Zou jij het nagedachtenisvuur willen ontsteken?’. Elm knikt, pakt een speciaal geprepareerde fakkel en zodra deze brand loopt hij naar de kleine vuurstapel die aan het begin van de weide, net boven de grotten, is gemaakt. Met een laatste blik op zijn moeder en haar vuurpartner steekt hij het vuur aan en blijft even kijken hoe de vlammen om zich heen grijpen. Dan keert hij terug naar het vuur onder het afdak bij Urgh’s hut en begint met het delen van de eerste herinnering. Na Elm neemt de ene na de andere spreker het woord. Verbazingwekkende, ijzingwekkende, spannende, ontroerende maar ook vele komische herinneringen worden gedeeld. De stilte wordt doorbroken door bewonderde kreten en regelmatige lachsalvo’s.

Veel later dan normaal in de herfst zoeken de dorpelingen hun bed op. Elm, Urgh en Tas zijn de laatste drie die bij het vuur overblijven. Voor het eerst zien Elm en Tas net als Urgh zonder voorouder-drank te hebben genomen de mensen in het vuur. Horen de stem van Nana die zegt ‘Bedankt voor de mooie herinneringen. Die gaan ons nog lang levend houden’. Langzaam gaan de twee mensen in het vuur, net als hun lichamen in het andere vuur, in rook op. De drie mensen bij het vuur staan op, klaar om naar bed te gaan. Dan horen zij van ergens ver weg de stem van Oz. ‘En toch is het jammer dat niemand van die jonkies zich het verhaal van de twee wilde zwijnen, de wolf en de jonge Oz kan herinneren… Dat was pas een avontuur’. Zijn woorden worden gevolgd door een steeds zachter klinkend lachsalvo. Een lachsalvo die duidelijk maakte dat die jonkies echt wat gemist hadden.


74. Waar blijven Tak en de anderen?

De eerste dagen na de overgang van Nana en Oz naar de wereld van de voorouders voelen onwennig voor de overige hutbewoners. Met uitzondering van Gaya, die in een ander dorp geboren is, hebben de hutbewoners geen enkele herinnering aan een leven zonder Nana en Oz. Vooral Zan heeft het moeilijk. Ineens is hij de oudste inwoner van het dorp. Dat idee maakt dat hij ineens na gaat denken over zijn eigen sterfelijkheid en de toekomst van zijn vuurpartner Ani en hun zoontje, het eeuwige kind, Zen.

Urgh heeft heel wat anders aan zijn hoofd. De verdeling van de bewoners over de zes hutten is niet evenwichtig en nu Nana en Oz er niet meer zijn is het een natuurlijk moment om de hutindeling aan te passen. Zeker omdat het nog steeds mooi weer is en er heel wat spullen van de ene naar de andere hut versleept moet worden. Na twee dagen de voors en tegens tegen elkaar afgewogen te hebben is hij er uit. Alleen, Tak en zijn vuurpartner en hun kinderen zijn nog steeds niet terug van hun tocht met de drijfboom. Stel dat hij de wijzigingen nu doorvoert en de vijf mensen komen niet terug dan moet hij de indeling weer aanpassen omdat er dan een hut leeg staat.

Een week na het vertrek van Tak en de anderen voelt Urgh ‘s-morgens de koude in de wind. Hij weet dat er een weeromslag aan zit te komen. Hij kan en mag de verhuizing niet langer uitstellen. Die ochtend roept hij de hutbewoners bij elkaar en legt zijn plannen aan hen voor. De bewoners zien het nut van de herindeling van de hutten wel in en al snel is iedereen die een andere hut toebedeeld heeft gekregen druk bezig met inpakken en verhuizen.

Geholpen door Gaya en Pon pakt Tas de spullen van Flik, Moos en haar in om haar intrek te doen in de hut van haar vader. Hun plaats in de hut van Urgh wordt ingenomen door Azel, Yali en Teem waardoor Elm, Marg, Run en Mel hun woonstee alleen nog delen met de schapen. Krom, Pew en de kinderen verhuizen naar de hut van Oz en Nana en Rin, die de laatste jaren voor Oz en Nana heeft gezorgd trekt bij Zan en Ani zodat zij Ani kan helpen met de verzorging van Zen. De enigste hut die buiten de wijzigingen blijft is die van Tak. Hoewel die hut momenteel slechts vier bewoners heeft is de kans groot dat Krap en Zoe daar binnen niet afzienbare tijd verandering in gaan brengen. ‘Als ze terugkomen van hun tocht met de drijfboom’, denkt Urgh maar spreekt deze gedachten niet uit angst dat zijn gedachten daarmee waarheid worden.

Aan het eind van de middag drijft de wind groen-grijze wolken tot boven het huttendorp. Ineens valt het water met bakken uit de hemel. Het lijkt of enorme handen hun best doen om de hutten een voor een uit elkaar te trekken. Het water slaat aan alle kanten onder de huiden door naar binnen.  In het donker zitten de bewoners van de hutten dicht tegen elkaar aan te wachten tot het noodweer stopt voordat het dak boven hun hoofd wegwaait. De ervaring leert dat noodweer wat zo snel komt ook weer snel vertrekt. Het is Azel die de woorden uitspreekt die Urgh slechts durft te denken. ‘Als ze nu op het water zitten overleven Tak en de anderen het niet’.

Zoals verwacht en gehoopt gaat het noodweer al snel over in een normale storm. Ondanks  de nog hevige regen inspecteren Urgh, Azel en Elm gewapend met fakkels bij het krieken van de dag de hutten om de schade op te nemen. Omdat de wind vanaf de landzijde hun dorp heeft getroffen, aan de kant waar de hutten ingegraven zijn in een aarde wal heeft geen van de hutten onherstelbare schade opgelopen. Wel zijn de afdaken van de hutten van Urgh en Elm grotendeels verwoest en is het vuur van Nana en Oz van de rand van de weide verdwenen. Beneden op het strand liggen nog wat verbrandde takken maar dat is alles wat rest van hun herinneringsvuur.

Als door een wonder zijn drie van de vier de drijfbomen de omgekeerd op het strand lagen nog heel. Nummer vier wellicht ook nog maar deze is verdwenen. Het noodweer was zo heftig dat het stroompje wat achter door de grotten loopt aangezwollen is tot een flinke beek waardoor de drie onderste grotten onder water staan. Urgh dankt Gaya voor haar vooruitziende blik. Dankzij haar zijn de voedselvoorraden niet langer opgeborgen in putten in de vloer van de middelste grot maar in de hoger gelegen  nissen van de kleinste grot die het dichts bij de weide ligt.

Halverwege de middag gaat de wind liggen en wordt het eindelijk droog. De herstelwerkzaamheden aan de hutten zijn dan al voltooid. Alleen de afgerukte afdaken moeten nog vervangen worden. Het afdak voor de hut van Zan staat nog. Het kookvuur wordt ontstoken en Ani begint, geholpen door Gaya, Pew en Yali, met het eten terwijl de rest van de bewoners dicht tegen elkaar aan gekropen rondom het vuur zitten. Het onderwerp van gesprek is het lot van de vijf afwezigen. ‘Die leven nog’, beweert Zan heel stellig en verraadt daarna met welke gedachten hij al een week speelt. ‘Tenslotte ben ik de oudste bewoner van het dorp, dus zal ik als eerste gaan’. Stomverbaasd kijken de overige hutbewoners de normaal zo helder denkende jager aan. ‘Euhh’, zegt Tork, ‘Als het zo zou werken, hoe kan het dan dat wij nog in leven zijn terwijl Onna en Joli al zo lang dood zijn’. Zan haalt hulpeloos zijn schouders op. ‘Ik weet het niet Tork, maar zo voel ik het’. Hoofdschuddend kijken de andere bewoners Zan aan maar er valt niet te praten met hem. Het is Tas die de aandacht van Zan afleidt. ‘Urgh’, vraagt zij met tranen in haar stem, ‘Zou jij… zou jij… zou jij in het vuur willen kijken om te zien of Tak en de anderen bij de voorouders zijn?’.

Het wordt stil rond het vuur. Alle ogen zijn op Urgh gericht. Voor hij iets kan zeggen steekt Zen een vingertje op en zegt, met zijn andere handje rondom zijn oor: ‘Oor oor! Fik Fuit. Dijboo spat’. Het wordt bij het vuur zo mogelijk nog stiller dan het al was. Alleen het knetteren van het vuur is nog hoorbar. ‘Volgens mij heeft hij gelijk’, zegt Tork, ‘Dat is een mens die fluit.’ Alsof hij Tork’s woorden kracht bij wil zetten begint Kleintje te janken. Het fluiten klinkt harder, scheller. Dan stopt het geluid abrupt. ‘Snel’ zegt Urgh, ‘Tork, Zan, Krom, Azel, Elm, ga onze vrienden helpen. Ani, por het vuur op. Gaya, maak een verwarmende kruidenthee en Tas, ga droge huiden en kleren halen… Dat zullen ze nodig hebben’.
Voor hij zelf op kan staan om met de mannen mee naar beneden te lopen wordt hem van drie kanten tegelijkertijd een kind in de armen geduwd. Een betere manier om hun dorpswijze te beletten om over de door het vele water spekglad geworden weide te gaan lopen om zelf mee te helpen met een mogelijke reddingsactie is er niet. Er zit voor Urgh niets anders op dan gezeten bij het vuur te wachten op nieuws over hoe het met de vijf hutbewoners gaat.


75. Een wolf, twee wilde zwijnen en de jonge Oz

Niet alleen de mannen zijn naar het strand gelopen, ook een aantal van de vrouwen. Het is Marg die als eerste terug de weide op komt. Snel loopt zij naar de mensen bij het vuur. ‘Ze zijn alle vijf gewond maar leven nog. De mannen duwen de drijfboom via het pad omhoog, zodat de Tak en zijn familie de drijfboom niet uit hoeven’. Na iets wat een eeuwigheid lijkt te duren ziet Urgh de punt van de drijfboom verschijnen. Eenmaal op de weide wordt de drijfboom met hoge snelheid naar het vuur geduwd.

De eerste aanblik van de vijf mensen in de drijfboom is geen leuke. Overal zit bloed en zowel Flik als Krap lijken botbreuken te hebben. De eerste die uit de boot getild wordt is Tak, de oude jager. Hij heeft een flinke hoofdwond maar aan zijn gecommandeer te horen is hij verder in orde. ‘Kijk eerst naar de jongens’, zegt hij tegen de twee medicijnvrouwen, ‘En naar Zoe. Zonder dat meisje waren wij nu allemaal dood geweest’. Zoe schudt haar hoofd. ‘Ik heb wat schrammen’, zegt zij, ‘En ik ben moe van het hele stuk peddelen. Maar verder is er niets met mij aan de hand. Krap heeft een gebroken been, ik denk dat Flik een gebroken arm heeft en Yeti heeft klem gezeten onder een boom en heeft veel pijn’.

Geholpen door Ani, Yali en Marg gaan Pew en Gaya aan de slag. Het is Urgh die het been van Krap zet, net als de arm van Flik. Ondanks dat er een boom op haar is gevallen heeft Yeti niets gebroken al heeft zij wel een gekneusde schouder. Tak’s hoofdwond is groot en diep en zit vol vuil maar na een goed uur zitten de vijf mensen warm aangekleed, verbonden en wel, met een kom eten in hun hand bij het vuur. De overige hutbewoners barsten bijna uit elkaar van nieuwsgierigheid maar Urgh gebaart hen te wachten met vragen stellen totdat de vijf hun maag vol hebben.

‘Met de wind in de rug’, begint Flik na een tijdje te vertellen, ‘Peddelde we in hoog tempo stroomafwaarts. Halverwege de middag waren we al ter hoogte van onze normale kampplaats maar omdat het weer zo lekker was peddelde we nog een paar uur verder. Tegen de avond kwamen we bij een kleine inham in de rivier aan en daar maakt we ons kamp. Het barste er van het wild en aan de struiken en bomen hing heerlijk fruit. We aten onze buik vol en gingen slapen. Wat we de volgende dag hadden moeten doen was terugkeren. Omdat we stroomafwaarts waren gegaan wisten we dat we er meer dan een dag over zouden doen om terug te keren. Maar al het wild en het fruit was zo heerlijk dat we wilde kijken of er nog meer van dit soort inhammen waren zodat we volgend jaar extra voedselzoekfplekken zouden hebben. We waren een paar uur onderweg toen we een vreemd geluid hoorde. Het leek op het gekletter van water.  Zoe peddelde de boot waar zij en Yeti in zaten dicht naar de waterkant en raakte daardoor wat achter maar wij bleven een stuk van de oever af varen. Ineens werd de stroming veel sterker en zagen we allemaal rotsblokken voor ons en daarachter niets. Geen rivier, geen rotsen, niets. In een grote vaart schoten wij tussen de rotsblokken door en gillend vielen wij gedragen door het water naar beneden’.

‘Toen ik de mannen zag verdwijnen’, vervolgt Yeti het verhaal, ‘Wilde ik meteen achter hen aanvaren maar Zoe vond dat geen goed idee dus peddelde wij onze drijfboom naar de oever en trokken haar het strand op. Zoe pakte haar wapens en haar mand en samen liepen we over de oever naar de plek waar de mannen waren verdwenen. Daar zagen wij een muur van water zo hoog als een boom en beneden, na eend am van rotsblokken, ging de rivier wild en onstuimig verder. We zagen Flik die in een soort inham lag, Krap had zich een eind verderop aan een rotsblok vastgeklemd maar Tak en de drijfboom waren verdwenen. Voorzichtig liepen wij over de oever naar beneden waarbij Zoe een pad zocht wat niet te steil was. Eenmaal beneden liep Zoe het water in en trok Flik op de kant ter hoogte van het rotsblok waar Krap zich aan vasthield. Uit haar mand haalde Zoe een lang grastouw en bond een kant om haar middel. Flik en ik moesten de andere kant goed vast houden. Zoe liep het water in en worstelde zich van rotsblok naar rotsblok om Krap te redden. Terwijl ik daarna bij mijn jongens bleef liep Zoe verder langs de oever, op zoek naar Tak’.

‘Ik zat voorin de drijfboom toen we over de rand gingen’, zegt Tak. Daardoor werd ik er niet zoals de jongens, uit geslingerd.  De drijfboom landde half tussen de rotsblokken en brak in tweeën. Het achterste stuk werd meteen door het water gegrepen maar het voorste deel stuiterde richting de oever. Dat was mijn geluk want vlak bij de oever stroomt het water niet zo snel en zo kon ik mijzelf in veiligheid brengen. Ik stond net weer op mijn benen naast de kapotte drijfboom toen Zoe mij vond. Samen liepen we terug naar de andere’.

‘Het was Zoe’s idee om Flik en Krap in de kapotte drijfboom te leggen om hen zo tegen de heling omhoog te duwen omdat  Krap niet kon lopen en Flik zich nergens aan vast kon houden met zijn gebroken arm. Eenmaal terug bij de nog hele drijfboom hebben we daar een kamp gemaakt. We waren allemaal zo moe. De volgende morgen zijn we aan de terugreis begonnen maar het ging maar langzaam. De wind waaide nog steeds stroomafwaarts, de drijfboom was vol geladen en de mannen waren geen van drieën in staat om lang te peddelen en ik ben niet zo goed in peddelen zoals jullie wel weten’. Yeti doet er even het zwijgen toe. ‘Het kwam dus vooral op Zoe’s armen neer om ons thuis te krijgen’.

‘En toen kwam de storm’, zegt Zoe zachtjes. ‘Ik zag hem over land aankomen en we trokken ons terug in een kleine inham, een uurtje varen hier vandaan. Ik dacht dat het een goede plek was. Beschut door de bomen en zo. Tot die ene boom brak en bovenop Yeti viel. Samen met Tak heb ik haar er onder uit gehaald maar daarbij ging Tak’s hoofdwond weer bloeden. Het bleef maar regen en waaien en het werd zo koud, zo koud. Ik dacht dat we daar dood zouden gaan. Echt’. Rillend valt de jonge vrouw stil.

‘Vanmorgen ging die hevige storm liggen’, neemt Tak het woord, ‘En omdat we wisten dat we niet meer zo heel ver van de hutten verwijderd waren zijn we het water weer op gegaan in een poging thuis te komen. Dat is gelukt. Met dank aan Zoe en  een lamme dorpswijze die van mening is dat vrouwen net zo veel van jagen en overleven af moeten weten als mannen’.  Zijn laatste woorden worden met gejuich en geklap begroet en Zoe zit ondanks alles te stralen.  In een poging zijn verlegenheid om de woorden die hij net heeft uitgesproken wat te verdoezelen vraagt hij dan ‘En, is er hier nog iets gebeurt?’

Urgh verteld over de laatste reis van Oz en Nana. Zoals het hoort, zoals dat gaat, voegen de herinneringen van de vijf avonturiers zich bij de herinneringen van de overige hutbewoners. Als laatste is Yeti aan de beurt. ‘Het is geen eigen herinnering’, begint zij, ‘Maar een herinnering aan een herinnering. Aan een verhaal wat mijn vader mij ooit vertelde over een wolf, twee wilde zwijnen en de jonge Oz’. Het wordt zo stil rond het vuur dat alleen het geknetter van de vlammen nog hoorbaar is. Gretig kijken de bewoners Yeti aan. Nu gaan zij eindelijk het verhaal horen….


76. De jonge Oz

Yeti vertelt.

Lang geleden, in de tijd dat Oz jong was, werd een jongen geen jager op basis van zijn leeftijd maar op basis van zijn lengte. Chagrijnig kijkt Oz zijn speelkameraden Ink en Ergh na die, aan het eind van een extreem strenge winter, voor het eerst mee op jacht mogen. Na een paar dagen mokken neemt Oz een besluit: Hij zal het dorp laten zien dat ook jongens die klein van stuk zijn het in zich hebben om een groot jager te worden.  Die middag gaat hij aan de slag met het verzamelen van de spullen die hij mee wil nemen. Hij sluipt naar de grot waar de oefen-werpspiesen bewaard worden en neemt er twee mee naar de grot die hij met zijn moeder deelt. Daar legt hij de spiesen onder zijn slaaprol. Maar hij ‘regelt’ meer spullen zoals touw, een bijl, een extra mes en wat gedroogd vlees. Dit alles stopt hij in een kleine mand die hij makkelijk kan dragen.

De volgende morgen staat hij net voor de wisseling van de wacht op, kleedt zich warm aan en stopt zijn slaaprol in de mand bij zijn andere spullen. Hij pakt de werpspiesen vertrekt ongezien. Tenminste, dat denkt hij maar Orgh, de dorpswijze, ziet hem weg gaan.

Stevig loopt hij door en zorgt zo voor flink wat afstand tussen het dorp en hemzelf. Rond het middaguur komt hij op een plek aan waar de sporen in de sneeuw spreken van een recent bezoek van wilde zwijnen. Al snel is Oz in de weer met twee stokken, een stuk touw en een jonge, buigzame boom. Het is nog licht als zijn val klaar is. Oz verstopt zich met de werpspiesen in de hand achter een aantal struiken om de val in de gaten te houden maar niet voordat hij zijn mand met slaaprol en eten onder de laaghangende takken van een den heeft geschoven..

Hoewel hij geluiden hoort die er op wijzen dat de zwijnen nog steeds in de buurt zijn ziet hij er geen. De middag gaat over in de avond en hoewel de sterren en de maan behoorlijk wat licht geven heeft Oz het zo koud dat hij niets liever wil dan in zijn slaaprol kruipen, wat eten en gaan slapen.  Voorzichtig, om geen sneeuw los te schudden, duwt hij de takken aan de kant en kruipt naar binnen. Hij wordt door een zacht gegrom begroet en ziet twee groene ogen oplichten. Voorzichtig, met zijn ogen strak op de eigenaar van de groene ogen gericht, kruipt Oz achteruit onder de takken vandaan. Het grommen komt dichterbij en eenmaal onder de takken vandaan ziet Oz bij het licht van de volle maan een oude, uitgemergelde wolf met ontbloten tanden op hem afkomen. Met de werpspiesen stevig in zijn hand loopt Oz langzaam achteruit, richting de struiken achter hem. Zijn hart klopt in zijn keel en in afwachting van de aanval zijn zijn ogen op de wolf gericht.

Ineens draait de wolf zich om een rent jankend weg. ‘Het moge duidelijk zijn’, zegt Oz tevreden tegen zichzelf, ‘Dat ik een groot jager ben. Wolven slaan voor mij op de vlucht. Dan hoort hij een geknor achter zich, hoort takken breken. Hij draait zich om en ziet een kleine zeug zijn kant op rennen. Met een flinke zwaai brengt Oz zijn werparm met spies naar achter en gooit deze naar de kleine zeug. Hij mist de zeug op een haar na. Hij pakt zijn tweede spies en dan valt zijn oog op de enorme beer met slagtanden zo lang als zijn onderarm die achter de zeug aanrent.

Van pure schrik laat hij de tweede spies vallen en rent naar de den, klimt omhoog. Oz is snel maar niet snel genoeg en een van de slagtanden schampt zijn rechterbeen. Ondanks de pijn aan zijn been klimt Oz hoger en hoger. De twee zwijnen verdwijnen onder de takken en even later hoort Oz een scheurend geluid als de zwijnen waarschijnlijk zijn slaaprol aan stukken trekken.

Hoog verscholen in de dennenboom wordt het een lange, koude en slapeloze nacht voor Oz. Het begint al licht te worden als hij de boom die hij gebruikt heeft bij het maken van zijn val omhoog zwiept. Er is een beest in zijn val gestapt. Ondanks alles voelt Oz zijn hart opzwellen van trots. Hij heeft een dier gevangen. Nu is hij een echte jager.

Met het verstrijken der uren neemt zijn trots steeds verder af en veranderd in wanhoop. De zeug en de beer blijven rondom de boom scharrelen waardoor Oz geen kans ziet uit de boom te komen om zijn buit los te snijden en terug naar het dorp te gaan. Het begint al te schemeren wanneer hij iemand hoort fluiten. Blij beantwoordt hij het gefluit en voegt de tonen voor ‘gevaar’ toe. De zwijnen onder zijn boom horen de nieuwkomer ook en rennen op het geluid af. ‘Er komen twee zwijnen op je af’, gilt Oz vanuit zijn schuilplek. Niemand geeft Oz antwoord. Wat hij wel hoort zijn de doodskreten van de beide zwijnen’. ‘Er zit hier ook nog een wolf!’, roept hij zo hard hij kan. Dan ziet hij Zark en dorpswijze Orgh verschijnen. Dankbaar laat hij zich ut de den zakken, pakt zijn werpspiesen en kruipt de den in om de nog bruikbare spullen te pakken. Het vlees is weg en de slaaprol en mand zijn verscheurd maar zijn mes en bijl liggen er nog.

Terwijl Orgh Oz de oren wast over zijn onverantwoordelijke gedrag bindt Zark van beide dieren de achterpoten bij elkaar. ‘Voorlopig ga jij nog niet met de jagers mee’, eindigt Orgh zijn tirade, ‘Daar ben je nog niet volwassen genoeg voor’. ‘Maar ik ben al een jager’, antwoord Oz, ‘Er is vannacht een dier in mijn val gelopen’. Gedrieën lopen ze naar het boompje wat de  basis van de val van Oz was. Tot groot chagrijn van Oz is de strik leeg. ‘Ik denk’, zegt Zark met een grote grijns, ‘Dat je nog wat lessen ‘vallen bouwen’ moet volgen Oz want als ik de sporen goed lees dan heeft een egel de val laten springen’. De hutbewoners barsten in het lachen uit om de vangst van Oz en Yeti moet bijna schreeuwen om haar laatste woorden verstaanbaar te maken. Het duurt nog een aantal manen en een flinke groeispurt maar wanneer tijdens zijn eerste officiële jachtpartij het verhaal van Oz, de wolf en de twee wilde zwijnen wordt verteld kan ook hij er om lachen.

Het gelach wat uit het vuur lijkt te komen leert de hutbewoners dat Oz dat na al die jaren nog steeds kan.


77. Op weg naar het Oosten

Het stormachtige weer houdt een aantal dagen aan alvorens over te gaan in echt winters weer met veel sneeuw en grijze wolken waardoor de korter wordende dagen nog korter lijken. Door het verlies van twee drijfbomen hoeven Urgh en Azel zich tijdens die korte momenten met licht niet te vervelen. Beide mannen krijgen met enige regelmaat hulp van de jagers en Elm.

De eerste paar dagen probeert Urgh het gesprek regelmatig richting ‘de muur van water’ te sturen maar Tak en zijn zonen zijn steeds minder genegen te praten over het natuurgeweld wat hen bijna het leven heeft gekost en uiteindelijk geeft Urgh het op al  blijven zijn vragen over de muur van water en het landschap voorbij deze muur door zijn hoofd spoken. Gaya, die haar vuurpartner door en door kent vraagt op een dag wanneer Tak en zijn zonen met de kinderen naar het oefenveldje zijn aan Yeti en Zoe of zij haar willen komen helpen met het bereiden van een paar kruidendrankjes. De beide dames zijn meer dan de mannen genegen de vragen van Urgh te beantwoorden. Het probleem is en echter, zoals Yeti het zegt, ‘Dat er geen woorden bestaan om die muur van water te beschrijven. Die moet je zien’. Over het landschap is Zoe kort ‘Vruchtbaar en ik zag tekenen van mensen’.

Dit antwoord maakt dat Urgh’s verlangen om deze plek zelf te zien alleen maar groter wordt. Daarnaast dringt het besef tot hem door dat hij al heel lang niets meer van of over de buurstammen heeft gehoord en kan hij zich nauwelijks de laatste Grote stambijeenkomst herinneren. Wanneer hij Elm hier naar vraagt krijgt deze een kleur. ‘Een van de reden waarom wij nog slechts een kant op gingen om te jagen was om contact met andere stammen te vermijden’, zegt hij dan. ‘Ik was bang dat de andere stammen door zouden krijgen wat een zwakke dorpswijze ik was en ons grondgebied zouden komen inpikken. Dat was ook de reden waarom wij niet meer naar de Grote sta,bijeenkomst gingen. Wat als er iets zou gebeuren met hen die gingen, wat als er iets zou gebeuren met hen die thuis bleven’. Elm zucht even. ‘Stom natuurlijk, maar zoals je weet was ik mijzelf niet tijdens mijn dorpswijze-schap’. Hij lacht even schaapachtig. Urgh grinnikt even naar zijn zoogbroeder al ziet hij zijn wens om in het voorjaar de muur van water te gaan bekijken in rook opgaan. Het contact herstellen met de buurstammen, voor zover die nog in leven zijn, heeft voorrang. Al heeft hij vage hoop dat een of meerdere van de oudere jagers het contact nooit helemaal verbroken heeft.

Die avond, tijdens de maaltijd, maakt Urgh de overige hutbewoners deelgenoot van zijn gedachtengang. Van zijn wens om de  muur van water met eigen ogen te zien en om de mensen te ontmoeten waarvan Zoe de sporen heeft gezien. Van het besef dat het contact met de buren vanuit dorpswijze oogpunt verwaterd is. Dan stelt hij de vraag of er nog mensen zijn die contact hebben met iemand van de buurstammen. Iedereen schudt van nee. ‘Vroeger ging ik eenmaal per zomer naar het dorp van Slik’, zegt Tak, ‘Maar sinds mijn zus en haar vuurpartner zijn overleden, zo rond de tijd dat Elm onze dorpswijze werd, had ik er niets meer te zoeken’. Verwachtingsvol kijkt Urgh Zan en Tork aan maar beide jagers schudden van nee. ‘Misschien zijn ze zelfs wel niet meer in leven’, zegt Tork. ‘Als ze daar net zo’n ziekte hebben gehad als wij en daarna het schudden van de aarde..’.  Hij schudt zijn hoofd. Urgh, die zelf ook met de optie rekening heeft gehouden dat de buurdorpen wellicht hetzelfde lot hebben ondergaan als hun oude dorp knikt. ‘Daar heb ik ook al aan gedacht’, zegt hij dan. ‘Ik denk dat we, zodra het voorjaar wordt, maar eens moeten gaan kijken of de dorpen nog bestaan en het contact gaan herstellen’. De overige hutbewoners mompelen instemmend.

Met het verstrijken der dagen wordt de winter opgevolgd door het voorjaar. Langzaam smelt de sneeuw weg en laat op sommige plekken een grote modderpoel achter. Urgh maakt van een van de grote modderplekken gebruik om, samen met de jagers,  een kaart van de huidige en oude omgeving te teken. De rivier waar ze nu aan wonen, het pad naar het oude dorp, de plaats van het dorp van Slik drie dagen lopen richting de bergen  daar waar de zon ondergaat en het dorp van Pel, vijf dagen lopen richting de bossen waar de zon opkomt.

Langzaam droogt ook de modderplek met de kaart en ontspruiten de eerste zaden. Het is tijd om het contact met de buren te herstellen. Tijdens de maaltijd, ongeveer een halve maan voor de lentewende wijst Urgh de deelnemers van deze misse aan. De volgende ochtend vroeg vertrekken Tak, Zan, Elm en Marg met de zon in de rug naar het nu bedolven dorp om van daaruit het pad naar het buurdorp te volgen. De overige bewoners zwaaien hen uit. Zodra de vier mensen tussen de bomen zijn verdwenen gaat iedereen over tot de orde van de dag. Alleen Urgh staart in gedachten verzonken nog even in de verte en vraagt zich af wat er komen gaat. Wat deze vier mensen gaan vinden, wie deze vier mensen gaan vinden. Dan wordt zijn gedachtengang verstoord door een handje wat over de zijne glijdt en een stemmetje wat vraagt ‘Jurg oef singel met Sen?’ Snel schudt hij zijn sombere gedachten van zich af en zegt lachend: ‘Ja Zen, na het eten gaan wij samen met de andere kinderen oefenen met de slinger’.



78. Ongemakkelijk gesprek

De vier mensen lopen stevig door en ruim voor de zon op haar hoogtepunt is bereiken zij de ingang naar hun voormalig dorp. De twee jagers en Marg zijn na het schudden van de aarde terug geweest in het dorp en hebben de verwoesting met eigen ogen gezien. Voor Elm is het de eerste keer dat hij terug keert naar de plek waar hij ooit de scepter zwaaide, waar hij dorpswijze was. De plek waar hij met lede ogen moest toezien hoe veel van zijn dorpsgenoten ziek werden en stierven. Ondertussen weet hij dat wanneer zijn mensen door de honger niet zo verzwakt waren dat veel meer van hen de ziekte hadden overleefd. Hij weet ook, door goed te kijken hoe Urgh het huttendorp leidt, dat zijn gebrekkige kennis van de jacht en zijn idee dat hij alle beslissingen diende te nemen mede debet zijn geweest aan de honger in het dorp.

Dan lopen de vier mensen via de doorgang tussen de rotsen het dorp binnen. Het hele dorp oogt groenen dan Elm zich kan herinneren. Geschokt kijkt hij naar de verschillende grotten. Die van hem is afgesloten door een groot rotsblok. Zelfs al had hij daar nog een maal naar binnen willen gaan was dat niet mogelijk. Dan valt zijn oog op de twee grote brandstapels die Urgh en zijn mensen gemaakt hebben om alle doden te verbranden en die nu ook overgroeid zijn met gras en bloemen. De omvang van de ramp dringt nu pas tot hem door. Een gesmoorde snik ontsnapt zijn keel. Met hese stem zegt hij, ‘Al die doden… door mij. Dit is mijn schuld’. Zijn drie reisgezellen staan iets achter hem, zien en horen hoe de aanblik van het oude dorp hun voormalig dorpswijze aangrijpt. Marg loopt op haar vuurpartner af, slaat haar armen om hem heen. Zij voelt zijn verdriet, zijn wanhoop, zijn schuld maar weet niet wat te zeggen.

Het is Tak die, praktisch als altijd, als eerste wat zegt. ‘Ik stel voor dat we doorlopen. Hier wordt niemand vrolijk van en we hebben nog een lange weg te gaan’. Zonder een antwoord af te wachten loopt hij over de open plek, vlak langs de ene bedolven brandstapel, recht naar het pad het dorp uit. De andere volgen hem gedwee. Een uur later, bij een open plek in het bos, geeft Tak een stopteken. Een kleine vuurplaats en een stapel brandhout vlak naast een bergstroompje verraadt dat hier vaker mensen komen. Tak heeft zo een vuurtje branden en Marg vult een kom water voor kruidenthee. Het is Tak die als eerste begint te praten. ‘Het is niet jouw schuld jongen’, zegt hij dan. ‘Het is de schuld van ons allemaal. Jouw vader maakte ook fouten, stuurde ons ook de verkeerde kant op om te gaan jagen maar hoofdjagers zoals Ink en Zark, later Tork en Urgh, die wisten wel beter en leidde ons naar de juiste plek, ongeacht wat jullie zeiden. Dat stopte nadat jij tot tijdelijke dorpswijze was gekozen door de voorouders. Deels daar wij gedacht hadden, gehoopt hadden dat Tork als hoofdjager de leiding zou krijgen. Deels door het ongeluk van Urgh op een plek waar jij ons niet naar toe gestuurd had. Urgh, jouw zoogbroeder. Volgens Murw en Vil een teken van de voorouders dat wij naar jou moesten gaan luisteren en niet meer moesten doen wat wij altijd deden. Nou ja, je weet waar dat toe heeft geleidt. Dus nee Elm, je mag dan niet de wijste dorpswijze zijn geweest die we ooit hebben gehad, de honger en de ziekte is niet jouw schuld.’ Met zijn ogen op het vuur gericht neemt Tak een grote slok thee.

‘Tak heeft gelijk’, bromt Zan. ‘Jij mag dan de dorpswijze zijn geweest, wij hadden en hebben allemaal een taak te vervullen en dat hebben we niet goed gedaan. Pas toen Urgh ons er op wees hebben wij onze taak weer opgepakt. Maar voor vele was dat te laat. Die waren niet meer gewend om zelf na te denken, zelf beslissingen te nemen. Denk jij dat er in het huttendorp ook maar iemand woont die dat rotte vossenkarkas tot eten zou verwerken omdat de dorpswijze opdracht geeft om eten klaar te maken. Nee dus. De vreemde geest die jou gedeeltelijk had overgenomen, had nog veel meer mensen in zijn macht, waaronder Tork en je vader. Vergeet dat niet Elm’.

‘Dat mag allemaal wel zo zijn’, fluisterde Elm, ‘Maar ik had die vreemde geest moeten herkennen en moeten wegsturen, zoals Urgh dat heeft gedaan, zoals jullie dat hebben gedaan. Maar ik deed het niet. Ik luisterde naar de geest en vond dat hij slim was. Dacht dat ik slim was.’ Hij slaat zijn handen voor zijn ogen. ‘Nee vuurpartner van me. Jij hebt je nooit helemaal over gegeven aan de geest. Jij bent tegen de geest blijven vechten’, stelt Marg. ‘Tegen de wil van de geest in heb jij het goed gevonden dat Urgh de jonge meisjes met wapens leerde omgaan. Tegen de wil van de geest in heb jij het goed gevonden dat Urgh eerst een paar dagen naar de rivier trok en later dat hij met een aantal bewoners naar de grotten ging. Tegen de wil van de geest in heb jij niet Murw maar Tork met Pew en mij de winternacht in gestuurd waardoor wij bij de grotten van Urgh terecht zijn gekomen. Dat er überhaupt nog mensen waren om de laatste overlevenden van het dorp voor het schudden van de aarde uit het dorp weg te leiden komt doordat jij tegen de geest bent blijven vechten’.

‘Toch ben ik schuldig’, zegt Elm koppig. ‘Dat ben je ook, vuurpartner van mij’, antwoord Marg hem, ‘Maar wij zijn allemaal net zo schuldig. Vergeet dat niet’. Tak schudt tevreden met zijn hoofd. ‘Zo is het Elm, en niet anders. Drink nu allemaal je thee op, dan kunnen we verder reizen. Ik wil vannacht het kamp opslaan bij de schuildennenstrook’.

Gedwee drinkt iedereen de thee op. De kommen worden opgeborgen en de reis hervat. In ganzenpas lopen de vier mensen verder naar het Oosten, op zoek naar het dorp van Slik.


79. Leden van de Vroegere stam

Het is al schemerig wanneer de vier mensen aan het eind van de derde dag hun kamp opslaan. De stemming is somber. Zelfs de twee niet-jagers weten wat de afwezigheid van recente menselijke sporen en de grote hoeveelheid wild wil zeggen. De kans dat er in het dorp van Slik nog mensen wonen is klein. Die avond voegt Marg, uit voorzorg voor wat er komen gaat, een grote hand koningskaars en citroenmelisse toe aan de kruidenthee. Elm en Zan herkennen de geur van het medicijn tegen de ziekte waar zo velen van hun dorpsgenoten aan gestorven zijn. ‘Denk jij..?’. ‘Ik weet het niet’, beantwoord Marg de afgekapte vraag van Zan. ‘Net zo mij als Gaya of Pew. Maar Gaya heeft mij uit voorzorg extra veel van beide kruiden meegegeven voor het geval dat..’.

De volgende ochtend eten de vier in alle vroegte de resten van de stoofpot van de avond er voor op, drinken een kom kruidenthee en beginnen aan het laatste deel van de weg naar het dorp van Slik. Tak en Zan lopen regelmatig van het pad af op zoek naar sporen van mensen maar vinden niets. Halverwege de ochtend is het Tak die de berg die boven het dorp van Slik uittorent ziet. Hij geeft een stopteken. ‘Daar aan de voet van de berg, ligt het dorp’, wijst hij. Je kunt het nu nog niet zien door die bomen die daar staan’. Hij wijst iets naar links. ‘Het pad naar het dorp loopt tussen die bomen door. Daar is ook een kleine kampplaats met een bron. Ik stel voor dat Zan en ik stoppen met het zoeken naar sporen van mensen die er niet lijken te zijn en daar recht naar toe lopen om te rusten en wat te drinken voordat we aan het laatste deel van de tocht beginnen’. De andere knikken instemmend.

Wanneer de kleine kampplaats in beeld komt springt het hart van Marg over. Op de stenen rondom de vuurplaats staat een kom en er lijkt iemand tegen een lage rots te leunen. Ze ziet wat bewegen. Marg verhoogt haar tempo, loopt voor de mannen uit, op weg naar de eerste mens die ze in vier dagen hebben gezien. Ineens realiseert zij zich dat er geen vuur brandt in de vuurplaats en de beweging veroorzaakt wordt door een hyena. ‘We zijn te laat’, roept Tak van achter haar, ‘Hij is dood’. Maar Marg ziet hoe de figuur tegen de rots een zwakke poging doet om de hyena af te weren. ‘Hij leeft nog’, roept zij en begint met een vloeiende beweging de slinger en steen die zij al die tijd in haar hand heeft gehouden rond te draaien. Haar eerste steen treft doel en wordt al snel gevolgd door een steen uit de slinger van Elm en een tweede steen uit haar slinger. De hyena loopt bij zijn prooi vandaan maar niet ver en snel genoeg. Hij wordt gespiest door een werpspies van Zan. De werpspies van Tak raakt een tweede hyena. Dan zijn de vier mensen in het kamp. Er lopen nog een paar hyena’s om de lichamen die er liggen heen. Ze worden alle door de vier mensen verjaagd.

Dan pas hebben de hutbewoners de tijd om naar de bewoners van de kleine kampplaats te kijken. Zien de kleine, gedrongen, stevige lichamen, de vooruitstekende kaak, de afwezigheid van nek, de zware beharing in gezicht en op de zichtbare ledenmaten, de vooruitstekende wenkbrauwen. ‘Wat zijn dit?’, vraagt Marg aan haar vuurpartner. Elm aarzelt even. Voor hij kan antwoorden zegt Zan ‘Dit zijn mensen Marg. Nazaten van de Vroegere stammen. De stammen die vroeger, toen wij nog met weinige waren, met vele was’. Elm kijkt de jager verbaasd aan. ‘Hoe weet jij dat Zan?’, vraagt hij. ‘Ik ken mijn bloedlijn’, is het antwoord. ‘De vader van de vader van Zark had en vrouw van de Vroegere stammen als vuurpartner’. ‘Waarom zeggen ze niets?’, fluistert Marg, ‘Waarom kijken ze alleen maar?’. ‘Ze hebben geen stem’, is het verrassende antwoord van Tak. ‘Deze mensen praten met hun handen’. De oude jager knielt bij de man tegen de rots neer en begint met zijn vingers te bewegen. De man bij de rots geeft antwoord en weer beweegt Tak met zijn handen. ‘Tak heeft hem gevraagd of er nog meer mensen in de buurt zijn en de man heeft nee gezegd’, vertaalt Zan het gesprek. ‘Na het trillen van de aarde zijn de overlevenden van hun stam gaan rondtrekken, net als ze vroeger deden. Tijdens de grote herfststormen hebben ze onderdak gezocht in een dorp aan de rivier, vlak bij een muur van water. Met de komst van de lente is deze man, samen met drie vrouwen waarvan er een hoog zwanger was, verder getrokken. Drie dagen geleden zijn zij hier terecht gekomen. Toen zij de lijken zagen liggen wilde zij meteen verder trekken maar de baby kwam. Daarom zijn ze gebleven en hebben de lijken verplaatst. Waarschijnlijk zijn ze daardoor ziek geworden’. De handen van Tak en de man vallen stil, de stem van Zan ook. Een kleine bundel huiden die vlak bij een van de vrouwen ligt begint te bewegen, maakt geluid. De baby weet Marg. Haar borsten schieten vol melk en meteen valt alle twijfel van haar af.

‘Elm, zorg voor hout en maak een vuur in de vuurplaats. Vul dan de drie grootste kommen die we bij ons hebben met water. Eentje voor kruidenthee, eentje voor soep en eentje om de mensen mee te wassen. Tak of Zan, een van jullie gaat jagen, de ander blijft hier om met de mensen te praten zodat ze weten wat we gaan doen’. Zonder de reacties van de mannen af te wachten loopt zijn naar de kleine bundel toe en knielt op de grond. Ze pakt het pakketje op, schuift haar tuniek omhoog en legt het kleine wezentje aan. De baby heeft even moeite maar Marg heeft vaker met het bijltje gehakt en al snel weet het kleintje wat hij moet doen en nog sneller zit zijn buikje vol. Zodra het water in de grote kom lauwwarm is wordt eerst de baby en daarna de moeder door Marg gewassen en in de slaaprol van Marg gelegd. Dan is de volgende vrouw aan de beurt. Wanneer Elm zijn vuurpartner wil komen helpen voelt Marg het uitgemergelde lichaam van de kleine vrouw verstijven. Met een handgebaar stuurt Marg haar vuurpartner weg. ‘Ga jij de man maar helpen’, zegt zij, terwijl zij de kleine vrouw in de slaaprol van Tak helpt. Elm knielt bij de man daarbij diens zicht op de drie vrouwen blokkerend. Wild duwt de man Elm aan de kant. Elm kijkt hem even peinzend aan en zegt dan, ‘Je trekt niet net na de winter met een hoogzwangere vrouw door onbekend terrein als daar geen reden voor is. Ik denk dat jullie zijn gevlucht’. Even kijkt de man hem recht in zijn gezicht en slaat dan zijn ogen neer. De drie middelste vingers van zijn rechterhand bewegen tweemaal op en neer. ‘Hij zegt ja’, vertaalt Tak het gebaar. ‘Worden jullie achtervolgt?’, vraagt Elm. De man maakt hetzelfde gebaar, gevolgd door een groot aantal andere. ‘Eerst wel’,  vertaalt Tak, ‘Maar nadat ze vier van de jonge vrouwen weer hadden gevangen hebben ze de achtervolging gestaakt’. Elm knikt en wendt zich nogmaals tot de man. ‘Wij zijn niet zoals die andere mannen, zoals die andere stam. We zullen jullie verzorgen totdat jullie weer in staat zijn om te reizen. Daarna zou ik het fijn vinden wanneer je met ons mee komt naar ons dorp. Ik denk dat onze dorpswijze jullie verhaal graag wil horen. Maar willen jullie dat niet, willen je verder trekken, dan is dat ook goed’. De verzwakte man kijkt argwanend naar Elm wanneer Elm dit zegt.

Marg reikt Elm een kom kruidenthee aan. Elm brengt de kom naar de lippen van de man. De man weigert te drinken en wendt zijn hoofd af. Met een zucht neemt Elm een grote slok uit de kom en brengt hem dan nogmaals naar de lippen van de man. ‘Drink dit, dit helpt je om de ziekte te overwinnen’. Dit keer neemt de man wel een slokje.

Wanneer Zan met een flinke buit aan wild en groenten terugkomt liggen de vier leden van de Vroegere stam schoon gewassen in de slaaprollen van het reisgezelschap te slapen, zit Elm bij de kookpotten, legt Marg de laatste hand aan het wassen van de kledij van de Vroegere stam leden en staat Tak op wacht. ‘Want’, had Elm gezegd, ‘Het zou zo maar kunnen dat die dorpelingen hun jacht op de vluchtelingen nog niet volledig hebben gestaakt.


80. Kennismaking

De nacht verstrijkt zonder ongewenst bezoek. De goede zorgen van Marg in combinatie met een nacht slapen in een warme rol hebben de leden van de Vroegere Stam goed gedaan. Hoewel zij alle vier nog ziek zijn is de koorts gezakt. ‘Ik denk dat de ziekte niet meer zo sterk is als zij vroeger was’, zegt Marg tegen Elm. ‘Als deze mensen niet zo verzwakt waren door de winter die zij in gevangenschap hebben doorgebracht waren ze denk ik niet eens ziek geworden’. Elm knikt instemmend en helpt Marg kommen thee te vullen en deelt deze uit. De man neemt de kom nu meteen aan, de vrouwen aarzelen nog.

Halverwege de ochtend gaat Tak op verzoek van Marg jagen. ‘Kijk ook of je knollen en wortels ziet’, zegt zij, tot grote verbazing van de leden van de Vroegere Stam. ‘Nu we met meer zijn ben ik zo door de voorraden heen en het is juist voor hen van belang dat zij goed eten. Alleen niet te veel vlees ineens. Daar kunnen hun ingewanden niet tegen’. Tak knikt en vertrekt. De handen van de man beginnen te bewegen. ‘Nee’, antwoord Zan, ‘Marg is geen medicijnvrouw en ook niet de leider van de stam. Maar op dit moment is zij diegene die het beste weet wat we moeten doen om jullie zo snel mogelijk weer gezond te krijgen’. Met half dichtgeknepen ogen overdenkt de man het antwoord en knikt dan dat hij het begrijpt. Weer beweegt hij zijn handen. ‘Vind ik ook’, zegt Zan. ‘Wat vindt jij ook?’, vraagt Elm. Tegelijkertijd vraagt Marg ‘Zan, kan jij Elm en mij de handentaal leren? Dit praat zo ongemakkelijk’. Zan krabt eens achter zijn oor. ‘Ik kan het proberen. Waar wil je beginnen’.

Marg denkt even na. ‘Hoe vraag ik naar hun naam’, zegt zij dan. ‘Niet’, antwoord Zan. Marg kijkt hem verbaasd aan. ‘Hebben zij dan geen naam?’. ‘Jawel’, zegt Zan, ‘Maar binnen de Vroegere Stammen is vragen naar een naam niet netjes. Die geven zij pas nadat jij je voorgesteld hebt en alleen wanneer ze je vertrouwen’. Marg kijkt naar de man van de Vroegere Stam en zegt ‘Mijn naam is Marg’. De man knikt. Hij maakt een handgebaar en zegt dan ‘M’rg’. Verbaasd kijkt Marg de man aan. ‘Zan, Tak zei dat zij geen stem hebben, maar volgens mij zei hij net Marg’. Zan knikt grijnzend. ‘Omdat zij met hun handen praten worden zij ‘de stemloze’ genoemd maar zij kunnen wel geluid maken en als zij het echt willen kunnen zij ook praten al hebben zij moeite met bepaalde klanken’. Weer maakt de man het handgebaar en zegt ‘M’rg’. ‘Wat zeggen zijn handen?’, vraagt Marg. ‘Hetzelfde als zijn stem’, is het antwoord van Zan. ‘Dat gebaar betekent Marg’. ‘Mijn’, en hierbij wijst Marg naar zichzelf, ‘naam is Marg’. Terwijl zij haar naam uitspreekt maakt zij hetzelfde handgebaar als de man net heeft gemaakt. Hij glimlacht naar haar, wijst dan op zichzelf en maakt een handgebaar en zegt ‘K’wan’. Marg herhaalt zowel het gebaar als de klank. ‘Welkom K’wan’, zegt zij. De man knikt.

Dan stellen Elm en Zan zich aan de man voor. Ook zij krijgen antwoord. Dan wendt Marg zich tot de drie vrouwen, de jonge moeder als eerst. In woord en gebaar stelt Marg zich voor. Even aarzelt de vrouw maar wijst dan op zichzelf en maakt een handgebaar. Dan wijst zij op haar kind en maakt nog een handgebaar. Marg kijkt K’wn vragend aan. Hij wijs op de moeder en zegt ‘C’roo’. Dan gaat zijn vinger richting de baby en zegt ‘K’nd’. ‘Kind’, vraagt Marg verbaasd. ‘Kinderen van de Vroegere Stammen krijgen pas hun echte naam na het doorlopen van de rite van volwassenheid’, licht Zan toe. Marg knikt, wendt zich tot de vrouw en zegt in woord en gebaar ‘Welkom C’roo en K’nd’. Het gezicht van C’roo licht op. Marg stelt zich aan de twee andere vrouwen voor. Een van de vrouwen is van C’roo’s leeftijd, de andere een stuk ouder. T’raa maakt alleen een handgebaar maar M’naa zegt haar naam zelf. En niet alleen dat. Met handgebaren, geluid en wijzen vertelt zij Marg nog meer. ‘Jij’, en hierbij wijst Marg naar de M’naa, ‘Bent de moeder van C’roo’, vertaald Marg de zin. M’naa knikt.
Dan stellen de twee mannen zich aan de vrouwen voor. Even lijkt het er op dat zij geen antwoord gaan krijgen maar dan zegt M’naa haar naam. Nu haar moeder het goede voorbeeld heeft gegeven durft ook C’roo haar naam te noemen. Alleen T’raa zegt niets en blijft stug naar de grond kijken. De twee mannen dringen niet aan en Zan gaat verder met de les die alleen onderbroken wordt voor meer thee, groentebouillon en de terugkeer van Tak. De oude jager zet zijn met knollen gevulde mand bij Marg neer en legt zes konijnen bij het vuur. ‘Jagen is hier kinderlijk eenvoudig’, zegt hij alvorens een kom groentebouillon te pakken. Dan is het zijn beurt om zich voor te stellen. Ook Tak krijgt geen antwoord van T’raa en ook hij dringt, tot grote tevredenheid van K’wan  niet aan.

Met elk woord wat Elm en Marg leren wordt communiceren makkelijker. Al snel hebben zij de hulp van Tak en Zan niet meer nodig om een soort van gesprek te voeren met de leden van de Vroegere Stam. Aan het eind van de vierde dag hebben alle vier de leden van de Vroegere Stam hun slaaprol verlaten en zitten samen met de bewoners van het huttendorp rond het vuur. Na het eten schept Elm kommen thee in en deelt deze uit. Dit keer neemt ook T’raa de kom aan. ‘T’raa’, zegt zij en wijst op zichzelf. ‘Mijn naam is T’raa’. ‘Welkom T’raa’, reageert Elm.

Het is Marg die aan het einde van dag zes aangeeft dat de leden van de Vroegere Stam fit genoeg zijn om te reizen. ‘Mits we het tempo niet te hoog leggen voor C’roo. Het was een zware bevalling en zij verliest nog steeds bloed. Ik wil dat Gaya zich zo snel mogelijk over haar ontfermt’. Elm knikt. ‘Dan vertrekken we morgenochtend meteen na de thee’, beslist hij. De jagers maar ook K’wan knikken instemmend. De wacht wordt verdeeld en al snel is het stil in het kamp. Een stilte die alleen zo af en toe verbroken wordt door kreetjes van de immer hongerige K’nd en het wisselen van de wacht.


81. Verwondering

In een rustiger tempo dan op de heenweg wordt de reis naar het huttendorp begonnen. Marg draagt de kleine K’nd in een draagdoek en samen met T’raa en M’naa ondersteunt zij C’roo tijdens de tocht. Het rustiger tempo geeft Zan en Tak volop de gelegenheid om te jagen en voedsel te zoeken. Ondanks het rustiger tempo schieten de acht mensen toch goed op. Halverwege de middag van de vijfde dag bereiken zij het oude dorp. De hutbewoners weten dat zij in dit tempo het huttendorp voor het vallen van de avond niet kunnen bereiken. Zij besluiten hun kamp in het oude dorp op te slaan. Een kleine grot naast de grot van Elm is nog redelijk in tact; een prima plek om de nacht door te brengen. Al snel brandt er een klein maar warm vuur en ruikt de grot naar kruidenthee en gebraden konijn.

Al dwalend door het verwoeste dorp komt Elm bij de badgrot. Het lijkt er op dat de badgrot het geweld van de schuddende aarde goed heeft doorstaan. Elm loopt naar binnen, naar de warmwater bron. Tot zijn grote verbazing verkeert deze nog in dezelfde staat als voor het schudden van de aarde. De mand met schuimas staat er nog net als de stapels huiden die de dorpsbewoners gebruikte om zich af te drogen. Blij met zijn vondst loopt Elm naar de kleine grot. ‘Ik zou best een bad willen nemen’, zegt Marg, ‘Mijn kleren willen wassen. En jullie?’, vraagt zij, terwijl haar handen aan de leden van de Vroegere Stam vertellen wat Elm ontdekt heeft.  De leden van de Vroegere Stam kijken haar verbaasd aan, lijken haar niet te begrijpen. ‘Ga maar mee met Elm’, seinen Marg’s handen dan, ‘Ik ga kijken of ik nog ergens schone kleren kan vinden’.

Gedwee lopen de leden van de Vroegere Stam samen met Zan, Tak en Elm naar de badgrot. Vol verbazing bekijken zij de warmwaterbron. Tak, Zan en Elm kleden zich uit, pakken een handje schuimas en lopen het warme water in. Alleen K’wan volgt hun voorbeeld; de drie vrouwen blijven aan de rand van de bron staan.

Dan loopt Marg de grot binnen, een grote mand vol met schone kleding achter zich aan slepend. ‘Ik heb voor iedereen schone kleren’, zegt zij tevreden. ‘Ook voor onze gasten. De kledingmand in de vrouwengrot zat boordevol schone kleren en voor de mannen heb ik ook wat gevonden’. Snel kleedt zij zich uit, legt haar kleding op een stapeltje op de rand van de bron en loopt het water in. Eerst wast zij zichzelf, dan is haar kleding aan de beurt. Elm, Tak en Zan hebben ondertussen hun kleding ook van de rand gepakt en zijn aan het wassen geslagen. Voor K’wan hun voorbeeld kan volgen zit M’naa op haar hurken bij het water en wast zijn kleding.

Voorzien van droge kleren en met hun natte kleding in hun handen vertrekken de mannen uit de grot. Dan pas trekken M’naa en T’raa hun kleren uit en stappen het water in. Tot haar tevredenheid ziet Marg dat beide vrouwen weer wat meer vlees op hun botten hebben. Marg wenkt C’roo om ook te komen maar die schudt van nee. Wanneer M’naa en T’raa hun kleding gaan wassen verlaat Marg het water en kleed zich aan. ‘Waarom ga je niet even het water in?’, vraagt zij C’roo. “Het is lekker warm, goed voor je lichaam. Wordt je soepel van’. C’roo schudt van nee en gebaart ‘bloed, water vies’. ‘Het water stroomt’, zegt Marg, ‘En neemt het vuil mee. Kijk, aan die kant komt het water de grot binnen, aan die kant stroomt het er weer uit. Wanneer je aan die kant het water in gaat blijft het gewoon schoon’. C’roo kijkt haar even aan, geeft K’nd aan Marg en begint zich uit te kleden.

Met K’nd in haar armen verlaat Marg de grot en voegt zich bij de mannen. ‘Morgen komen we in jullie dorp aan’, gebaart K’wan, ‘En dan? Wat gaat er dan met ons gebeuren?’. ‘Met jullie gaat er niets gebeuren’, antwoord Zan. ‘Zoals Elm je al een aantal dagen geleden heeft gezegd zal onze dorpswijze met jullie willen praten. Willen horen waar jullie vandaan komen, wie jullie zijn, wat jullie is overkomen’. ‘En dan?’, gebaart K’wan. Elm haalt zijn schouders op. ‘Dan hangt van zo veel zaken af, daar kunnen wij niets over zeggen. Maar weet dat onze dorpswijze een wijs man is met het hart op de juiste plaats’. Tak en Zan knikken alsof zij de woorden van Elm kracht bij willen zetten. ‘Een wijs man’, gebaart K’wan vol verwondering. ‘Wijzer dan jij Elm, wijzer dan deze twee jagers? Kan dat? Bestaat dat?’

Het is Marg die antwoord geeft. ‘Ja K’wan dat bestaat en dat is mogelijk. Urgh kent de tradities maar durft er van af te wijken wanneer hij denkt dat dat beter is. Voor de afzonderlijke bewoners van het dorp, maar ook voor het dorp in z’n geheel. Urgh gelooft in het geven van een tweede kans’. Hierbij kijkt zij even naar haar vuurpartner Elm. Dan voegen de vrouwelijke leden van de Vroegere Stam zich weer bij het gezelschap en doet K’wan er verder het zwijgen toe.

Het is nog donker wanneer het gezelschap aan de laatste etappe van hun reis beginnen. Ondanks de geruststellingen van hun reisgezellen zijn K’wan en de vrouwen bezorgd over wat er komen gaat. Met elke stap komt het huttendorp dichterbij. De vier hutbewoners moeten zich dwingen om in het rustige tempo van C’roo verder te wandelen. Dan klinkt er een schril fluitje wat door Tak ‘beantwoord’ wordt. ‘Klinkt naar Tas’, zegt Zan, ‘Dan weet Urgh zo dat wij er aan komen en gezelschap hebben. En inderdaad, wanneer zij het laatste stuk pad naar het dorp oplopen komt Urgh, vergezeld van Tas en de kleintjes van het dorp, net van de oefenweide af. Voor Urgh echter de gasten welkom kan heten schiet er een kleine schim aan hem voorbij en met een luidde kreet klemt Zen zich aan het been van zijn vader vast. Met een vluggen beweging tilt Zan zijn zoon op, gooit hem een keer in de lucht en vangt hem weer op. Kraaiend van plezier slaat Zen zijn armen om zijn vaders hals. Dat is het moment waarop Run, die netjes bij Tas en Urgh was blijven staan, zich niet langer inhoudt en op zijn ouders afrent. De kus van zijn moeder laat hij zich welgevallen, en dan is het zijn beurt om even te vliegen en zich aan zijn vader vast te klemmen. Eindelijk is het rustig genoeg voor Urgh om de gasten welkom te heten. ‘Mijn naam is Urgh en ik heet de leden van de Vroegere Stam welkom in het huttendorp. Laat mijn vuur jullie warmen, mijn thee jullie dorst lessen en mijn voedsel jullie voeden.

Vol verwondering gaan de ogen van K’an van het kind n de armen van Zan naar de man op krukken voor hem. Waar zijn zij nu terecht gekomen? Een dorpswijze op krukken die kinderen slingerles geeft, een Eeuwig Kind wat mocht blijven leven? De dorpswijze lacht hem vrolijk toe, alsof hij zijn gedachten kan lezen. Even schaamt K’wan zich. Dan gebaren zijn handen ‘Mijn naam is K’wan. Graag willen mijn reisgezellen en ik ons warmen aan je vuur, onze dorst lessen met je thee, onze honger stillen met jouw voedsel’.

‘Mooi’, zegt Urgh. ‘Kom, dan vervolgen wij onze weg. We zijn er bijna’. Vergezeld door de dorpswijze en alle kinderen van het dorp vervolgen zij hun weg, naar het beloofde vuur, de thee en het voedsel.


82. K'wan verteld

Het nieuws van de gasten uit het Oosten is hen vooruit gesneld. Alle dorpsbewoners hebben zich bij het grote vuur verzameld en er staan meerdere bakken met kruidenthee op de rand te trekken. Bij het vuur aangekomen zegt Urgh: ‘Dit zijn K’wan en zijn metgezellen. Leden van de Vroegere Stam. Gasten van het Huttendorp’. Zijn handen seinen de woorden die hij uitspreekt. ‘Neem plaats aan ons vuur. Mijn vuurpartner Gaya zal ons van thee voorzien’. De overige hutbewoners nemen de nieuwkomers nieuwsgierig op. Voor de meeste van hen is het de eerste kennismaking met leden van de Vroegere Stam en zij zijn verbaasd dat hun dorpswijze niet alle nieuwkomers bij naam noemt. Weer neemt Urgh het woord terwijl hij met zijn handen wappert. ‘Weet dat de gebruiken van de Vroegere Stam op een aantal punten van die van ons afwijken. Zo praten zij niet met hun mond maar met hun handen. K’wan en zijn gezellen kunnen ons verstaan en ik weet zeker dat wij allen hen ook snel zullen leren verstaan. Weet ook dat je iemand van de Vroegere Stam pas bij de naam aanspreekt nadat die persoon zich aan jou heeft voorgesteld’.

Gaya reikt Urgh een kom thee aan. De volgende kom is voor K’wan. ‘Mijn naam is Gaya’, zegt zij. ‘Ik ben de vuurpartner van Urgh. Namens Urgh en de dorpelingen bied ik je deze thee aan’. De vingers van K’wan geven haar antwoord. Dan wijst hij op zichzelf, zegt ‘K’wan’ en neemt de kom thee aan. Urgh richt zich tot de vrouw naast K’wan en zegt ‘Mijn naam is Urgh, welkom in ons dorp’. Hierna stellen Urgh en Gaya zich aan de drie vrouwen voor. Alle drie de vrouwen noemen hun naam. Gaya neemt plaats naast C’roo en bewondert K’nd.

Worden de nieuwkomers nieuwsgierig opgenomen door de hutbewoners, de nieuwkomers zelf nemen na de eerste kennismaking vol verwondering hun omgeving op. Kijken naar de hutten, naar de drijfboom waar Urgh mee bezig is, de werkplaats van Azel, de kraal met schapen bij de hut van Elm, de gebroken grond met daarin keurig rechte groeven, de boomgaard met fruitbomen. Hun blikken dwalen ook regelmatig richting Urgh, Gaya en Klee die alle drie een haarkleur hebben die zij nog nooit eerder hebben gezien. Ook de lichte ogen van de drie mensen roept vragen bij hen op.

De eerste kom thee wordt in relatieve stilte gedronken. Daarna worden de drie vrouwen en K’nd door Marg en Gaya meegevoerd naar het kleine vuur voor de hut van Elm om de kennismaking daar voort te zetten. De mannen van het dorp gaan weer aan het werk. Alleen Urgh, K’wan, Zan, Tak en Elm blijven bij het vuur achter. ‘Elm, vertel mij wat jullie hebben aangetroffen in het dorp van Slik’, verbreekt Urgh de stilte. ‘Het dorp is verwoest’, antwoord Elm, ‘Maar net als bij ons was een groot deel van de bewoners al dood door de ziekte voordat de aarde ging schudden. Wij troffen beenderen aan bij de kleine rustplaats net voor het dorp’. Urgh knikt. ‘Daar was ik al bang voor’. Hij wendt zich tot K’wan. ‘Wil je mij het verhaal van jullie omzwervingen vertellen?’. K’wan weifelt even. Dan vragen zijn vingers ‘Waar zijn jullie jagers?’. ‘Alle jagers zijn hier in het dorp’, antwoord Urgh. ‘Tak en Zan ken je. De andere jagers zijn Tork, de broer van Zan, Flik en Krap, de zonen van Tak, Tas, Meuw en Zoe, drie jonge vrouwen uit ons dorp en Krom, vuurpartner van de dochter van Zan. Zij zaten allen net rond het vuur. De drie jonge vrouwen zitten nu met de overige vrouwen bij het vuur van Elm, de vier jagers zijn net gaan vissen’. K’wan knikt en dan beginnen zijn handen te vertellen.

De winter was geweken, de dagen waren aan het lengen. De jagers waren net teruggekomen van de jacht en wij hadden hun terugkomst gevierd met een feestmaal. Die nacht begon ineens de aarde te schudden. De grond scheurde open, rotsblokken vielen naar beneden, vuren doofde. In het donker, met de doodskreten van onze stamleden in de oren, zochten wij een weg naar buiten. Daar was het net zo donker als binnen en net zo gevaarlijk. Rotsblokken en bomen vlogen in het rond. Vanaf de berg kwam een water- en modderstroom die mens en dier meesleurde. Het duurde lang voordat de aarde weer rustig werd, voordat het licht was.

De grot was verdwenen, het bos rondom de grot verwoest. Bomen waren ontworteld, afgebroken. De hele wereld leek bedekt onder een dikke laag modder. Het landschap was onherkenbaar geworden. Als door een wonder had ik het schudden der aarde zonder ernstige verwondingen overleefd. Ik ging op zoek naar andere overlevenden. Een oude ome, een jongen. Zeven meisjes en ik. Dat was alles wat er van mij stam over was. Alle jagers, volwassen vrouwen, kleine kinderen waren dood. Ik wist niet wat te doen. Zonder jagers, zonder medicijnvrouw, waren wij ten dode opgeschreven. Daar blijven was geen optie. Met niets begonnen wij te lopen, op zoek naar een plek om te leven, op zoek naar een stam die ons op wilde nemen. Die stam vonden wij niet. Wel kwamen wij nog drie andere vluchtelingen tegen. M’na, haar dochter C’roo en een jonge jager van de nieuwe stammen. Deze drie vluchtelingen sloten zich bij ons aan, trokken met ons mee. Het was een karig bestaan. Soms kwamen we op een plek met veel bessen, noten en fruit en dan bleven wij daar een tijdje voordat we weer verder trokken. De jonge jager en de oude ome wisten soms wat klein wild te verschalken.

De meisjes waren ondertussen jonge vrouwen geworden. De jager en C’roo werden een stel. C’roo werd zwanger en nog trokken we rond. Aan het begin van de winter stuitte wij op een groep jagers. Leden van de nieuwe stam. Zij heette ons welkom en vroegen ons om de winter door te brengen in hun dorp. Ik was blij. Eindelijk had ik een stam voor mijn mensen gevonden. Het was M’na die bij aankomst in het dorp als eerste doorhad dat er iets niet klopte. Zij zag geen vrouwen in het dorp. Op haar verzoek gaf ik aan dat wij de leden van de Nieuwe Stam bedankten voor hun aanbod maar dat wij na de maaltijd graag verder wilde trekken. Dit werd geweigerd. Het kwam tot een handgemeen waarbij de oude ome en de jager het leven lieten. Omdat ik de tekenen van een wijze man draag  deden zij mij niets aan. Ik moest lijdzaam toezien hoe de jonge vrouwen en M’na door de mannen keer op keer verkracht werden. Na die eerste avond  en nacht stortte twee van de meisjes zich in de muur van water die achter het dorp ligt. Zij verkozen de verdrinkingsdood boven wat er met hen gebeurde.

Aan het begin van de lente ging een groot deel van de mannen op jacht waardoor er maar een paar mannen in het dorp achterbleven om de vrouwen te bewaken. M’na deed iets in hun eten waardoor zij in een diepe slaap vielen. Toen zijn wij ontsnapt. De volgend morgen hebben de mannen de achtervolging ingezet. Onervaren jager als ik ben hadden ze ons zo weer gevonden. Wij rende er vandoor maar konden niet voorkomen dat vier van de vrouwen weer gevangen werden genomen. Daardoor raakte de mannen steeds verder achterop en uiteindelijk hebben zij de jacht op ons opgegeven. Misschien ook wel omdat wij te dicht in de buurt van hun oude dorp waren gekomen. Het oude dorp waar een verschrikkelijke ziekte had geheerst zoals wij later van Elm en Marg leerde.

Toen wij de dode bij de kleine rustplek zagen wilde wij doortrekken maar de baby van C’roo diende zich aan. Op last van M’na hebben T’raa en ik de beenderen die bij de vuurplaats lagen verplaatst. De volgende morgen was K’nd geboren en waren wij alle vier ziek. Een paar dagen later werden wij gevonden door Marg, Elm, Tak en Zan. Dankzij hen zijn wij hersteld van de ziekte, is K’nd blijven leven. En nu zijn we hier, in het dorp van Urgh en hopen eindelijk de stam gevonden te hebben die ons in hun midden opneemt. Een stam waar we als gelijken worden gezien.

In afwachting van wat Urgh gaat zeggen, met zijn ogen naar beneden geslagen, vallen zijn handen stil.


83. Zo gaat dat hier bij ons

Niet alleen K’wan wacht in spanning op de reactie van Urgh. Ook de drie hutbewoners bij het vuur wachten vol spanning wat hun dorpswijze gaat beslissen. Urgh kijkt peinzend voor zich uit, speelt met de lege theekom in zijn hand. Wikt voors en tegens af. Kijkt naar K’wan, naar de drie vrouwen bij het andere vuur, naar zijn vrienden Tak, Zan en Elm. ‘Ik kan en ga nu geen beslissing nemen’, zegt hij dan. Verschrikt kijkt K’wan hem aan. ‘Moeten wij weer verder trekken?’, vragen zijn handen. ‘Nee K’wan. Ik heb jullie als gast aan mijn vuur welkom geheten en tot aan het zomerzonnewende feest zullen jullie hier als gast verblijven. Daarna zien we verder’. Niet alleen K’wan, ook Tak en Zan kijken Urgh verbaasd aan vanwege dit uitstel. ‘Dit ben ik niet van je gewend Urgh’, zegt Zan, ‘Normaal neem jij je beslissingen heel snel’. Urgh glimlacht even. ‘Dit is ook een snelle beslissing’, zegt hij. ‘Het is alleen een andere uitkomst dan jullie verwacht hadden’.

Dan wordt zijn gezichtsuitdrukking serieus. ‘Er zijn een aantal redenen waarom ik nu nog geen beslissing kan of wil nemen. Dat zijn dezelfde redenen waarom K’wan de vraag om deel uit te mogen van dit dorp eigenlijk nu nog niet zou moeten stellen. De belangrijkste is: Wij kennen elkaar nog niet. Weten niet wat wij aan elkaar hebben, wat we van elkaar kunnen verwachten. Willen en kunnen K’wan en de vrouwen zich aanpassen aan onze manier van leven? Willen en kunnen  zij een bijdrage leveren aan dit dorp? Of blijven zij gasten? Willen wij voor altijd vier gasten in het dorp hebben? Gaat het werken, drie medicijnvrouwen in dit kleine dorp? Nog meer alleenstaande vrouwen? Nog een oud-dorpswijze er bij? Die vragen kunnen nu nog niet beantwoord worden. De tijd zal dat uitwijzen. Vandaar dat ik mijn beslissing uitstel’. Elm, Zan en Tak knikken dat zij het begrijpen. K’wan zit stil, zijn gezicht verraadt niets van zijn gedachten.

‘En dan nu even iets praktisch’, zegt Urgh. ‘K’wan waar gaat jullie voorkeur naar uit? Met z’n vijven in een grot slapen, of verdeeld worden over de hutten? ‘Grot?’, vraagt K’wan verbaasd. ‘Zijn hier grotten dan?’ Urgh knikt. ‘Langs het pad naar de rivier zijn de ingangen van vijf grotten te vinden. Daar hebben wij eerst gewoond, tot het schudden van de aarde. Daarna zijn we naar de hutten verhuisd. De eerste grot is nog in gebruik als opslagplaats voor ons voedsel, de laatste grot als opslagplaats voor vuursteenknollen en brandhout. De andere drie grotten staan leeg. Kom, dan gaan we even kijken. Vraag M’na ook maar mee. Dan kan zij meehelpen met beslissen wat het beste lijkt. Verdeeld over de hutten of samen in een grot’.

Urgh pakt zijn krukken en staat op. Tak, Zan en Elm volgen zijn voorbeeld. Alleen K’wan is blijven zitten. ‘Kom je’, vraagt hij aan K’wan’, en loopt richting het vuur van Elm om M’na te halen. Dan loopt K’wan naast hem. ‘M’na is dan wel medicijnvrouw’, zeggen zijn handen, ‘Maar ik neem de beslissing waar te wonen? Zij hoeft niet mee naar de grotten te gaan kijken’. ‘Wat jij wilt K’wan, wat jij wilt’, zegt Urgh. ‘Weet je dat zeker K’wan?’, vraagt Zan. ‘Urgh en Azel hadden eerst een andere grot uitgezocht om in te gaan wonen, maar Yai en Gaya hebben die grot afgekeurd. Als Urgh zijn zin had doorgedreven en we daar wel waren gaan wonen waren wij na het schudden van de aarde allemaal dood geweest. De doorgang naar de grote grot was vrij krap en is nu helemaal geblokkeerd’. K’wan reageert niet op verhaal van Zan en loopt Urgh achterna.

Met zijn vijven lopen de mannen de een na de andere grot binnen. Bij het licht van een fakkel K’wan kijkt speurend rond. De laatste grot, het dichts bij de vuursteenknollen en houtopslag geniet zijn voorkeur. Niet vanwege de ingang die groot is waardoor weer en wind makkelijk binnen kunnen dringen maar vanwege de kleine derde gang die naar een kleine, pikdonkere grot leidt die achter de opslag grot ligt. Weer en wind hebben geen invloed op die grot. ‘Daar gaan wij slapen’, gebaren zijn handen. ‘Zou ik niet doen’, reageert Tak. ‘Die kleine grot loopt bij zware regenval een stukje onder water. Bovendien wordt de lucht in deze grot erg zwaar als er een klein vuur brandt. Als ik mocht kiezen ging ik voor de middelste grot van de middelste grot’. Ook dit keer reageert K’wan niet op de gemaakte opmerking. Tak en Zan kijken elkaar even verbaasd aan.

Weer boven op de weide loopt K’wan naar het vuur van Elm. Zijn handen vertellen de drie vrouwen over hun nieuwe woonstee, de kleine grot. Voordat een van de vrouwen kan reageren zegt Gaya, ‘In de grot slapen, wat is dat voor flauwekul Urgh? Deze mensen zijn onze gasten. Voor gasten is altijd plaats in de hutten’. Urgh gaat rustig zitten en dan zeggen zijn mond en handen ‘Ik heb K’wan de keuze gegeven. Verdeeld worden over de hutten of met z’n allen in een grot. Hij heeft voor dit laatste gekozen’.  ‘Zeg maar tegen K’wan dat C’roo en K’nd hier blijven, bij Marg. C’roo heeft niet voldoende voeding en hierboven kunnen Tas, Pew of Marg K’nd ook voeden’. De handen van K’wan flitsen. ‘Dit ga ik niet vertalen’, zegt Urgh, ‘Ik wil geen ruzie met mij vuurpartner. Maar weet dit K’wan, hier is het normaal dat de medicijnvrouw de beslissingen neemt die betrekking hebben op de gezondheid van bewoners en gasten’. Even lijkt het er op dat K’wan tegen wil sputteren, dan zeggen zijn handen ‘Goed, C’roo mag hier boven blijven slapen. Maar M’na, T’raa en ik slapen beneden in de grot’.

Na dit vertaald te hebben vraagt Urgh aan Yali en Yeti om slaapvachten en andere spullen voor de gasten bij elkaar te zoeken en samen met M’na en T’raa de grotten in te richten. De vier vrouwen lopen al snel beladen met vachten en ander gerei via het pad naar beneden. Bij de vierde grot aangekomen lopen de vrouwen naar binnen.  Yali laat de spullen die zij in haar armen heeft  vallen en pakt de brandende fakkel die Zan in de grond heeft. Drie vrouwen volgen haar voorbeeld. Dan loopt Yali in plaats van naar de kleine donkere grot aan de rechterkant naar de grote ruime en lichte grot aan de linkerkant. De drie vrouwen volgen haar. Verwonderd kijken de twee vrouwen van de Vroegere Stam naar het kleine, laaggelegen stroompje achter in de grot. Naar de verhoging die perfect is om als slaapplek dienst te doen. Naar de kleine vuurplaats die beschut wordt door een muurtje zodat weer en wind weinig invloed op het vuur kunnen uitoefenen. Naar het gat in datzelfde muurtje waar daglicht door naar binnen stroomt.

Wanneer Zan een uur later samen met K’wan het werk komt inspecteren is de slaapplek ingericht, brandt er vuur in de vuurplaats en staat er een kom kruidenthee te trekken. Op een richtel bij de vuurplaats staan lege kommen en een paar buidels met kruiden. Er ligt een stapel brandhout en wat extra fakkels. Voor K’wan iets kan zeggen seinen de handen van M’na: ‘Je hebt een goede keus gemaakt K’wan’. Dan legt Zan een hand op zijn schouder en zegt zachtjes, zodat de vrouwen het niet kunnen horen, ‘Zo gaat dat hier bij ons K’wan. De man neemt de beslissing en de vrouw beslist wat anders. Als je deel wilt uitmaken van dit dorp zou ik mij er maar bij neerleggen’. Knarstandend doet K’wan er het zwijgen toe terwijl Zan zich realiseert hoe wijs de beslissing van Urgh was om de leden van de Vroegere Stam niet meteen als dorpelingen op te nemen.


84. Een goed gesprek

Samen met Zan lopen de leden van de Vroegere Stam terug naar de weide. De etensgeuren die hen tegemoet komen vertellen hun maag dat het bijna etenstijd is. Marg wenkt de twee vrouwen om bij haar en C’roo te komen zitten. K’wan wacht op een soortgelijk teken en kijkt de kring vragend rond. Dan valt zijn oog op iets groot en grijs wat vanuit het struikgewas naderbij kruipt. Hij grijpt Zan bij zijn pols en wijst druk gebarend naar het roofdier. ‘Oh, dat ik Kleintje’, zegt Zan met zijn handen en zijn mond. ‘Kleintje is de vriend van Urgh en doet mensen geen kwaad. Ben maar niet bang. Kom, dan gaan we bij Urgh zitten. Kan je kennismaken met Kleintje’. Gedwee doet K’wan wat van hem gevraagd wordt al vraagt hij zich af waar hij terecht is gekomen. Zijn eerste teleurstelling die ontstaan is op het moment dat Urgh zei de beslissing over toetreden tot het dorp pas tijdens de zomerzonnewende te willen maken begint te wijken. Wellicht is het wel beter dat hij en de vrouwen hier niet blijven.

De dagen komen en gaan. De drie vrouwen lijken zich makkelijk aan te passen aan het leven in het huttendorp en zijn de gehele dag en een deel van de avond boven op de weide te vinden. C’roo is zover aangesterkt dat de kleine K’nd geen bijvoeding van een van de andere vrouwen meer hoeft te krijgen en de andere jonge moeders helpt met het verzorgen van de kleine kinderen. Ondanks het leeftijdsverschil en wat communicatieongemakken heeft M’na aansluiting gevonden bij de beide andere medicijnvrouwen in het dorp. Gedrieën gaan zij er op uit om geneeskrachtige kruiden te zoeken om er later medicijnen van te maken. Door Zen’s fascinatie voor T’raa is de jonge vrouw door Ani en Rin onder hun hoeden genomen en leren haar koken. Alleen K’wan laat zich minder en minder op de weide zien. Trekt zich terug in de grot of achter de pier op het strandje.

Het is daar dat Urgh hem vindt, twee dagen voor de viering van de lentezonnewende. Steunend op zijn krukken blijft hij voor zijn gast staan. ‘Is het goed dat ik even bij je kom zitten?’, vraagt hij. ‘Ik wil graag met je praten.’ Met een angstige blik op Kleintje knikt K’wan dat het goed is. Urgh gaat naast K’wan op de pier zitten, legt zijn krukken naast zich naar. Hij bukt zich om een steen op te rapen, trekt de aandacht van Kleintje die kwispelend om hem heen springt en zegt, terwijl hij de steen al ketsend het water in gooit ‘Zoek steen Kleintje’. De wolf rent achter de steen aan. ‘Die is wel even zoet’, gebaren de handen van Urgh. K’wan reageert niet, houdt zijn ogen op de handen van Urgh gericht en zijn oren gespitst om de terugkomst van de wolf te signaleren.

‘Over twee dagen vieren wij de lentezonnewende’, zegt Urgh. ‘Voor ons is dat een dag van samenzijn en eten om te vieren dat de voedselrijke periode is aangebroken maar als ik mij niet vergis betekent die dag voor jullie veel meer. Zijn er rituelen die die dag uitgevoerd moeten worden door de dorpswijze. Klopt dat?’ K’wan knikt nauwelijks zichtbaar van ja. ‘Zou jij die rituelen uit willen voeren zodat jullie de lentezonnewende kunnen vieren zoals jullie die behoren te vieren?’. Nu gaat het hoofd van K’wan met een ruk omhoog en kijkt Urgh verbaasd aan. ‘Ik dacht dat wij ons moeten aanpassen aan jullie tradities’, zeggen zijn handen. ‘Nee’, zegt Urgh vriendelijk, ‘Ik wil dat jullie je aanpassen aan ons leven dat is wat anders. Leven in dit dorp betekent bijdrage aan de welvaart van ons dorp. Meewerken. Zoals T’raa, M’na en C’roo al doen’. K’wan laat zijn hoofd hangen in de wetenschap dat hij nog niets heeft gedaan om bij te dragen aan de welvaart van het dorp. Hij zou niet eens weten hoe als hij heel eerlijk is. ‘Ik denk dat het voor de vrouwen makkelijker is’, vervolgt Urgh zijn verhaal. ‘Koken, kinderen verzorgen, kruiden zoeken en medicijnen maken is wat zij alle drie voorheen ook deden, voordat zij hier in het dorp kwamen. Het is iets wat zij begrijpen, herkennen. Het is vertrouwd en sluit aan bij hoe het leven bij de Vroegere Stam was. Vind je ook niet?’. Met die vraag heeft Urgh de aandacht van K’wan te pakken. ‘Het is zo anders’, zegt hij dan. ‘Jullie doen zo veel wat ik niet herken. Wat ik nooit geleerd heb. Wat zo ver afstaat van ons leven, onze traditie. Wonen in hutten, vrouwen die jagen, kleine kinderen leren omgaan met een slinger, vissen, zwemmen, de grond bewerken, dieren verzorgen, op een plek wonen. Jij praat niet eens dagelijks met de voorouders om zo de tradities in eren te houden terwijl mij is geleerd dat dat de belangrijkste taak van een dorpswijze is’. Urgh kijkt de kleine man voor hem vriendelijk, zelfs begrijpend  aan.

‘Dat is..’, begint hij zijn antwoord maar wordt gestoord door Kleintje die met een steen in zijn bek komt aanrennen, deze aan Urgh’s voeten laat vallen en zich begint uit te schudden.  Het water vliegt de twee mannen om de oren. Lachend duwt Urgh de wolf aan de kant. ‘Ga Zen zoeken’, zegt hij dan, ‘Ga maar naar Zen’. Met zijn tong uit zijn bek kijkt de wolf hem even aan, draait zich om en sprint over het strand weg, naar het pad, naar de weide, op zoek naar de kleine jongen.

‘Dat is wat ik ook geleerd heb’, zegt hij dan. ‘Zo heeft Ergh Elm ook opgevoed. Dat ik het anders doe komt door mijn leven. Mijn vader komt niet uit dit dorp, als kind was ik niet gewenst. Ik ben opgegroeid bij het vuur van de dorpswijze en de medicijnvrouw. Ik werd jager en wist al snel dat de dorpswijze en de voorouders ons regelmatig naar de verkeerde plekken stuurde om te jagen. Ik leerde ook dat er naar mij niet geluisterd werd omdat de kennis van de voorouders belangrijker was dan mijn kennis als jager. Na mijn ongeluk werd ik een leraar van kinderen en ik kwam er achter dat meisjes ook kunnen leren met een slinger of een werpspies om te gaan. Ik ging met een paar meisjes en de medicijnvrouw op pad en leerde nog meer over groentes en kruiden dan ik al wist. Ik leerde door schade en schande dat niet elke voorouder het goed met ons voor heeft. Een aantal van de mensen uit mijn oude dorp zijn door slechte voorouders bezeten geweest. Die ervaring heeft mij geleerd om mij steeds minder tot de voorouders te wenden en steeds meer te vertrouwen op mijn eigen verstand en het verstand van de mensen om mij heen. Je ziet wat dat zelf nadenken ons heeft gebracht’.  Hij knikt K’wan vriendelijk toe.

De kleine man kijkt hem even aan en zegt dan ‘Ik wil graag van je aanbod gebruik maken om de lentezonnewende volgens onze eigen tradities te vieren’. Dan zucht hij diep, slaat zijn ogen neer en zijn handen zeggen ‘En ik zal nadenken over wat je me verteld hebt al vind ik het moeilijk om het in al zijn anders zijn te snappen’. Met een ‘Dat is alles wat ik van je vraag K’wan’, pakt Urgh zijn krukken en staat op. ‘Kom, dan gaan we naar het vuur toe. Dan kan jij met M’na regelen dat zij voorouderdrank maakt’.

Een stapje dichter tot elkaar gekomen lopen de beide mannen over het strand via het pad naar de hutten. In gedachten zijn beide bezig met de voorbereidingen van de lentezonnewende en de nieuwe traditie die zal ontstaan uit het samen vieren.


85. De voorvaders van de Vroegere stam

De lentezonnewende begint goed. De zon doet haar best met haar stralen de hutbewoners en hun gasten te verwarmen. Met uitzondering van M’na en K’wan heeft iedereen zich rond het vuur verzameld. Tork heeft een kleine trom in zijn hand. Dan loopt M’na de weide op. Bij het vuur aangekomen gooit zij een handje kruiden in het vuur wat daardoor even fel oplaait. Tork begint zachtjes, in een rustig ritme, op de trom te slaan. De rook van het vuur geeft een weeïge geur af. Dan verschijnt K’wan aan de rand van de weide. Zijn kleine naakte lichaam en zijn haren zijn voorzien van een dikke laag rode modder. Op zijn gezicht, borst en rug is een grillig patroon in de modder getekend. Bij het vuur aangekomen neemt hij plaats tussen Urgh en Elm. M’na reikt hem een kleine kom met voorouderdrank aan die K’wan volledig leeg drinkt. In trance en met samengeknepen ogen kijkt de kleine man in de rook boven het vuur. Zijn handen liggen stil in zijn schoot. Langzaam verdikt de rook zich, vormen zich lichamen in de rook. Lichamen die door niemand anders dan K’wan worden gezien. K’wan’s handen beginnen te praten.

‘Ik K’wan heet de voorvaders welkom bij de viering van deze lentezonnewende’. De mannen van rook voor hem kijken hem stuurs aan. Alle vier hebben zij hun armen over elkaar geslagen voor de borst. ‘Ik K’wan ben blij jullie hier te zien, zo ver van jullie laatste rustplaats verwijdert’. Die vier mannen van rook kijken hem onbewogen aan. K’wan’s handen vallen stil in zijn schoot. Teneergeslagen en ontdaan kijkt hij naar de voorvaders. Waarom zeggen zij niets. Is de laag klei op zijn lijf niet dik genoeg? Heeft M’na de patronen van zijn stam niet goed getekend? Onder de dikke laag klei op zijn lichaam breekt hem het zweet uit. Vertwijfeld vraagt hij zich af of hij het welkom moet herhalen, uit moet breiden.

Dan ontvouwt de eerste voorvader zijn armen. ‘Onze laatste rustplaats is niet meer’. ‘Net als K’wan en zijn metgezellen zien wij ons genoodzaakt rond te dolen op zoek naar een nieuwe laatste rustplaats’, zegt voorvader twee. ‘In tegenstelling tot K’wan hebben wij niemand achter gelaten in onze zoektocht naar een nieuwe laatste rustplaats’, zegt voorvader nummer drie. Nummer vier kijkt K’wan strak aan en zegt dan ‘Wij, de voorvaders van K’wan, wensen ons niet te mengen met de voorvaders van de mensen van de Nieuwe Stammen’. De vier voorvaders slaan hun armen weer over elkaar. K’wan’s gedachten tuimelen over elkaar heen. Probeert de juiste woorden te vinden om op de voorvaders te reageren.

‘Ik Urgh heet de voorouders van K’wan van de Vroegere Stam welkom bij deze lentezonnewende viering in het dorp van Urgh. Het doet mij verdriet om de woorden van K’wan’s voorouders te horen’, hoort hij Urgh naast zich zeggen. ‘Geen enkele voorouder verdient het dat zijn laatste rustplaats verstoord wordt. Geen enkele voorouder zou een zwervend bestaan hoeven te leiden’.

Verwonderd kijken de vier voorvaders elkaar aan. Hoe is het mogelijk dat deze mens van de Nieuwe Stam hen kan zien, met hen kan praten. Als een man keren zij de omzittende de rug toe en gaan in overleg. ‘K’wan is niet alleen een lafaard maar hij heeft ook onze rituelen verkwanseld’, zegt voorvader drie. ‘Het is een schande’, zegt voorvader vier, “Dat hij leden van de Nieuwe Stam onze voorvaderdrank heeft laten drinken’. Voorvader twee draait zich even om en neemt Urgh vorsend op. ‘Zijn geest is anders dan de geest van K’wan’, zegt hij dan. ‘Ik geloof niet dat hij voorvaderdrank heeft gedronken’. ‘Uit zijn woorden klinkt eerbied voor de voorouders’, zegt voorvader een.

‘Hij laat vrouwen rond het vuur zitten’, zegt voorvader drie ‘En minacht daarmee onze rituelen’. ‘Hij praat met een stem’, zegt voorvader vier. ‘Stempraters zien ons als minderwaardig’. ‘Maar zijn handen spreken onze taal’, werpt voorvader twee tegen. ‘Hij behandelt K’wan niet als minderwaardig’, zegt voorvader een. ‘Zijn woorden zijn de woorden van een ware dorpswijze’, voegt voorvader een er aarzelend aan toe. ‘Hij is een mens van de Nieuwe Stam’, zegt voorvader vier, ‘Een indringer in onze stamgebieden. Hoe kan hij nu ooit een waar dorpswijze zijn’. Voor een van de andere voorvaders iets kan zeggen verschijnen er ineens twee vrouwenfiguren in het vuur. Onna en een vrouw van de Vroegere Stam. ‘Weg vrouwen’, gebaren de handen van voorvader vier. ‘Dit zijn mannenzaken. Jullie hebben hier niets te zoeken’. De kleine vrouw naast Onna krimpt in elkaar maar blijft dapper staan. Onna kijkt de vier mannen minachtend aan. ‘Wat zijn jullie voor voorouders?’, vragen haar handen en haar stem. ‘Hier een beetje staan bakkeleien over onbelangrijke zaken terwijl er gevaar dreigt voor onze nakomelingen’.

Zij keert de vier mannen de rug toe en kijkt Urgh aan. ‘Je dorp is in gevaar Urgh. De vier vrouwen hebben zich tijdens de laatste volle maan bij de voorouders gevoegd. De mannen van de stam bij de muur van water zijn vastbesloten de laatste drie ontsnapte vrouwen te vinden en hen mee terug te nemen naar hun dorp. Zij zijn nu in het oude dorp aangekomen en hebben het spoor hiernaar toe gevonden. Je hebt nog ongeveer een halve dag voor ze hier zijn’. Na dit gezegd te hebben slaat Onna de arm om de schouder van de kleine vrouw naast haar en samen verdwijnen zij uit het vuur. ‘Ik zei het toch’, zei voorvader vier, ‘Totaal geen respect voor rituelen’. Hij draait zich om en kijkt K’wan aan. Zijn handen beginnen woorden te vormen maar Tork, die bij het horen van de stem van zijn voormalig vuurpartner gestopt is met trommelen, gooit met een snel gebaar de nog volle grote kom kruidenthee op het vuur waardoor het vuur sissend dooft en de voorvaders van de Vroegere Stam in het niets verdwijnen en K’wan langzaam uit zijn trance komt.

‘Jullie hebben Onna gehoord’, zegt Urgh tegen de overige dorpsbewoners. ‘Waar ik al voor vreesde staat te gebeuren. Jullie weten wat je te doen staat’. Van alle kanten wordt er gemompeld en geknikt. Mensen staan op, vuren worden gedoofd. ‘Wij zullen verder trekken’, zegt K’wan, ‘Dan zijn jullie veilig’.

Urgh schudt zijn hoofd. ‘Nee K’wan. Jullie trekken niet verder. Jullie zijn onze gasten en als gasten hebben jullie net zo veel recht op bescherming als de dorpsbewoners. Zelfs voor we jullie tegen kwamen wist ik dat zoiets kon gebeuren en heb mijn plannen klaar. Maak je geen zorgen. Dankzij de waarschuwing van de voorouders hebben we een paar uur de tijd om die plannen ten uitvoer te brengen. Ga de modder maar van je gezicht en lijf wassen en meld je dan bij Marg in de grot. Zij zal je op de hoogte brengen van de plannen en je vertellen wat je wel en niet mag doen’. Zonder het antwoord van de kleine man naast hem af te wachten pakt Urgh zijn krukken, staat op en loopt richting de hut van Elm waar diverse mensen bezig zijn met het afbreken van de schapenkraal.

K’wan rest niets anders dan de opdracht van Urgh uit te voeren en zich te gaan wassen, zich onderwijl afvragend wat het plan van Urgh is.


86. Wij zijn de laatste overlevende

Eenmaal schoon en gewassen wordt K’wan de toegang tot de weide door Tas ontzegt. Zij dirigeert hem naar hun grot waar,  tot zijn verbazing, niet alleen de twee vrouwen van de Vroegere Stam die de grot met hem delen zich bevinden maar alle kinderen van het dorp, een aantal van de vrouwen, alle schapen en Kleintje.

Op de weide wordt ondertussen hard gewerkt door de daar aanwezige mannen en vrouwen, allen gekleed in hun oudste en vaak kapotte kleding. Drie van de vijf hutten zijn ontdaan van hun afdak, de vuurplaatsen zijn afgebroken zodat het net lijkt of er maar twee hutten op de weide staan. De kraal bij de hut van Elm is weggehaald. Er brandt nog slechts een vuur en wel voor de hut van Elm.  Dan verspreiden de jagers zich over het bos rondom de weide om er op die manier voor te zorgen dat de jagers tijdig worden gesignaleerd. Alleen Urgh, Elm, Azel en Yali zitten nog rondom het vuur. Op de rand staat een kom thee te trekken. Ernaast staat een kom waarin een heerlijk geurende stoofpot staat te pruttelen.

Het begint al af te koelen ten teken dat de zon weldra onder zal gaan wanneer Meuw vanuit haar schuilplaats hoog in de bomen de jagers ziet en middels de roep van de duif aangeeft hoeveel mannen er aan komen. ‘De dwazen’, mompelt Tork, ‘Ze hebben niet eens de moeite genomen zich te verspreiden’. Hij loopt tussen de bomen door, via het pad, de nieuwkomers tegemoet. Aan de rand van het bos blijven ze staan wachten tot de jagers bijna bij hen zijn. Dan stappen zij naar voren, het pad op. ‘Wie nadert het grondgebied van Elm, zoon van Ergh?’, vraagt Tork met luide stem. Verrast blijven de jagers staan, overleggen even. Een van hen stapt naar voren. ‘Mijn naam is Klif. Wij zijn de laatste overlevende van het dorp van Slik en op zoek naar een plek om te wonen’. Een eend kwaakt twee keer. ‘Welkom laatste overlevende van het dorp van Slik. Over wonen kan ik niet beslissen maar ik weet zeker dat Elm, zoon van Ergh, het goed vindt wanneer ik jullie uitnodig om ons avondmaal met ons te delen. Volg mij maar’. Met die woorden keert Tork de zes mannen de rug toe en begint te lopen. De zes jagers volgen hem op de voet.  Een kraai kraait een maal.

Al snel lopen Tork en de zes jagers de weide op, richting het vuur waar zich Krap, Flik en Krom zich bij de Urgh en de andere hebben gevoegd. Alleen hebben een kom dampende thee voor zich staan. Tegenover Elm staat Tork stil. ‘Elm, zoon van Ergh, dit zijn Klif en zijn mannen, de laatste overlevende van het dorp van Slik’. ‘Ik Elm, zoon van Ergh, heet Klif en zijn mannen welkom bij mijn vuur en nodig hen uit om onze maaltijd met ons te delen. Ga zitten, ga zitten’, nodigt hij de jagers uit. Met een handgebaar wijst hij elke jager een plek aan. Klif en zijn mannen zitten om en om met een bewoner van de weide. ‘Vrouw’, zegt Elm kortaf tegen Yali, ‘Schenk onze gasten thee in’. Gedwee schept Yali zes kommen thee vol en reikt met neergeslagen ogen elke jager een kom aan. Vanaf het pad betreedt Zan de weide. Naast hem lopen twee jagers. Zan en zijn metgezellen houden halt tegenover Elm. ‘Elm, zoon van Ergh, dit zijn Slak en Slim, de zonen van Slik’. Alsof hij vergeten is dat Klif en zijn vijf metgezellen net als de laatste overlevende van het dorp van Slik zijn genoemd zegt Elm, ‘Ik Elm, zoon van Ergh, heet Slak en Slim welkom bij mijn vuur en nodig hen uit om onze maaltijd met ons te delen. Ga zitten, ga zitten’. De beide mannen nemen plaats waarbij Zan zich tussen hen in nestelt. Weer wordt Yali bevolen thee in te schenken. Weer doet Yali gedwee wat er van haar gevraagd wordt. Klif en Slak wisselen een blik van verstandhouding uit. ‘Wat een stel sukkels’, lijkt hun blik te zeggen.

Dan verschijnt Tak samen met een oude man aan de rand van het bos. Ook hij stopt tegenover Elm. Terwijl hij zijn ogen over de nieuwkomers laat gaan zegt hij ‘Elm, zoon van Ergh, dit is Slik, dorpswijze van ons voormalige buurdorp’. ‘Ik Elm, zoon van Ergh, heet Slik, vriend van Ergh en dorpswijze van ons voormalig buurdorp welkom bij mijn vuur. Ik hoop dat ook jij thee en stoofpot met ons wilt delen. Neem plaats, neem plaats’. Slik neemt plaats naast zijn zoon Slim maar dan laat Tak zich tussen de twee mannen in op de grond zakken. Yali heeft dit keer niet gewacht op de opdracht van Elm maar meteen een kom vol met thee geschept en geeft deze aan Slik. Dan schuifelt zij achteruit en stoot de grote kom met het restje thee om. De thee valt sissend op het vuur. ‘Vrouw’, roept Elm en gooit een stuk hout naar haar, ‘Ga water halen en maak nieuwe thee zodat  Tork, Zan en Tak ook wat te drinken hebben’. Yali pakt snel de kom en rent jammerend weg. ‘Ik verontschuldig mij voor het domme gedrag van deze vrouw’, zegt Elm. ‘Kom, laat ons drinken op het weerzien van onze buren’. Hij pakt de kom thee die voor hem staat en neemt een flinke slok. De hutbewoners en de nieuw aangekomenen volgen zijn voorbeeld. Al snel zijn alle kommen leeg. Dan gaapt Azel zeer nadrukkelijk. Een voor een volgen de gasten zijn voorbeeld. Azel gaapt nogmaals. Klif, die tussen Elm en Tork zit, zit half te knikkenbollen en vecht tegen zijn slaap. Maar niet lang. Dan tuimelt hij zacht snurkend voorover. Slak ruikt onraad en probeert ondanks zijn plotselinge vermoeidheid op te staan maar de kruk van Urgh maait hem onderuit. Dan vallen zijn ogen dicht. Hij is de laatste die in slaap valt, de eerste die door Tak en Tork stevig vastgebonden wordt.

‘Dan zou ik nu wel wat stoofpot lusten’, zegt Urgh. Grinnikend loopt Azel over de weide naar het pad maar Yali heeft de vrouwen, kinderen en leden van de Vroegere Stam die zich in de grotten verborgen hielden al verteld dat de kust veilig is.  Ook Tas, Pew, Zoe, Meuw, Gaya en Marg die zich hoog in het bos hadden verstopt en middels vogelgeluiden de jagers hebben laten weten waar en hoeveel mannen er waren voegen zich bij de overige hutbewoners. ‘K’wan’, vraagt Urgh aan de kleine man die vol walging naar de gevangen kijkt, ‘Zijn dit de mannen die jullie gevangen hebben gehouden’. De kleine man knikt. ‘Dit zijn ze Urgh’, zeggen zijn handen. Aarzelend voegt hij er aan toe ‘Wat ga je met hen doen?’. ‘Dat hangt van hun gedrag en antwoorden af als ze wakker worden af’, zegt Urgh. ‘Maar dat duurt nog wel tot morgen tegen het middaguur’.

‘Als Gaya een slaapdrank maakt, dan doet zij dat goed’ voegt de lange man er met een brede grijns op zijn gezicht aan toe. ‘Nu gaan we eerst eten’.


87. K'wan's angst

K’wan beantwoord de grijns van de lange man voor hem niet. Hij is geschrokken van diens antwoord. Hoe kan Urgh ook maar overwegen de gevangen niet te straffen terwijl zij de dood van zijn stamgenoten op hun geweten hebben. Hij neemt een kom eten van Yali aan maar neemt geen hap, speelt met de kom in zijn handen. Het is Elm die zijn stemming lijkt te lezen en naast hem komt zitten. ‘Wat is er aan de hand K’wan?’. De kleine man van de Vroegere Stam geeft geen antwoord, blijft naar de grond voor zijn voeten staren. Elm laat hem even, neemt een paar happen en herhaald zijn vraag. ‘Wat is er aan de hand K’wan. Je zit ergens mee, dat is duidelijk’. K’wan aarzelt even, zet dan zijn kom neer en begint te praten. Urgh zegt dat hij nog niet weet wat hij met de gevangenen gaat doen. Dadelijk laat hij de mannen die mij en mijn stamgenoten verkracht, gemarteld en gedood hebben gaan. Omdat zij zijn zoals jullie en wij in jullie ogen anders zijn. Minder zijn’. Elm kijkt de kleine man naast hem bedenkelijk aan, bijt op zijn lip en vraagt dan ‘Wat vind jij van Tork?’. Zijn vraag slaat K’wan uit het veld. ‘Tork?’, reageert hij, ‘We hebben het niet over Tork. Ik heb het over de gevangenen’. ‘Toch wil ik weten wat jij van Tork vindt?’, dringt Elm aan. ‘Tork is een groot jager en wijs man’, antwoord K’wan. ‘Betrouwbaar. Maar wat heeft Tork met de gevangenen te maken?’

‘Misschien niets’, antwoord Elm, ‘Misschien alles’. K’wan kijkt hem verbaasd aan. ‘Blijf hier zitten’, zegt Elm en staat op. Als hij terugkomt loopt Tork achter hem aan. ‘K’wan heeft er moeite mee dat Urgh de gevangen eerst wil horen voordat hij beslist wat er met hen gaat gebeuren. Ik denk dat jij K’wan wel kunt uitleggen waarom hij dat doet’. Een donkere schaduw trekt over het gezicht van Tork. Met een kort knikje van zijn hoofd richting Elm gaat hij zitten. ‘Het was in de tijd voordat de dodelijke ziekte in ons dorp rondwaarde, in de tijd voor het schudden der aarden’, begint hij zijn verhaal. ‘Ergh, de vader van Elm was dorpswijze. Ergh was al op heel jonge leeftijd dorpswijze geworden. Zo jong, dat hij geen jacht ervaring had. Hij wist niets van goede en slechte jachtvelden, van afwisselend in andere gebieden jagen om het wild de kans te geven op sterkte te komen. Hij wist niet uit ervaring dat je in het voorjaar niet te veel dieren buit moet maken. Hij wist veel niet maar een ding wist hij wel: De jagers van het dorp hadden deze kennis wel en hoewel zij hem nooit openlijk tegenspraken en altijd uit het dorp vertrokken in de richting waarin Ergh hen stuurde gingen zij eenmaal buiten het dorp hun eigen gang. Ergh wist dit ook maar hij zei er nooit wat van. Tot een paar maanden voor het ongeluk van Urgh. Hij stuurde ons naar het Oosten, wij vertrokken om buiten het dorp af te draaien naar het Zuiden en daar stond Ergh ons op te wachten. Zijn ogen waren leeg, zijn gezicht vertrokken van woede. Hij begon te schelden en te tieren, riep dat wij om moesten keren en naar het Oostern moesten gaan. Dat hij het zou weten wanneer wij een andere kant op gingen en dat wij dan niet meer welkom in het dorp waren. Omdat dit een Ergh was die wij niet kende deden wij wat hij wilde en gingen naar het Oosten. Wij dachten dat wanneer wij met maar een beetje buit thuis zouden komen hij wel bij zou draaien. Wij hadden het mis. Hij werd alleen maar kwaad en schreeuwde dat wij niet hadden gedaan wat hij had gezegd, dat het onze schuld was. Er viel niet meer te praten met hem. Onze medicijnvrouwen, Nana de vuurpartner van Ergh en Onna de dochter van Ergh, probeerde hem tot reden te brengen maar zij moesten hun mond dichthouden. Sinds wanneer luisterde een dorpswijze naar vrouwen? Zelfs Urgh, het oudste kind van zijn dochter en ooit zijn favoriet, viel in ongenade. Het ging van kwaad tot erger met hem. Maar niet alleen met hem. 

Op een dag, tijdens de jacht, werd ik overvallen door de gedachten dat ik een hele goede dorpswijze zou zijn. Een veel betere dan Ergh ooit geweest was. Die dag verwonde ik met mijn werpspies mijn broer Zan. Een ongeluk zei ik, maar diep van ik wist wel beter. Ik was begonnen met het uit de weg ruimen van mogelijke kandidaten voor het dorpswijze-schap. Toen de jagers naar huis gingen bleef Urgh samen met mijn broer achter. Weer een kandidaat minder. Eenmaal terug in het dorp wist ik dat ik snel moest handelen. Maar het was al niet meer nodig. Tijdens een wandeling was Ergh in een ravijn gevallen. Hoewel zijn lichaam herstelde van de valpartij was zijn geest verdwenen. De voorouders zouden een nieuwe dorpswijze kiezen. Alle mannen zaten rond het vuur. Tot mijn tevredenheid viel de een na de andere goede jager af. Uiteindelijk zaten er nog drie mannen rond het vuur. Azel, Elm en ik. Daar vertelde zij dat hun voorkeur uitging naar Urgh maar omdat hij er niet was werd Elm voorlopig dorpswijze. Na de dood van zijn vader zouden zij een definitieve keus maken.

Tijdens de volgende jachtpartij raakte Urgh door mijn toedoen zwaar gewond. Een deel van mij was ontzet, een ander deel was tevreden. Weer een tegenstander minder. Alleen, Urgh ging niet dood. Eenmaal terug in het dorp probeerde ik mijn vuurpartner Onna te overtuigen van de slechtheid van Urgh, Dat het beter was dat hij zou sterven. Met een lege blik in de ogen gaf zij mij gelijk en mengde een dodelijk kruidenmengsel voor Urgh. Uiteindelijk was zij het die de kom leegdronk in een poging mij bij zinnen te brengen. Dat lukte. Ik werd weer mijzelf. Ik leidde jachtpartij na jachtpartij en dacht niet meer aan het dorpswijze-schap. Tot de nacht dat Ergh stierf. Het leek of er een donkere mist over mijn geest trok en ik ging totaal door het lint. Urgh, Azel en Zan waren niet in het dorp en in een vlaag van gekte probeerde ik Elm te doden zodat ik de enigste kandidaat voor het dorpswijze-schap zou zijn. Nana gaf de overige jagers de opdracht mij het dorp uit te jagen en er voor te zorgen dat ik niet op tijd voor de voorouders zou kunnen verschijnen zodat zij mij niet zouden kunnen kiezen. Ik wist dat als ik die nacht uit handen van de jagers zou kunnen blijven ik gewonnen had. Dat de voorouders naar mij zouden komen. Dat hadden de voorouders, nou ja, een vage voorouder, mij zelf verteld. Die voorouder leidde mij ook.

Het was al ver na middernacht toen mijn plan leek te mislukken. Urgh, Azel en Zan verschenen op de vlakte voor het dorp. De jagers onthaalde hen als helden en begeleidde hen het dorp in. Urgh raakte wat achterop en ik zag mijn kans schoon om hem te doden. Dat dat niet lukte kwam doordat de voorouder die mijn geest had overgenomen niet op vrouwen lette. Tas sloeg mij bewusteloos en redde het leven van Urgh. De voorouder verliet mijn geest. Toen ik bijkwam was ik mijzelf weer en schaamde mij diep. Vooral toen Nana besloot dat ik ook rond het vuur moest zitten waar de nieuwe dorpswijze gekozen werd. Ik werd door de voorouders afgewezen als dorpswijze en dat was goed. Ught weigerde dorpswijze te worden waardoor Elm het mocht blijven’. Met een wrang lachje rond zijn lippen stopt Tork zijn verhaal. ‘De voorouder nam toen mijn geest over’, zegt Elm zachtjes, ‘En ik herhaalde alle fouten van mijn vader en van Tork, en maakte ook nog een aantal nieuwe fouten. Niet omdat ik het wilde, maar omdat ik toen niet genoeg kracht had om te vechten tegen de invloed van de voorouder. Nu heb ik die kracht wel, maar ik weet wat het is onder invloed van een foute voorouder te staan. Mijn grootste fout’, zegt Elm moeizaam slikkend, ‘Was wel Marg en een hoogzwangere Pew door Tork het dorp uit te laten jagen. De geest zei dat beide vrouwen dood moesten. Dat zij slecht waren voor het dorp. Tork, die zelf een tijdje onder invloed van die voorouder heeft gestaan heeft mijn bevelen in de wind geslagen en de vrouwen in veiligheid gebracht. Daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor. Net zo goed als dat ik Urgh dankbaar ben dat hij Tork en mij een tweede kans heeft gegeven’.

K’wan kijkt beide mannen voor hem verbijsterd aan. ‘Ik kan niet geloven dat jullie zulke slechte dingen hebben gedaan’, zegt hij dan. ‘Net als de gevangenen. Maar toch is het anders. Jullie stonden onder invloed van een kwade voorouder’. ‘Ja’, zegt Tork, ‘Wij stonden onder invloed van een kwade voorouder. Maar wat als een of meer van deze mannen ook onder invloed van een slechte voorouder staan. Verdienen zij dan een tweede kans of niet?’. Hulpeloos kijkt K’wan van de een naar de ander, terwijl zijn gedachten over elkaar tuimelen.


88. Het verhoor

In de loop van de ochtend worden de negen gevangen uit de hut waar zij de nacht hebben doorgebracht versleept naar het vuur. Allen zijn aan handen en voeten gebonden. De zon staat al op haar hoogtepunt wanneer de eerste gevangene een teken van leven vertoont. Het is Klif. Moeizaam gaat hij overeind zitten en kijkt om zich heen. Buiten zijn gebonden dorpsgenoten is er niemand te zien. Hij vloekt zachtjes, dan wat harder.  ‘ELM!’, gilt hij, ‘Vuile verrader. Kom hier en laat je gezicht zien. Wat is dit voor gastvrijheid. Ik roep de toorn van de voorouders over jou en je mannen uit als je niet heel snel komt!. Wacht maar tot ik los ben. Ik wurg je met mijn blote handen’. Woest probeert hij om los te komen maar de leren riemen om enkels en polsen zitten te strak en gaan met elke beweging strakker zitten. Klif laat zich op zijn zij vallen en schuifelt zo naar Pol die vlak bij hem ligt. Venijnig schopt hij de jonge jager met beide voeten in de ribben. ‘Wakker worden kneus en knaag mijn boeien door’, grauwt hij. Pol reageert niet. Klif haalt nogmaals uit. ‘Laat dat Klif’, hoort hij Slik zeggen. ‘We moeten samenwerken om te ontsnappen. Niet elkaar afmaken’. ‘Houd je bek oude man’, grauwt Klif. ‘je vergeet wie er tegenwoordig dorpswijze is’. ‘Dat ben jij’, zegt een andere stem, ‘Maar misschien is het beter dat deze mensen denken dat Slik nog steeds dorpswijze is. Wie weet kan hij ons los praten. Of in ieder geval uitvinden waarom wij gevangen genomen zijn’. ‘Houd je kop Krek. Ik ben dorpswijze en ik eis genoegdoening. Niet die oude man of jij, een nog oudere man’.

Voor Klif nog meer kan zeggen verschijnt er een kreupele man op de weide. Moeizaam, zwaar leunend op zijn krukken, één been achter zich aan slepend strompelt de man naar het vuur en gaat daar voorzichtig zitten. ‘Ah’, zegt hij vriendelijk, ‘Jullie zijn wakker. Hebben jullie goed geslapen?’. ‘Wat is dit voor dorp, dat ze kreupele mannen in leven laten?’, schampert Klif. ‘Ga onmiddellijk die vuile verrader van een Elm halen’. ‘Elm is geen verrader’, antwoord de kreupele man rustig. ‘Hij heeft ons de gastvrijheid van een dorpswijze aangeboden en vergiftigt’, snauwt Klif, ‘Dan ben je in mijn ogen een onwaardig dorpswijze en een leugenachtige verrader’. ‘Nee’, antwoord de kreupele man, ‘Elm heeft jullie de gastvrijheid van Elm, zoon van Ergh aangeboden, niet de gastvrijheid van een dorpswijze. Dat hebben jullie zelf bedacht’. Als antwoord probeert Klif hem in zijn gezicht te spuwen maar dat mislukt’. ‘Wie van jullie is de dorpswijze?’, vraagt de kreupele man terwijl zijn ogen zoekend over de gezichten voor hem gaan. ‘Ik’, zeggen Slik en Klif tegelijkertijd. ‘Wat heb ik je nou gezegd oude man’, grauwt Klif. ‘Houd je mond dicht, ik doe hier het woord’. Hij wendt zich tot Urgh. ‘Rot op jij, laat hier een echte vent komen om mee te praten, want met een kreupele wiens keel doorgesneden hoort te worden praat ik niet’. Urgh negeert de woorden en wendt zich tot Slik. ‘Jij bent Slik, voormalig dorpswijze van het dorp onder de berg’. De oude man knikt. ‘Vertel eens over de ziekte?’, vraagt Urgh. ‘Houdt je mond dicht, oude gek’, roept Klif voordat Slik iets kan zeggen. Met samengeknepen ogen kijkt Urgh Klif strak aan. ‘Dat dacht ik al’, zegt hij dan waarna hij zijn aandacht weer op Slik richt. ‘De ziekte, vertel eens’. Slik haalt zijn schouders op en zegt met vlakke stem: ‘Toen de eerste mensen ziek werden ben ik met mijn vuurpartner , onze dochters en hun zonen Felt en Kelp gevlucht’. Al snel bleken de vrouwen ziek te zijn dus hebben de jongens en ik hun bij de kleine bron achtergelaten om te sterven en zijn verder getrokken. Na het schudden van de aarde kwamen we dorpswijze Klif en zijn mannen tegen. Op voorspraak van Slak en Slim mochten wij ons bij hen aansluiten. Zij waren op weg naar een tijdelijk kamp aan de rivier. Daar wonen we nu al een aantal winters’. Urgh zegt niets en kijkt de oude man even aan en laat dan zijn blik over diens kleinzoons gaan. In tegenstelling tot Felt die zijn blik onverschrokken beantwoord wendt Kelp zijn ogen beschaamd af.

Urgh steekt een hand in de lucht. De mannen die de avond ervoor samen met hem rond het vuur zaten voegen zich bij hem. Als laatste komt K’wan te voorschijn en gaat naast Urgh zitten. ‘Wat doet dat beest hier?’, vraagt Slak. ‘Zitten wij vastgebonden vanwege dat beest. Die lafaard die vluchtte terwijl wij ons vermaakten met zijn vrouwen!’. Geen van de weidebewoners reageert op zijn woorden. ‘Stil nou’, sist Slim tegen zijn broer, “Dat beest kan niet praten, ze weten niets over de vrouwen’.

‘Wij weten alles over de vrouwen’, reageert Elm. ‘Zelfs als K’wan en de vrouwen niet hadden kunnen praten hadden wij geweten wat er met hun gebeurt is. Zij zijn geen beesten, jullie zijn de beesten in deze’. ‘Jij hebt helemaal niets te zeggen’, reageert Klif. ‘Jij verwelkomt ons als gasten aan het vuur van de dorpswijze en zet ons gevangen. Dat is tegen de regels. Tegen de traditie. De voorouders zullen je hiervoor straffen’. Elm grinnikt. ‘Ik heb jullie welkom geheten aan het vuur van Elm, zoon van Ergh, ‘Niet aan het vuur van de dorpswijze. Dat jullie daar wel plaats hebben genomen kan ik niet helpen. ‘Dat’, en hij wijst naar het kleine vuur aan de linkerkant, ‘Is het vuur van Elm. Dit is het vuur van Urgh, onze dorpswijze’.
‘Laat die Urgh zich dan maar eens bekend maken’, roept de oudste van de jagers. ‘En laat hem dat kreupele wijf wegsturen’.
‘Mijn naam’, zegt het ‘kreupele wijf’, ‘Is Urgh, dorpswijze van het huttendorp. Ik heb voldoende gehoord om te beslissen wat ik met jullie ga doen’.  Met een knikje naar zijn mannen staat hij op. ‘Tork, Zan, Tak en Krom, brengen jullie Slik, Klif, Slak en Slim naar de hoge klif voorbij de inham’. De vier mannen knikken. Elk snijdt bij een van de mannen de riemen rond de enkels los en de gevangen worden omhoog gesjord en gedwongen mee te lopen naar de klif, ver buiten het zicht van het dorp.

Urgh kijkt de vijf overgebleven mannen voor hem aan. Krek, de oude jager, spuugt naar hem. ‘Azel en Flik, willen jullie de oude jager en die ene kleinzoon van Slik ook naar de klif brengen? Ik loop met jullie mee’. Met die woorden staat Urgh op en loopt samen met Azel, Flik en de gevangen naar de klif, bij het dorp vandaan.

Nu zitten alleen Elm en K’wan nog bij het vuur met tegenover hen drie angstige mannen. ‘Wat gaat er met ons gebeuren?’, vraagt de oudste van de drie. ‘Hoe heet je’, vraagt Elm hem. ‘Durk’, zegt de man. ‘Wat is jouw verhaal?’, vraagt Elm. De man kijkt hem verbaasd aan. ‘Hoe bedoel je, mijn verhaal?’, vraagt hij onzeker. ‘Je weet wat er gebeurt is deze winter’, antwoord Elm. ‘En daarvoor’, en hierbij wijst hij met zijn hoofd naar Pol en Kelp. ‘Wat was jouw aandeel’. Verbaasd kijkt Durk hem aan. ‘Hoe weet jij dat?’, vraagt hij. Zonder het antwoord af te wachten zegt hij ‘Een paar maanden na het schudden van de aarde besloot Klif dat bij gebrek aan vrouwen een baardeloze jongeman ook geschikt was om aan zijn gerief te komen. Hij liet zijn oog op Kelp, mijn zoon, vallen. Felt, zelf nauwelijks meer dan een baardeloze jongeman volgde zijn voorbeeld en vergreep zich aan Pol. De andere… De een na de ander ging overstag… Ondanks de druk van de andere mannen heb ik er nooit aan meegedaan… Maar toen van de winter de leden van de Vroegere Stam ons kamp binnen liepen…. ‘. Hij doet er even het zwijgen toe.. en maakt dan zijn zin af. ‘Toen heb ik mij ook misdragen…’. De man kijkt beschaamd naar de grond. ‘Ik schaam mij diep. Mijn grootmoeder was een vrouw van de Vroegere Stammen. Breng mij ook maar naar de klif en laat mij mij straf ondergaan’.

‘Daar beslis ik niet over. Dat is aan Urgh als hij weer terug is..’. Met die woorden is voor Elm het gesprek voorbij. ‘Tijd voor thee’, zegt hij en wenkt de vrouwen en kinderen die aan de rand van de weide staan te wachten om dichterbij te komen. Net wanneer hij een kom thee inschept klinkt er in de verte een kreet die door merg en been gaat.


89. De ijselijke kreet

‘Waarom nemen jullie orders aan van een kreupel wijf?’, vraagt Klif de vier jagers die hem en zijn drie dorpsgenoten naar de hoge klif begeleiden. ‘Urgh is onze dorpswijze’, antwoord Zan simpel. ‘Nou en?’, snauwt Klif. ‘Jullie zijn sterke jagers. Als een van jullie Urgh de keel doorsnijdt zal niemand van de dorpelingen iets zeggen en diegene gewoon als dorpswijze accepteren’. ‘Waarom zouden wij dat willen?”, vraagt Tak. ‘Iedereen weet dat jagers de beste dorpswijze maken’, antwoord Klif. ‘Als het aan die ouwe had gelegen, waren we na het schudden van de aarde allemaal van de honger omgekomen’. Met zijn hoofd wijst hij richting Slik die hem met een venijnige blik in de ogen aankijkt. ‘Urgh is een jager’, reageert Tork op vlakke toon, ‘En zelfs nu hij kreupel is nog steeds een van de beste’. Klif, die met gebonden handen naast hem loopt kijkt even opzij en struikelt over een steen. De hand van Tork die al die tijd zijn bovenarm vast heeft gehouden laat hem lost en hij valt languit voorover op het pad. Tork en Zan lichten hem aan zijn armen op zodat hij verder kan lopen. ‘Bovendien is Urgh een wijs man’, doet Krom een duit in het zakje. ‘Sinds hij onze dorpswijze is hebben we geen honger meer gehad. Zijn er geen kinderen meer gestorven. Geen jachtongelukken meer gebeurt’. Klif blijft verbaasd stil staan waardoor de andere drie gevangene tegen hem aanlopen. ‘Hoe lang is hij jullie dorpswijze’, vraagt Slak gebiedend. ‘Winter of zes’, antwoord Zan. ‘Al van voor het schudden van de aarde al waren we toen nog niet met zovele. Eerst hebben Elm en de overlevende van het dorp zich bij ons aangesloten en sinds een paar manen wonen de leden van de Vroegere Stam bij ons’.

Tork pakt Klif bij de arm en zegt ‘Doorlopen, en let op waar je je voeten neerzet, dadelijk lig je weer op je gezicht’. Klif en de andere beginnen weer te lopen. Het pad loopt langzaam omhoog. Dan zijn ze voorbij de laatste bomen en kijken over de rivier uit. ‘Waarom moeten we hier naar toe?’, vraagt Slik. ‘Mooie hoge klif’, antwoord Tork, ‘Pal boven scherpe rotsen en water’. Wat denk je zelf?’ Slik geeft geen antwoord.

‘Stop hier maar’, zegt Zan, wanneer er nog een meter of 10 tussen de mannen en de rand van de klif zit. Dan wachten we hier tot Urgh en de rest hier ook zijn’. Tork laat de arm van de gevangene naast hem los; de drie andere jagers volgen zijn voorbeeld. De vier gevangene blijven staan waar ze losgelaten zijn. Maar niet lang. Het is Klif die  een paar passen zet en goed om zich heen kijkt. Met zijn handen op zijn rug gebonden moet hij voorzichtig zijn om niet weer te vallen. Zijn oog valt op een groot rotsblok. Als hij daar in de buurt kan komen kan hij proberen de leren riemen die zijn polsen bij elkaar houden proberen door te schuren. Behoedzaam kijkt hij om zich heen. De vier jagers lijken niet op hem en zijn dorpsgenoten te letten, maar kijken alle vier richting het pad waarlangs zij net naar deze plak zijn gelopen. In de verte hoort hij Krek klagen. Zo onopvallend mogelijk loopt hij om de rots heen en laat zich dan voorzicht op de grond zakken. Zijn gebonden handen voelen al snel een scherpe rand en hij begint te schuren waarbij niet alleen het leer van de riemen regelmatig langs de scherpe rand glijden maar ook zijn vel. Al snel voelt hij het bloed langs zijn polsen stromen. Verbeten schuurt hij verder. Dan voelt hij de riemen losser worden en zijn zijn handen vrij. Hij wrijft zijn polsen en richt zich dan een stukje op om langs de rots naar de mannen die aan het einde van het pad staan te kijken. Niemand kijkt zijn kant op. Klif staat op en sluipt naar het smalle pad wat hij aan de rand van de klif heeft ontdekt. Het is bijna niet zichtbaar, verdwijnt bijna meteen tussen de struiken. Met een zucht van verlichting bereikt hij de struiken, kijkt nog eenmaal over zijn schouders naar het gezelschap aan de andere kant van de kleine weide, draait zich om en ziet Urgh voor hem op het pad staan. De ogen van Klif flitsen op en neer. Hij ziet de lamme jager voor hem staan, zwaar steunend op zijn krukken, zijn mes in zijn gordel. Als hij de man over de rand duwt staat hem niets meer in de weg om dorpswijze van een echt dorp te worden. Met een vlugge beweging duikt hij op Urgh af. De lamme jager ontwijkt hem behendig door een stap naar links te doen. Alleen zijn rechterkruk blijft staan waardoor Klif struikelt en met een ijselijke kreet van de klif op de rotsen onder hem valt. Al stuiterend verdwijnt zijn lichaam in het water waar de snelle stroming hem meesleurt, ver weg van het dorp aan de rivier.

‘Ik denk niet dat Klif dit in gedachten had toen hij ontsnapte’, zegt Tas, die naast haar halfbroer is verschenen. ‘Nee’, antwoord Urgh, ‘Maar dit maakt mijn werk wel makkelijker. Ik blijf het moeilijk vinden iemand die onder invloed van de kwade geest van een voorouder staat te doden’. Samen kijken ze nog even over het water uit maar het lichaam van Klif komt niet meer naar boven.  Terwijl broer en zus zich omdraaien om naar de kleine open plek boven aan de hoge klif horen zij snelle voetstappen hun kant opkomen. Wanneer Tas de struiken opzij duwt zien zij nog net hoe Felt, kleinzoon van Slik, zo over de rand van de klif rent. Zijn dood tegemoet. 


90. Het vonnis

Urgh’s blik valt op de vier overgebleven gevangen. De angst voor wat er komen gaat staat op hun gezicht te lezen. Terwijl hij samen met zijn halfzuster dichterbij loopt blijft de blik van Urgh van de een naar de andere gaan, op zoek naar meer dan angst. Naar schuldgevoel. Naar wroeging. Als Slim en zijn zonen al iets van dit voelen dan weten ze het goed te verbergen.  Ook Krek vertoond geen enkele tekenen van wroeging. Zijn gezichtsuitdrukking verandert langzaam van angst naar woede. ‘Jij hebt mijn zoon vermoord. Mijn zoon, die onder invloed stond van de kwade geest van een voorouder. Mijn zoon, die zichzelf niet was. Jij hebt hem vermoord!’. De woorden van krek klinken steeds harder, feller, bozer. Urgh geeft geen krimp, kijkt de oude man voor hem strak aan. ‘Ik heb je zoon niet vermoord’, antwoord hij dan. ‘Was hij het pad niet opgegaan, had hij niet geprobeerd mij van het pad te duwen, was hij nu nog in leven. Dat hij dood is komt door zijn eigen acties. En door jou!’, voegt Urgh er boos aan toe. ‘Als jij wist dat hij onder invloed van de kwade geest van een voorouder stond, waarom heb je hem dan niet geholpen om van die geest af te komen?’ De oude man voor hem kijkt hem woedend aan maar geeft geen antwoord. ‘Nou?’, vraagt Urgh nogmaals. ‘Waarom heb je hem niet geholpen? Zo ver ik het kan bekijken heb je de kwade geest juist aangemoedigd. Vond je het wel leuk dat jouw zoon zoveel macht kreeg dat alle mannen, zelfs Slim en zijn zonen, bang voor hem waren. Bang voor jou waren’. Het lijkt er op dat Krek nog wat wil zeggen maar hij doet er het zwijgen toe.

‘Ik eis dat je ons vrij laat’, zegt Slik dan ineens. ‘Alles wat mijn zoons en ik hebben gedaan hebben wij gedaan uit angst voor Klif en zijn vader’. ‘Zo is het’, valt Slak hem bij. ‘Wij konden niet anders’. Slim kreunt even maar zegt niets, kijkt naar de grond voor Urgh’s voeten. ‘Jij, zegt Urgh kil, ‘Hebt je taak als dorpswijze verzaakt door samen met je vuurpartner, je dochters en hun zonen, het dorp te ontvluchten toen de ziekte uitbrak. Jij hebt je taak als vuurpartner en vader verzaakt door de vrouwen alleen te laten om te sterven. Jij hebt je taak als grootvader verzaakt toen jij toestond dat Klif en de andere mannen zich aan jouw kleinzoon vergrepen. Jij hebt je taak als man en mens verzaakt toen jij toestond dat Pol, K’wan en de vrouwen van de Vroegere Stam verkracht en mishandeld werden. Jij hebt geen recht van spreken’.

‘Jullie’, vervolgt Urgh zijn betoog terwijl hij zich tot Slak en Slim wendt, hebben je vrijwillig bij Klif aangesloten. Jullie hebben, net als Krek, je vader, de andere mannen, niets gedaan om Klif tegen te houden. Jullie zijn niet tegen hem in gegaan, hebt hem niet uitgeschakeld. Hebt gewoon meegedaan met zijn misdaden. Zelf misdaden begaan uit naam van Klif. Jullie vier verdienen de dood meer dan dat Klif de dood verdiende’.  Na deze woorden doet Urgh er het zwijgen toe, kijkt de mannen voor hem strak aan. Het is Slim die als eerste iets zegt. ‘Je hebt gelijk, wij verdienen het niet om te leven’. Het wendt zich een kwartslag en zet een stap richting de klif. Zijn pad wordt door Tork en Zan verspert. ’Nee Slim’, zegt Urgh, ‘Zo gemakkelijk kom je er niet van af’. ‘Hoe ga je ons dan ombrengen?’, vraagt Slak.
Urgh kijkt hem strak aan. ‘Ik ga jullie niet ombrengen’, antwoord hij dan. ‘Niet hier, niet nu. De rotsen hier beneden hebben vandaag genoeg bloed geproefd. Jullie worden verbannen van de oevers van deze rivier. Mocht een van jullie ooit nog een voet op het grondgebied van het dorp van Urgh zetten, zal die persoon ter plekke sterven. Dat is mijn vonnis. Blinddoek hen en breng hen weg’, eindigt hij zijn vonnis. Dan keert hij de vier mannen de rug toe. ‘Kreupel wijf’, gilt Slak, ‘Wij zijn niet bang voor jullie voorouders. Wij komen terug en pas dan maar op. Dan is geen vrouw veilig. Dan ben jij niet veilig’. Urgh negeert het geschreeuw achter hem en loopt rustig naar het pad wat hem terug naar het dorp leidt.

Vijf minuten laten zijn de vier mannen niet alleen voorzien van een blinddoek maar maakt een prop leer in hun mond hen het spreken ook onmogelijk. Elke man wordt door twee mannen van het dorp vastgepakt en via een veilige route naar het strand begeleidt.  Twee aan twee vastgebonden worden de mannen in een drijfboom gezet en begint hun reis naar het oord van hun verbanning. Het gevoel te bewegen zonder dat zij lopen, zonder dat zij gedragen worden, zonder dat zij iets kunnen zien maakt de mannen half gek van angst. Niet in staat te praten draaien hun gedachten rondjes. Wordt hun angst over wat er gaat gebeuren groter en groter.

Tork en Zan en de overige zes mannen sturen de beide drijfbomen zwijgend schuin stroomafwaarts, richting een zijtak van de rivier aan de overkant. Het wordt avond, het wordt nacht, maar beide drijfbomen varen rustig verder, steeds verder bij het huttendorp vandaan. Pas wanneer de zon weer opkomt zijn Tork en Zan tevreden en leggen aan. De vier gevangenen worden nog steeds geblinddoekt en gekneveld van boord gebracht. De hutbewoners stappen weer terug in de drijfboom. Alleen Zan staat nog op de oever. In zijn hand heeft hij vier kleine, scherpe stenen. Zonder iets te zeggen legt duwt hij elke gevangenen een steen in de achter zijn rug gebonden handen’. Dan stapt ook hij in de drijfboom en beginnen de acht mannen aan hun reis terug naar het huttendorp. Zij verbreken hun zwijgen pas wanneer de plek waar zij de vier mannen hebben achtergelaten meer dan zes bochten in de zijarm van de rivier van hen verwijdert is. ‘Zullen zij het overleven?’, vraagt Krom. ‘Als zij gaan samenwerken wel’, antwoord Tork en haalt zijn schouders op, ‘Zo niet, dan geef ik ze weinig kans’. ‘En die andere drie?’, vraagt Krom, ‘Wat gaat er met hen gebeuren?’. ‘Dat is aan Urgh’, zegt Tork. ‘Daar komen we wel achter wanneer we weer thuis zijn.

Het  schemert al wanneer de acht mannen weer terug zijn in het dorp en bij de overige bewoners en leden van de Vroegere Stam aanschuiven. Van de drie laatste mannen die met Klif naar het dorp zijn gekomen zien zij geen spoor. Naast het eten ruiken zij de onmiskenbare geur van voorouderdrank en vragen zich af wat er staat te gebeuren. Wanneer zij zitten neemt Urgh het woord. ‘Toen K’wan en de vrouwen van de Vroegere Stam hier aankwamen heb ik hem als antwoord  op zijn vraag of zij onderdeel van dit dorp mochten worden gezegd dat hij zijn vraag tijdens de zomer-zonnewending mocht herhalen. Dat ik dan zou beslissen. Voordat Tak met de andere meeging om de bannelingen weg te brengen heeft hij Pol, zijn zusterszoon, en diens twee metgezellen als dorpelingen voorgedragen. De traditie wil dat het volledige dorp hier tijdens de eerstkomende zonnewende-viering over beslist. Wat K’wan dan gaat vragen weet ik niet. Wat ik wel weet is dat een familie-aanspraak voor een niet familie-aanspraak gaat en hij en de vrouwen dus niet mee mogen beslissen over het blijven van Pol en de anderen’.

Na deze woorden ziet hij de gezichten van K’wan en de drie vrouwen betrekken. Snel vervolgt hij zijn verhaal. ‘Daarom heb ik besloten dat K’wan zijn vraag niet pas tijdens de zomer-zonnewende mag stellen maar nu al, tijdens het laatste stukje van de lente-zonnewende’. Hij knikt de kleine man die schuin tegenover hem zit vriendelijk toe. ‘Daarom staat de voorouderdrank er. Zodat jij zoals de traditie dat van jou verwacht nog met hen kunt overleggen over wat je gaat vragen’. Gaya staat op, pakt de kom met voorouderdrank en geeft deze aan de kleine man die de kom aarzelend aanneemt. De drie vrouwen, die van hem het eerste standpunt van de voorouders over hun verblijf in het huttendorp hebben gehoord, kijken hem gespannen aan. Gaat K’wan in overleg met de voorouders, of breekt hij met de traditie en neemt hij zelf een beslissing?

91. K'wan's keuze

Gaya staat op, pakt de kom met voorouderdrank en geeft deze aan de kleine man die de kom aarzelend aanneemt. De drie vrouwen, die van hem het eerste standpunt van de voorouders over hun verblijf in het huttendorp hebben gehoord, kijken hem gespannen aan. Gaat K’wan in overleg met de voorouders, of breekt hij met de traditie en neemt hij zelf een beslissing?

Peinzend kijkt K’wan van de kom voorouderdrank in zijn hand naar de drie vrouwen. Het weet wat zij willen. Zij willen in het huttendorp blijven waar zij zich veilig en thuis voelen. De kom in K’wan’s hand zakt een beetje scheef en er druppelt wat voorouderdrank op de grond. Hij volgt de druppels met zijn ogen en neemt een beslissing. Met een snel gebaar zet hij hij de kom aan zijn lippen en neemt een flinke teug. Dan wenkt hij M’na om dichterbij te komen; biedt haar de kom aan. Middels het schudden van haar hoofd geeft M’na aan niet aan zijn verzoek gehoor te geven. K’wan zet de kom voorouderdrank op de grond bij zijn voeten, haalt diep adem en kijkt dan in de rook boven het vuur voor hem. Langzaam verdikt de rook zich en verschijnen de voorouders in het vuur. ‘Ik K’wan heet de voorvaders welkom bij de viering van deze lentezonnewende’, zeggen zijn handen. De voorouders kijken dwars door hem heen, beginnen tegen elkaar te praten. ‘Wie heeft ons geroepen?’, zegt voorvader een. ‘Ik zie geen dorpswijze van de Vroegere Stam’, zegt voorvader nummer twee en kijkt nog eens speurend rond. ‘Ik zie de geesten van de voorouders van de Nieuwe Stam’, zegt voorvader nummer drie. ’Tijd om te vertrekken’, zegt voorvader nummer een. ‘Met die geesten wil ik niets te maken hebben’. ‘Daar kan niets goeds uit voortkomen’, zegt voorvader nummer twee. ‘Ik K’wan ben hier’, zeggen de handen van  de kleine man dapper, maar de ogen van de voorvaders lijken zijn handen niet te zien. Niet te willen zien. Alleen voorouder vier kijkt hem vriendelijk aan maar zegt niets.

‘Waarom doen de voorvaderen van de Vroegere Stam of zij hun zoon K’wan niet zien?’, klinkt de stem van Urgh. ‘Of zij zijn woorden niet begrijpen?’ Vier paar ogen richten zich op Urgh. ‘K’wan heeft zich niet ingesmeerd met de ceremoniële laag modder’, zegt voorouder een. ‘Mist de vereiste symbolen op zijn lichaam’, zegt voorouder nummer drie. ‘Dat riekt naar minachting van de voorouders’, zegt voorvader nummer twee. ‘K’wan negeren riekt naar minachting en afwijzing van de levenden van de Vroegere Stam’, reageert Urgh. ‘Als goed voorouder weten jullie waar jullie nazaten zich bevinden. Jullie hebben geen modder met symbolen nodig om te weten wat er in het hart van K’wan en zijn drie metgezellen leeft’. ‘Zwijg man van de Nieuwe Stammen. Wij praten niet met jou’, zegt voorvader een. ‘Wat weet jij nou van voorouders en hoe zij denken?’, vraagt voorvader nummer twee. ‘Als de levenden van de Vroegere Stam en de Nieuwe Stammen zo op elkaar lijken qua gewoontes en manieren’, antwoord Urgh, ‘Waarom zouden de voorouders dan zo veel verschillen? Mijn voorouders, onze voorouders’, en hier wijst met een breed gebaar naar alle aanwezigen, ‘Hebben over het algemeen het beste met hun levende nazaten voor. Waarom zouden jullie anders zijn? Waarom helpen jullie hem niet?’

De voorvaderen reageren niet. K’wan zit er verslagen bij. Zijn ogen prikken van het staren in de rook. Ineens neemt M’na naast hem plaats. Door de woorden van Urgh heeft zij kunnen volgen wat er gebeurt. Of beter, wat er niet gebeurt. Zij pakt de kom met voorouderdrank en neemt een grote slok, en nog een. Dan richt zij haar ogen op de verdikte rook boven het vuur. ‘Weg vrouw’, seint voorvader een. ‘Jij hebt hier niets te zoeken. Wij praten niet met vrouwen’. ‘Door jou en de andere vrouwen raken wij onze laatste verbinding met de levende kwijt’, wapperen de handen van voorvader twee. ‘Jij bent niet eens van onze stam, net zo min als Urgh’, zegt voorvader drie, ‘Waarom zouden wij met jou, met jullie praten?’. Voorvader vier kucht zachtjes. ‘M’na is een dochter van mijn stam’, zegt hij dan. ‘Niet van onze stam dus’, zegt voorvader drie. ‘Ik wist het wel, jij bent anders. Minder voorvader dan wij’. ‘Het zij zo’, antwoord voorvader vier. ‘Liever een mindere voorvader zijn, dan geen voorvader’. De andere drie geven geen antwoord en met een laatste blik op K’wan verdwijnen zij in de rook. Alleen voorouder vier blijft achter.

‘K’wan’, zegt hij met een vriendelijk knikje, ‘Waarom heb je de voorvaderen opgeroepen?’ K’wan kijkt de voorvader in het vuur aan en zegt dan ‘Urgh heeft de vrouwen en mij een plekje in zijn dorp aangeboden. Niet als gast maar als bewoners van het dorp. De vrouwen zijn al gewend aan het leven hier en hoewel ik moeite heb met het idee dat ik geen dorpswijze meer zal zijn, dat ik moet leren een bijdrage aan de welvaart van het dorp te leven weet ik dat dit het beste voor ons is. Voor de vrouwen, voor mij en voor de voorouders. Door hier te blijven hebben wij een kans om te overleven, en daarmee hebben de voorouders een verbinding met de wereld van de levende en hoeven niet verder te trekken. Dat wilde ik jullie laten weten. Maar dat had ik beter niet kunnen doen. Nu zijn ze vertrokken, hebben geen verbinding meer met de levende en dat is mijn schuld’. ‘Ik zal je bedoeling doorgeven aan de overige voorvaders’, zegt voorvader vier en dan gaat ook hij in rook op. K’wan zucht eens diep en kijkt naar de mensen rondom het vuur. Zijn nieuwe dorpsgenoten. ‘Je hebt de juiste keuze gemaakt’, zegt M’na. ‘Je bent een wijs man K’wan. En je gaat zeker wennen aan het leven van een gewone dorpeling, dat weet ik zeker’. K’wan lacht haar verlegen toe. Voor hij iets kan zeggen ziet hij hoe de rook zich weer verdiept, hoe er weer gestaltes in de rook verschijnen. Hoort Urgh zeggen ‘Gaya, Yali, Yeti, Meg, Tas, willen jullie onze nieuwe bewoners het welkomstgeschenk om binden? Terwijl de vijf vrouwen ieder voormalig lid van de Vroegere Stam een armband met twee grijze en een groene kraal ombinden richt Urgh zich tot de gestaltes in het vuur. ‘Voorouders, ik wil jullie voorstellen aan vijf nieuwe bewoners van dit dorp. Bekijk hen goed zodat jullie hen herkennen mochten zij voor jullie verschijnen’. Tot hun verbazing zien K’wan en M’na de ene onbekende voorouder na de andere voorbij komen, zien hoe ze vriendelijk toegeknikt worden. Voelen zich welkom. Zijn thuisgekomen. Klaar voor een toekomst als bewoner van het huttendorp van Urgh.

92. De vondst van Kleintje

Het loopt al tegen middernacht wanneer Urgh al geeuwend de lenteviering met de woorden ‘Het is tijd om naar bed te gaan. Zan, jij neemt de eerst wacht, Tork de tweede en Krom de derde. Het verdelen van de taken doe ik morgenochtend wel’, sluit. Samen met Gaya, die een slapende Klee in haar armen heeft, loopt hij naar hun hut. Zij worden op de voet gevolgd door Azel, Teem en Yali. Het is nog even onrustig wanneer de rest van de hutbewoners hun hutten en groten opzoekt maar al snel verkeert het dorp in diepe rust. Alleen K’wan heeft zijn slaaprol nog niet opgezocht. De gebeurtenissen van de laatste paar dagen tuimelen door zijn hoofd en maken hem het slapen onmogelijk. Met zijn rug leunend tegen een steun houdt hij Zan tijdens diens eerst wacht gezelschap. Het is voor hem te donker om te praten. In de stilte van de nacht klinkt het geknisper van het kleine wachtvuur luidt. Zo af en toe horen ze het geritsel van een klein nachtdier vanuit de struiken, het geluid van een uil hoog in de bomen.

Tegen het eind van Zan’s wacht horen beide mannen weer geritsel vanuit het struikgewas. Dit keer klinkt het als iets groters dan een konijn of egel. Snel staat Zan op, met zijn werpspies stevig in de hand geklemd. Ook K’wan is opgestaan en heeft zijn slinger in de hand. Dan wijkt het struikgewas en zien zij Kleintje verschijnen. Beide mannen halen opgelucht adem. Wanneer Kleintje dichter bij het vuur komt zien zij dat hij iets in zijn bek heeft. Het is een kleine wolvenwelp. Kleintje legt het kleine wezentje bij de voeten van K’wan neer. Het welpje piept zachter. ‘Die is kleiner dan Kleintje was toen Urgh hem vond’, zegt Zan zachtjes. ‘Ik ga Urgh en Gaya halen’. Kleintje heeft zich al weer omgedraaid en is weer in het struikgewas verdwenen. K’wan is alleen met het kleine wezentje. Hij laat zich weer op de grond zakken en pakt het kleine beestje voorzichtig op. Hij voelt het hartje te keer gaan. De oogjes van het beestje zitten nog dicht. Zijn handen strelen het kleine lijfje zachtjes. K’wan kruipt naar de kom met het laatste beetje stoofpot die door Gaya langs het vuur is gezet. Hij pakt een kleine kom en schept wat stoofpot in de kom. Met zijn vinger voelt hij hoe warm het eten nog is. Koud. Hij houdt zijn vinger voor de bekje van het welpje. Het beestje steekt zijn neusje in de lucht maar daar blijft het bij. ‘Je moet je vinger tegen zijn bekje aanhouden’, zegt Urgh zachtjes, ‘Anders weet hij je vinger met het eten niet te vinden’. K’wan doet wat Urgh zegt en voelt hoe het tongetje van het kleine beestje zijn vinger beroert. Als zijn vinger leeg is dipt hij zijn vinger weer in de kom. Gaya pakt de kom uit zijn hand, voegt wat water aan de inhoud toe en met een kleine steen wrijft zij de inhoud zo klein mogelijk. ‘Kleine beetje K’wan’, zegt zij zachtjes. ‘Het welpje is zo mager, die heeft al een tijdje te weinig gegeten en te veel ineens zal hem buikpijn geven’.

Na nog een paar hapje te hebben genomen valt het welpje op  K’wan’s schoot in slaap. ‘je gaat het druk krijgen’, zegt Urgh, ‘Kleine wolven willen om de paar uur eten’, zegt Urgh met een lach op zijn gezicht. ‘En deze is zo klein dat dat ook wel moet. Neem je hem mee naar de grot? Of ga je hier bij het vuur slapen?’. Voorzichtig, om het welpje niet wakker te maken, seint K’wan ‘Hier’. ‘Dacht ik al’, reageert Urgh, ‘Ik ga je gezelschap houden. En ik niet alleen’. Dan pas ziet K’wan de andere bij het vuur zitten. Tork die al aan zijn wacht is begonnen, Zan die nog niet naar bed is gegaan, Gaya, Elm en Marg.

Tork heeft nog maar net Krom wakker gemaakt om aan de laatste wacht van die nacht te beginnen wanneer Kleintje wederom met een kleine welp in zijn bek de weide op loopt en het beestje bij Urgh neerlegt en zich omdraait. Dit keer verdwijnt hij niet alleen in het struikgewas. Tork, Elm en Marg gaan met hem mee. Zich afvragend hoeveel welpen er nog gevonden gaan worden pakt Urgh de kom van Gaya aan en begint het kleine beestje wat op zijn schoot ligt te voeren.


93. Schuldig?

Langzaam wordt het licht. Een voor een voegen de hutbewoners zich bij de nachtbrakers bij het vuur. Vooral de kinderen zijn verrukt over de aanwezigheid van de welpjes maar hun enthousiasme dooft al snel wanneer Gaya hen duidelijk maakt dat de beestje nog veel en veel te klein zijn om mee te spelen. Na het ontbijt nemen Flik en Tas de kinderen mee naar het oefenveldje. Alleen Zen blijft achter. Het kind wat niet mocht zijn heeft zich tussen de twee mannen met de welpjes genesteld en houdt dan de een en dan de ander de kom met eten voor en maakt regelmatig verrukte geluidjes.

Een iemand vindt de aanwezigheid van de welpjes maar niets en dat is Durk. ‘Dat zijn wilde beesten’, zegt hij. ‘Nou eten ze uit je hand maar hoe gaat dat als ze groter worden’. ‘Kleintje heeft in al de jaren dat hij bij mij woont nog nooit iemand kwaad gedaan’, antwoord Urgh, ‘En hij was groter dan deze twee toen ik hem vond. Hij is zelfs nog nooit achter de schapen aangegaan’. Durk zegt niets maar zijn gezicht spreekt boekdelen. Hij loopt naar de grot waar zijn spullen liggen en komt even later voorzien van zijn werpspiesen samen met zijn zoon Kelp terug de weide op. ‘Kelp en ik gaan jagen’, zegt hij en samen lopen zij de kant van het oefenveldje op. Het is Zan die hen terughaalt. ‘Urgh verdeelt hier de taken’, zegt hij vriendelijk. ‘Urgh beslist wie gaat jagen en waar er gejaagd wordt. Niet jij of ik Durk’. Met een boze uitdrukking op zijn gezicht en onder zijn adem mopperend keert Durk zich om en loopt terug naar het vuur. ‘Wanneer verdeel jij de taken?’, vraagt hij aan Urgh. ‘Eerst moeten Elm, Kleintje en de andere terug zijn’, zegt Urgh. ‘Dan pas kan ik beslissen wat voor nu de beste taakverdeling is’. Durk zegt niets maar aan zijn houding is duidelijk af te lezen dat hij het niet met Urgh eens is.

Een langgerekte huil van Kleintje kondigt de komst van de drie mensen en de wolf aan. Vanaf zijn plekje bij het vuur ziet Urgh hoe beide mannen een kant van een draagbaar vasthouden. Hij schrikt wanneer de mannen de draagbaar tussen hem en het vuur neerzetten. Op de baar ligt een zwaargewonde en uitgemergelde wolvin. Vier nog kleinere welpjes dan de twee die Kleintje in eerste instantie heeft gebracht liggen dicht tegen haar aangekropen. ‘Wat denk je Urgh’, vraagt Marg, ‘Is de wolvin nog te redden?’ Urgh legt het welpje wat hij in zijn handen heeft bij M’na op schoot en laat zich op zijn knieën naast de wolvin zakken. ‘De wolvin maakt wat happende bewegingen naar hem maar is te zwak om hem iets aan te doen. Eerst onderzoekt hij de wond, dan gaan zijn handen het hele lijf van de wolvin langs. Hij voelt meerdere gebroken botten. Hij kijkt op naar zijn vuurpartner. ‘Het is een speerwond’, zegt hij, ‘Die ontstoken is. Denk jij dat wolven net zo reageren op kruidenverbanden als mensen?’. Gaya knikt. ‘Ze heeft ook een gebroken achterpoot’, zegt hij dan. ‘Daar moet jij voor zorgen’, zegt Gaya. ‘Maar eerst moet zij wat eten. Als zij blijft leven hebben de welpen ook meer kans om te blijven leven’. Urgh knikt zijn vuurpartner toe wanneer zij een lage kom met fijngemalen vlees en wat vleesnat bij de kop van de wolvin neerzet. De wolvin komt een beetje overeind en begint aarzelend en slobberend te eten. Als de eerste kom leeg is wast Gaya de wond in haar flank uit en bindt er een kruidenverband om heen. Onder luidt gegrom van de wolvin zet Urgh haar achterpoot en spalkt het. Dan zet Gaya weer een bak met eten naast haar neer.  Ook deze kom is in een mum van tijd leeg.

De vier welpjes zijn ondertussen van de draagbaar gehaald en worden door Ani, Marg, Yali en Pon gevoerd. Azel verschijnt met een grote platte mand voorzien van een laag bont en zet deze bij het vuur. Als we ze niet voeren kunnen ze hier samen met de wolvin in liggen’, zegt hij. Zo blijven ze allemaal warm en dicht bij elkaar’.

‘Wat een gedoe zeg, om een stel wilde beesten die toch dood gaan’, grauwt Durk die dichterbij is gekomen. De wolvin, die zich net vrij makkelijk in de door Azel gemaakte mand heeft laten leggen richt zich ineens met ontblote tanden op en begint achter in haar keel te grommen. Zonder op te kijken vraagt Urgh ‘Durk, kan jij mij vertellen hoe deze wolvin aan haar verwondingen komt?’ Even is het stil. ‘Waarom vraag je dat aan mij’, snauwt Durk dan. ‘Er wonen hier geen andere mensen dan wij in de buurt’, antwoord Urgh rustig. De jagers van dit dorp weten wel beter dan een dier met jongen te willen doden. De verwondingen zijn een dag of vier oud. Dus van rond de tijd dat jullie langs haar hol kwamen. Ik ga er daarom van uit dat iemand uit het dorp van Slik haar verwond heeft. Gezien haar reactie op jou was je er in ieder geval bij’.  ‘Ze viel mij ineens aan’, snauwt de jager. ‘Ik had mijn werpspies niet bij de hand dus schopte haar van mij af. Daarna reeg Klif haar aan zijn werpspies en gooide haar opzij’. Urgh zegt niets. Gezien de verwondingen van de wolvin zou het zo gegaan kunnen zijn. Misschien ook niet. Heeft hij een fout gemaakt door Durk te laten blijven? De tijd zal het leren.

94. Durk

Aan het eind van de dag, aansluitend aan het avondeten, is het tijd om de taken te verdelen. ‘Zan, ik wil dat jij morgen samen met Tak, Flik, Krom en Durk op jacht gaat. Azel en Elm zullen jullie vergezellen. Loop ongeveer een dag met de rivier aan je rechterhand. Kijk voortdurend uit naar een geschikte plek om een tijdelijk kamp te bouwen. Blijf daar overnachten en help Azel en Elm met de eerste voorbereidingen voor het bouwen van een hut. De volgende dag gaan jullie jagen terwijl  Azel en Elm beginnen met het bouwen van de hut. Jaag twee dagen en kom dan weer naar huis’. Zan knikt dat hij het begrepen heeft. Urgh wendt zich tot Tork.

‘Tork, ik wil dat jij morgen met Krap, Meuw, Meg en Tas richting het oude dorp gaat om te jagen. Ik verwacht jullie aan het eind van de dag, begin van de avond weer terug'. 'Euh Urgh', zegt Kelp, 'Jij hebt het over jagen maar er gaan drie vrouwen mee. Vrouwen jagen toch niet'. 'Deze vrouwen wel', antwoord Urgh met een brede grijns. 'Weet je wat, jij gaat morgen met Tork mee. Kan je met je eigen ogen zien hoe goed vrouwen kunnen jagen'. Even lijkt het of Kelp wil protesteren maar de blik in de ogen van Urgh waarschuwt hem dat niet te doen.

'En ik?', vraagt Pol, 'Wat wil je dat ik morgen doe?' Urgh's blik verzacht wanneer hij naar de zusterzoon van Tak kijkt en zegt:  'Jij Pol, jij helpt morgen K'wan en mij met de kleintjes, zowel mens als dier'. Het gezicht van Pol licht op. Als enigste van de drie nieuwkomers heeft hij belangstelling voor de wolvin en haar welpen. 'Mooi, dan weet iedereen wat er morgen moet gebeuren', zegt Urgh en neemt een kom kruidenthee aan van Gaya. 'Tork, jij en Pon nemen de eerste wacht, K'wan en ik de tweede en Pol en Yali de derde'. 'Een dubbele wacht?', vraagt Durk. 'Verwacht je problemen. Oh nee, dat zal wel niet als je vrouwen mee laat draaien in de wacht'. Urgh kijkt de man vriendelijk aan maar zegt niets. Hij blaast slechts in zijn thee om die wat af te koelen alvorens een slok te nemen. Op last van Urgh gaat iedereen, met uitzondering van Tork en Pon, op tijd naar bed. 'Afgelopen nacht was een korte nacht en morgen moeten we fit zijn'.

Bij de eerste tekenen dat de zon opkomt port Yali het vuur op. Kleintje, die al die tijd naast de mand bij het vuur heeft geslapen staat geeuwend op en verdwijnt in het struikgewas. Pol vult een drietal grote kommen met water en zet deze op de rand naast het vuur. In de ene gooit Yali een handvol kruiden voor de thee, in de tweede gaan fijn gesneden wortels en andere knollen en in de derde groenten en vlees. 'Dan hebben de jagers wat warms in hun buik voordat ze vertrekken', zegt Yali 'En kunnen we de wolvin en haar welpen straks weer voeren'. Pol knikt.

Dan verschijnt Kleintje  met in zijn bek een dood konijn wat hij naast de wolvin neerlegt. Hij likt een voor een de snuitjes van de welpjes die een voor een zacht piepend wakker worden. Op een welp na. Kleintje duwt met zijn neus tegen het kleine lijfje maar er zit geen beweging in. Voorzichtig knielt Yali naast Kleintje en pakt het kleine beestje op. 'Hij is dood', zegt ze zachtjes. Even weet zij niet wat zij moet doen. Dan pakt Kleintje het welpje uit haar hand en verdwijnt in het struikgewas. Zowel Zan als Tork zijn al op jacht wanneer Kleintje terug komt en zijn plekje naast de mand van de wolvin weer inneemt. Het konijn wat hij naast de wolvin heeft neer gelegd is door haar met huis en haar verslonden.

Ondanks de slee die Azel en Elm achter zich aan trekken houdt Zan een stevig wandeltempo aan waardoor de groep jagers al snel bij het oude kamp van Urgh en de vrouwen aankomen. Zan geeft een teken dat ze hier even stoppen om wat te drinken. 'Dit lijkt mij wel een mooie plek voor een tijdelijk kamp', zegt Durk en gooit de mand die hij op zijn rug draagt op de grond. 'Dicht bij het water, daar boven tussen de bomen heb je beschutting voldoende en het barst hier van het wild. Bovendien kan je zien dat hier wel vaker mensen komen'. Zan kijkt hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. 'Je hebt gelijk', zegt hij dan, 'Dit is namelijk de eerste tijdelijke kampplaats van het dorp. Maar deze plek is minder dan een halve dag van het dorp verwijderd en dus veel te dichtbij om als uitvalsbasis voor de jacht te dienen. Daarvoor moeten we echt verder van het dorp zijn Durk. Dus drink wat water en pak je mand op. Dan kunnen we weer verder lopen'.

Men een nors gezicht doet Durk wat er van hem gevraagd wordt en even later vervolgen de mannen hun weg. Ondanks dat Durk met enige regelmaat roept dat hij een goede kampplaats ziet lopen de jagers nog een hele tijd door. De zon is al even over haar hoogtepunt heen wanneer Zan opdracht geeft uit te gaan kijken naar een goede kampplek. De mannen waaieren uit om een groter gebied te kunnen bekijken.  Flik en Krom lopen een stukje voor de anderen uit. Ineens wordt hun weg versperd door een niet zo brede maar diepe geul met snelstromend water. Met een flinke aanloop springen de beide jonge jagers over de geul heen en blijven dan staan wachten op de rest.

Azel en Elm die nog steeds de slee met huiden en gereedschappen achter zich aan trekken zijn de eerste die de beide jonge mannen aan de andere kant van de geul zien staan. Het is Azel die voorstelt om aan beide kanten van de geul een stuk stroomopwaarts te lopen op zoek naar een beschutte plek. Een voor een sluiten de overige jagers zich bij de mannen met de slee aan en lopen steeds verder van de rivier vandaan, tegen een heuvel op, het bos in. De geul die de jonge jagers van de rest scheidt wordt steeds breder. Als laatste voegt Durk zich bij het gezelschap. 'Zie ik daar een grot tussen die bomen door?', roept hij naar de jonge jagers aan de andere kant van de geul en wijst naar een groepje loofbomen. Krom volgt de richting van zijn vinger, verdwijnt tussen de bomen en komt even later terug. 'Geen grot, maar wel een mooie droge plek die aan twee kanten beschut wordt door een rotswand', zegt hij. 'Da's mooi', bromt Azel, 'Maar hoe komen we daar?' 'Hoe zijn zij daar gekomen?', vraagt Durk. 'Gesprongen', grijnst Flik, 'Maar toen was de geul….' Hij kan zijn zin niet afmaken. 'Dan springen wij toch ook', zegt Durk. 'Of zijn jullie bange vrouwen'. 'Nee', zegt Zan, 'Maar de geul was een stuk smaller toen zij er overheen sprongen'. Met zijn ogen meet Durk de afstand tussen beide oevers. 'Dat is echt wel te doen hoor', zegt hij vol bravoure. 'Gewoon een kwestie van een goede aanloop', en met die woorden loopt hij een stukje van de geul vandaan, keert zich om en begint te rennen.

95. De eerste jacht van Mus en Storm

Zijn aanloop is te kort, zijn afzet net sterk genoeg, de geul te breed. Heftig klauwend missen zijn handen net de rand van de geul en via de rotswand glijdt hij naar beneden, het water in. ‘Help’, gilt hij wanneer hij tot aan zijn knieën in het water hangt, ‘Help. Ik kan niet zwemmen, ik verdrink’. Dan voelt hij vaste grond onder zijn voeten en komt hij tot stilstand. Maar niet voor lang. De zware mand op zijn rug trekt hem achterover en hij verdwijnt onder water. Hoestend, proestend en schreeuwend komt hij weer boven. ‘Stop met schreeuwen man’, hoort hij Zan zeggen, ‘En ga staan. Het water is nu niet diep genoeg om in te verdrinken’. Enigszins chagrijnig doet Durk wat er tegen hem gezegd wordt om tot de conclusie te komen dat het water slechts tot zijn middel komt. Beschaamd kijkt hij omhoog, naar de mannen die op hem neer kijken. ‘ik dacht..’, begint hij, verandert van gedachten en zegt ‘Hoe kom ik hier uit?’ Het is Krom die antwoord. ‘Gewoon een eindje terug lopen. Iets voorbij die bocht daar’, en hij wijst in de richting van de rivier, ‘Wordt de helling een stuk minder steil en nog een eind verder, vlak bij de rivier, is de geul zo ondiep dat je er zo uit kunt klimmen’.

Verbaasd kijkt Durk de jonge jager aan. ‘Hoe kom jij nu weer aan die kant?’, vraagt hij. ‘Voordat ik sprong stond jij samen met Flik aan de overkant?’. Krom grinnikt even. ‘Toen ik bij de wand ging kijken zag ik dat het water uit de heuvel kwamen dus wist ik dat ik via de heuvel aan deze kant kon komen’. ‘Waarom zei je niets?’, gromt Durk, ‘Waarom liet je mij springen’. Krom haalt zijn schouders op. ‘Had je geluisterd?’, vraagt hij. ‘Je wilde ook niet naar Flik luisteren toen hij probeerde te zeggen dat de geul smaller was toen wij sprongen’. Even lijkt het er op dat Durk wat wil zeggen, dan draait hij zich om en loopt door het water richting de rivier, op zoek naar een plekje waar hij het water en de geul kan verlaten.


‘En?, zijn jullie klaar voor jullie eerste jacht?, vraagt de lange man aan Mus en Storm. Beide kinderen kijken hem verrukt aan. ‘Volgens mij is dat een ja’, zegt Tork. ‘Hebben jullie je slinger en wat stenen bij de hand?’ Hij heeft zijn vraag nog niet gesteld of er zwaaien twee slingers onder zijn neus door. ‘Mijn buidel is goed gevuld’, antwoord Mus. Storm kijkt de aanwezigen vragend aan. ‘Mogen wij echt mee op jacht? En Luna?’. ‘Jullie mogen echt met ons mee op jacht’, glimlacht Pew die zich bij het gezelschap heeft gevoegd. ‘Luna blijft vandaag bij Gaya en mij om ons met de wolvin en de welpjes te helpen'. Storm kijkt zijn moeder even aan. ‘En de andere kinderen?’, vraagt hij dan, terwijl hij verlangend naar de mand met wolvin en welpjes kijkt. ‘Die gaan met Zoe en mij mee naar de oefenplek’, antwoord Urgh. ‘Te veel drukte rondom de wolvin is niet goed voor haar en de welpjes’.
Tork geeft de laatste instructies. ‘Frag, jij gaat voorop, dan Storm en Mus. Meuw en Tas jullie lopen op de flank naast de kinderen, Meg achter Storm en Mus en Kelp en ik sluiten de rij’. Wanneer iedereen op de aangewezen plaats staat fluit Tork eenmaal hard en schel, ten teken dat zij gaan vertrekken. De kleine groep komt in beweging. Alleen Kelp blijft staan. ‘Zijn die kinderen niet veel te klein en onervaren om te jagen?’, vraagt hij. ‘Voor een jacht op groot wild wel’, antwoord Urgh. ‘Maar jullie gaan niet ver en zullen slechts op klein wild jagen. Dat kunnen zij wel. Bovendien, ze zullen het toch eens moeten  leren’. ‘Maar wat als we door de kleintjes met lege handen thuiskomen?’. Urgh kijkt de jonge jager vriendelijk aan. ‘Dan komen jullie met lege handen thuis’, antwoord hij eenvoudig. ‘Voor een keer is dat niet erg. Er is momenteel voorraad voldoende. Maar ik zou mij daar niet druk om maken Kelp. Ik denk dat jullie met voldoende buit terug zullen komen. Ga nu maar gauw achter de andere aan, en luister goed naar wat Tork je te zeggen heeft. Tork is een groot jager en een goede leraar’. Kelp kijkt de lange man voor hem nog even aan, draait zich om en rent achter de andere jagers aan om zijn plek naast Tork in te nemen.

‘Ah, we zijn compleet’. Tork klinkt tevreden. 'We lopen door tot we bij de grote open plek voorbij ons oude dorp zijn. Na een korte rust gaan we in het struikgewas achter de open plek jagen. Hoe en wat precies, leg ik tijdens het rustmoment uit. Mus, Storm, als jullie moe worden of als Frag te hard loopt wil ik dat van jullie horen, begrepen?’. De twee kinderen knikken. In stilte loopt het kleine gezelschap verder. Kelp verbaasd zich over de vele tekenen van aanwezigheid van klein wild tijdens hun tocht. ‘Waarom lopen we zo ver hier vandaan?’, vraagt hij na een tijdje zachtjes aan Tork. ‘Volgens mij stikt het hier van het klein wild’. ‘Wanneer loop jij liever een lang stuk om te jagen? Op een mooie dag als vandaag, of op een regenachtige dag?’ Zonder na te denken antwoord Kelp ‘Op een dag als vandaag’. ‘Ik ook’, antwoord Tork. ‘Ik ook’.

Na ongeveer een uur gelopen te hebben begint het terrein te glooien.  De twee kinderen zeggen niets maar aan hun manier van lopen kan Tork zien dat zij vermoeid beginnen te raken. ‘Tijd voor een korte pauze’, zegt hij. Beide kinderen laten zich op de grond vallen. Na tien minuten geeft Tork een teken dat ze verder gaan lopen. ‘Meg, ik wil dat jij voorop gaat lopen. Tas en Meuw, jullie wisselen van plaats, Frag en ik zullen de kinderen een stuk op onze schouders nemen en Kelp, dat betekent dat jij de hekkensluiter wordt. ‘Ik wil niet gedragen worden’, zegt Storm boos. ‘Ik ben al groot’. ‘Ik ben groter’, antwoord Tork. ‘Jij gaat bij Frag op de schouders, Mus bij mij. Niet om uit te rusten maar om goed rond te kijken. Ik heb sporen van een holenleeuw gezien en jullie twee houden beide het struikgewas en het hoge gras aan jullie kant van het pad in de gaten. Zodra je iets ziet bewegen geef je een waarschuwing’.

‘Sporen van een holenleeuw? Waar..’, begint Kelp maar Meg schudt achter de rug van de twee kinderen om haar hoofd en legt een vinger op haar lippen ten teken dat de jongeman stil moet zijn. ‘Zet jij Mus even bij Tork op de schouders’, zegt zij tegen hem en tilt zelf Storm op. Als de kinderen op de schouders van de jagers zitten neemt iedereen de aangewezen plek in en na een fluitsignaal van Tork beginnen zij aan deel twee van hun tocht.

96. Een ongevaarlijk jacht bestaat niet 

Het tempo gaat flink omhoog en al snel lopen zij het oude dorp voorbij en arriveren op de open plek waar Tas ooit met Urgh ging jagen. De twee kinderen worden op de grond gezet en Tork verdeelt de taken. Tot grote verbazing van Kelp wordt niet iedereen een andere kant opgestuurd om te gaan jagen maar gaan de slingeraars, inclusief de kinderen met hun slinger in de aanslag aan een kant van de open plek met hun rug naar de bomen staan. ‘Kom Krap en Kelp, wij lopen nog een stukje verder en gaan daarna het wild opjagen’, zegt Tork en voegt de daad bij het woord door via een smal pad de open plek te verlaten. Al snel komt ziet Kelp een twee pad wat parallel loopt aan de open plek. ‘Krap, jij blijft hier staan. Zodra ik fluit loop ren je door het struikgewas richting de open plek. Maar kom niet te dichtbij, anders loop je kans dat je een steen tegen je hoofd krijgt’, zegt Tork met een glimlach.’Zodra je de slingeraars ziet keer je je om en gaat weer hier naar toe totdat ik weer fluit. Houdt wel je werpspies bij de hand want er leven hier ook wilde zwijnen. Als je  er daar een van ziet fluit je driemaal snel achter elkaar en komen Kelp en ik je helpen. Begrepen?’. Krap knikt dat hij het heeft begrepen waarna Tork en Kelp het pad oplopen. Zodra Krap uit het zicht is verdwenen krijgt Kelp dezelfde instructie en loopt Tork alleen verder. Al snel volgt het fluitsignaal en rennen de drie jagers door het struikgewas richting de open plek. Het kleine wild, opgeschrikt door het lawaai wat de drie mannen maakt rent voor hen uit, richting de open plek waar de slingerars steen naar steen op het opgejaagde wild afvuren. Niet elke steen treft doel maar na vijf rondjes ligt er aardig wat buit. Op last van Meg worden de karkassen in de meegenomen manden gestopt.

Ineens fluit Kelp driemaal snel achter elkaar. Het gefluit wordt gevolgd een een harde gil gevolgd door de woorden ‘Everzwijn’. Tas haar scherpe oren vertellen haar dat het geluid van het zwijn snel dichterbij komt.  ‘Help de kleintjes in een boom’, roept zij, ‘En blijf zelf in de buurt van een boom zodat je er achter kunt springen als het beest op je af komt.  Het is Meg die eerst Mus en daarna Storm een boom in helpt om daarna met haar slinger in de hand te wachten op wat er komen gaat.  Dan stormt er een everzwijn met enorme slagtanden uit het struikgewas recht op Meuw af. De jonge vrouw staat als verlamd door de schrik en ziet het kwade dier snel dichterbij komen. Dan wordt het beest afgeleid door een steen die tegen zijn hoofd vliegt, en nog een.  Het beest verandert van richting en rent in de richting waar de stenen vandaan komen maar die richting verandert steeds. Niet alleen Meg en Tas bestoken hem met stenen, de twee kinderen in de boom laten zich ook niet onbetuigd. Krap bereikt als eerste de open plek, op de voet gevolgd door Tork. Het is Tork die het beest als eerste weet te verwonden met zijn werpspies. Het beest keert zich weer om en rent weg. Verdwaasd door de pijn en de regen van stenen rent hij zigzaggend weg, zo tegen de boom aan waar de twee kinderen zich verscholen houden. Door de klap van de botsing verliest Mus, die net haar slinger aan het vullen is, haar evenwicht en valt met een luide gil uit de boom, zo voor de poten en slagtanden van het gewonde dier. Net wanneer zijn slagtanden zich in het meisje willen boren steekt Krap met al zijn kracht een werpspies in zijn schouder terwijl Tas het meisje voor zijn poten wegtrekt. Nu woest wil het beest zich omdraaien maar voelt een zwaar gewicht op zijn rug. Zijn kop wordt naar achteren getrokken en dan … dan gutst het bloed uit zijn doorgesneden keel. In zijn doodsstrijd ziet hij nog kans het gewicht van zijn rug te gooien maar dan zakt hij door zijn poten en loopt het leven langzaam uit hem weg.

Nog vol adrenaline reageert Tas instinctief wanneer zij achter zich in het struikgewas geritsel hoort. De steen heeft haar slinger al verlaten wanneer zij het fluitje van Kelp hoort. De kreet van de jonge jager vertelt haar en de anderen dat haar steen raak was.  Met zijn rechterhand zijn linkerarm vasthoudend strompelt de jonge jager de struiken uit, loopt naar de mensen naast het zwijn in doodstrijd toe en laat zich op de grond vallen. ‘Ik dacht dat dit een ongevaarlijke jacht zou worden met al die vrouwen en kinderen’, mompelt hij. Nog nahijgend na zijn korte gevecht met het everzwijn is het Tork die reageert. “Een ongevaarlijke jacht bestaat niet jongen …’.

Een uur later zijn de wonden van Kelp verbonden, de manden met wild gevuld, ligt het everzwijn op een kleine slee en is het kleine gezelschap klaar om naar huis te gaan. ‘Onze eerste jacht was een goede jacht Mus’, zegt Storm trots. ‘Jullie eerste jacht zit er pas op als we weer thuis zijn’, bromt Tork. ‘En als we niet snel gaan lopen, dan zijn we pas ver na jullie bedtijd thuis’. In een heel wat langzamer tempo dan op de heenreis begint het gezelschap aan de tocht naar huis.

97. Het ijs is gebroken

Het lot is Storm, Mus en de volwassen jagers goed gezind. De terugtocht duurt lang maar verloopt zonder verdere avonturen. Eenmaal terug in het dorp laten beide kinderen zich vermoeid naast het vuur vallen. Pew reikt hen en de volwassen kommen met eten aan maar de kinderen zijn eigenlijk te moe om te eten. Vechtend tegen hun slaap luisteren de beide kinderen naar het jachtverslag van Tork. Het is Storm die als eerste, met nog bijna een volle kom eten in zijn hand, in slaap sukkelt. Mus weet iets langer wakker te blijven maar is blij wanneer Urgh tegen haar zegt dat zij niet hoeft te helpen met het uitbenen van het everzwijn maar naar bed mag. Eenmaal in bed probeer zij nog naar het verhaal van Tork te luisteren maar het geluid lijkt van steeds verder weg te komen en dan slaapt ook Mus.


Een kleine dagmars van het dorp vandaan nadert Durk het tijdelijke kamp aan de voet van de rotswand. De heerlijke geur van kruidenthee en stoofpot komt hem tegemoet. Hij ziet een aantal gedaanten bij het vuur zitten en hoort hen gedempt praten. Druk staat in tweestrijd. De heerlijke geur maakt dat hij zich zo snel mogelijk bij de zes mannen wil voegen. Zijn geknakte trots maakt dat hij stiekem wil luisteren waar de mannen over praten om er zeker van te zijn dat zij hem niet belachelijk maken. Zij trots wint het van zijn honger. Zo geruisloos mogelijk laat hij de mand van zijn rug glijden en sluipt hij achter de struiken langs naar een plekje op de overhangende rots in de hoop het gesprek te kunnen horen. Eenmaal boven op de rots laat hij zich op zijn buik zakken en schuift centimeter voor centimeter dichterbij. Voor hij iets hoort ziet hij hoe Elm met zijn mand in zijn handen naar het vuur loopt. Voorzichtig schuift hij bij de rand vandaan maar voor hij op kan staan voelt hij een voet op zijn achterwerk en roept Azel ‘Schep de kommen maar vol Krom, niet alleen de mand van Durk is gearriveerd, Durk zelf ook’. Durk voelt hoe Azel zijn voet oplicht en hoort hoe de vakman bij hem vandaan loopt. Beschaamd omdat hij door een niet jager betrapt is op afluisteren staat Durk op en loopt achter de vakman aan naar het vuur. Daar aangekomen pakt hij zijn mand, slingert die op zijn rug en zegt ‘Het lijkt mij beter dat ik verder trek en ik hoop dat jullie Kelp het gedrag van zijn vader niet aanrekenen’.

‘Doe niet zo moeilijk man’, reageert Tak, ‘Waarom zou je weg gaan? Omdat je niet over de geul gesprongen kwam? Omdat je nieuwsgierig was of wij over je zaten te kletsen? Zet die mand neer en ga bij het vuur zitten. Het eten is klaar en ik heb honger’. De oude jager pakt een kom, schept deze vol en begint te eten. Hoewel het water hem in de mond loopt aarzelt Durk nog even. ‘Nee’, zegt hij dan beschaamd. ‘Niet omdat ik in het water ben gevallen, niet omdat ik jullie wilde afluisteren, maar omdat een niet jager mij verrast heeft. Onder de regels van Klif staat daar verbanning op’. ‘Wij leven niet volgens de regels van Klif’, antwoord Zan. ‘Wij leven volgens de regels van Urgh. En Urgh zegt dat een vakman ook moet kunnen jagen, en een jager met zijn handen moet kunnen werken. Pak een kom eten en ga zitten zodat we met z’n allen kunnen lachen over jouw mislukte sprong over de geul’. Nog aarzelt Durk even. Dan breekt er een lach door op zijn gezicht. Hij zet zijn mand op de grond, pakt er een kom uit en schept deze vol met eten. Hij gaat op de vrije plek naast Azel zitten. ‘Je sluipt meesterlijk voor een vakman’, zegt Durk. ‘Jij let slecht op voor een jager’, antwoord Azel met een brede grijns. ‘Gelukkig ben ik geen holenbeer, dan had je het nu heel erg warm gehad’. Durk grijnst eens naar zijn buurman en begint te eten. Het ijs is eindelijk gebroken…

98. De bok

Liggend op hun buik kijken de vijf jagers zwijgend over de rand van de rotswand naar beneden. Naar de vlakte vol met grazende herten. Naar de paniek aan de buitenste rand van de kudde, ver bij hun vandaan. 'We wachten tot die holenleeuwin klaar is met jagen', zegt Zan zachtjes. 'Dan gaan we er voor'. Hij kijkt spiedend naar beneden. 'Ik stel voor dat we eerst voor dat oude hinde daar gaan en als dat een beetje vlot loopt dan wil ik ook nog wel een kansje wagen met die oude bok daar'. Terwijl hij praat wijzen zijn vingers de beoogde doelwitten aan. 'Waarom wil je voor een oude hinde en bok gaan?', vraagt Durk. 'Er lopen genoeg jonge hindes en bokken, genoeg kalveren. Waarom zouden we genoegen nemen met oud vlees als jong vlees zo veel malser is'. 'Het is van belang dat de kudde in stand blijft', antwoord Tak. 'Als wij een zogende hinde doden, gaat het kalf ook dood. Teveel dode kalveren en de kudde trekt weg of sterft uit. Jonge bokken willen het leiderschap van de kudde overnemen en zijn daarom extra fel. De kans dat een van ons gewond raakt wordt daarmee groter. Bovendien, in de stoofpotten van Ani wordt elk vlees zacht en mals'. Durk kijkt even opzij. 'Iets zegt mij dat jullie hier vaker gejaagd hebben'. Zan knikt. 'Elke nieuwe maan gaan we hier jagen. Aan het eind van het seizoen, rond de herfstwende, blijven we wat langer. Dan doden we veel van de zwakkere beesten zodat de kudde volgend voorjaar  weer sterk is. Vandaar dat Urgh nu wil dat er hier een hut gebouwd wordt'. Durk knikt dat hij het begrijpt.

Aan de andere kant van de weide heeft de holenleeuwin een jonge bok van de kudde af weten te scheide n. Ondanks zijn nog kleine gewei weert de bok zich dapper. Met zijn gewei weet hij de holenleeuwin te verwonden. Het mag niet baten. De holenleeuwin springt en beland op zijn nek. Vakkundig bijt zij zijn halsslagader door. Met de leeuwin op zijn rug, de wond in zijn nek. probeert de bok nog te ontkomen maar met elke klop van zijn hart verliest hij meer bloed. Versuft zakt hij door zijn voorpoten.  De leeuwin laat zich van zijn rug glijden, grijpt hem bij zijn nek en sleept de bok achter zich aan de struiken in, uit het zicht van de vijf jagers. 'Nu zijn wij aan de beurt', mompelt Zan. 'Jullie weten het, eerst de hinde, daarna zien wij wel verder'.

Via een smal pad lopen de vijf jagers achter elkaar aan naar beneden om dan, dicht bij de rotswand blijvend om de kudden zo min mogelijk op te schrikken, richting de oude hinde. Ter hoogte van de hinde blijven Zan en Tak staan, met een gevulde slingerin hun hand. De drie andere jagers, met een werpspies in de hand, lopen verder, zoeken zich een weg tussen de hinde en de kudde in. De hinde ruikt onraad. Haar ogen zoeken de kudde maar de weg naar veiligheid wordt door Krom versperd. Zij rent op de jonge jager af. Voor ze bij Krom is wordt zij geraakt door stenen uit de slingers van Zan en Tak. Even is zij afgeleidt. Net lang genoeg voor Krom om zijn werpspies met al zijn kracht in haar borst te duwen. De hinde zakt door haar voorpoten, staat weer op. Krom heeft zijn werpspies losgelaten en reikt over zijn hoofd naar zijn rug waar zijn tweede werpspies vastgebonden zit. Er vliegt een steen over zijn hoofd heen, gevolgd door een waarschuwing van Durk. 'Een jonge bok achter je'. Verschrikt draait Krom zich om, ziet het gewei van de bok op hem afkomen. Hij doet een stap achteruit, en nog een ondertussen aan de werpspies op zijn rug trekkend. Eindelijk heeft hij de spies in zijn hand. Krom zet nog een pas achteruit, stapt op het woest rollende lichaam van de hinde en valt met de werpspies in zijn hand achterover terwijl de bok hem aanvalt. Wanhopig houdt hij de werpspies omhoog. De spies treft doel. De spies wordt uit Kroms hand gerukt. De achterpoot van de bok land op zijn arm. Een misselijkmakende pijn trekt door zijn arm heen, maakt dat hij het bewustzijn verliest.

99. Gaat Krom het halen?

In een poging aan de jagers te ontkomen zigzagt de bok tussen de twee oude jagers door. Zijn weg wordt versperd door de rotswand. Hij hoort hoe de jagers dichterbij komen. Dan zien zijn ogen het pad naar boven en rent die kant op. Gehinderd in zijn bewegingen door de werpspies van Krom die in zijn schouder vast zit probeert hij over de slee die voor de opening van het pad staat te springen. De werpspies blijft achter de slee hangen. Landend op zijn knieen schiet de bok over de kop, blijft even versuft liggen, poogt dan op te krabbelen. Dan is Durk daar, zijn stenen mes in de hand. Met een snelle beweging snijdt Durk de keel van de jonge bok door. De bok in zijn doodstrijd achterlatend loopt Durk met de slee naar de plek waar de hinde en de gevelde jager liggen.

Zan zit op zijn knieën naast de vuurpartner van zijn dochter. Zijn handen zoeken in de nek van de jongeman naar een teken van leven en haalt opgelucht adem. 'Hij leeft nog', zegt hij schor. 'De bok is dood', hoort hij Durk zeggen. Zan's blik valt op de slee. 'Slim', zegt hij tegen Durk. 'Flik, Durk, leggen jullie Krom op de slee en brengen jullie hem naar het kamp. Elm kan hem onderzoeken. Kom daarna meteen terug. Tak en ik blijven hier om de buit te bewaken'.  Snel tillen Durk en Flik de gevelde jager op, leggen hem op de slee waar hij met een paar repen leer vastgebonden wordt en vertrekken, de beide oude jagers bij de buit achterlatend.

De herten hebben zich op veilige afstand van de beide jagers teruggetrokken. De vlakte voor hen is leeg. Tak en Zan maken riemen aan de voorpoten van de hinde vast. Uit zijn ooghoek ziet Tak iets bewegen in het struikgewas tussen de hinde en de herten. 'Zan', sist hij. 'Er beweegt wat in dat bosje daar'. Met samengeknepen ogen kijken beide jagers naar het struikgewas halverwege de vlakte, hun grip op de werpspies in hun hand verstevigend maar zien niets. 'De wind', zegt Zan. 'Kom, we gaan de  hinde verslepen'. Beide mannen draaien zich om. Dan ziet Zan vanuit zijn ooghoek hoe er een groot lichtbruin lijf zich losmaakt uit het struikgewas. 'Holenleeuwin', sist hij. 'We laten de hinde voor haar liggen en brengen de bok in veiligheid'. Dit gezegd hebbende laat hij de riem los. Tak volgt zijn voorbeeld en rug aan rug, zodat zij de hele vlakte in ogenschouw kunnen nemen, lopen de beide mannen richting de plek waar de bok ligt. De holenleeuwin komt snel dichterbij. Even lijkt het er op dat zij achter de mannen aangaat, maar dan zet zij haar tanden in de hinde en begint het dier de andere kant op te sjorren. Met lede ogen zien de beide jagers hun buit over de vlakte verdwijnen.

'Krom? Is hij… Is hij..?' Azel kijkt naar het stilel lichaam van zijn zoon op de slee. 'Hij leeft nog', antwoord Durk. 'Zan zei dat Elm naar hem moet kijken. Waar is Elm?' Azel laat zich op zijn knieën naast de slee vallen terwijl hij naar achteren wijst. 'Hij is bomen aan het kappen aan de andere kant van de geul'. Flik knikt en rent de door Azel genoemde kant op. Eenmaal aan de andere van de geul gekomen ziet hij Elm die bezig is een boom te vellen. 'Elm', roept hij, 'Elm, kom snel. We hebben je nodig! Krom is gewond'. Elm laat alles uit zijn handen vallen en komt aanrennen. 'Wat is er gebeurt?', vraagt jij Flik. 'Een hert heeft Krom omver gelopen', antwoord de jonge jager. 'Hij is bewusteloos maar bloed nauwelijks'. Elm trekt een lelijk gezicht. 'Weinig bloed wil niet zeggen dat het goed is'. Snel lopen beide mannen naar beneden.

'Waar zijn Tak en Zan?', vraagt Elm terwijl hij naast de bewusteloze jager neerknielt. 'Die bewaken de buit', antwoord Durk. Elm knikt. 'Azel, kom dan tillen wij Krom van de slee af'. Azel knikt en help Elm om Krom op de grond te leggen. 'Drink even wat', zegt Elm tegen de jagers, 'En ga dan de andere twee halen. Ik ga Krom onderzoeken en afhankelijk van wat ik vind wil ik vanavond al richting het dorp vertrekken'. De jagers knikken, nemen wat te drinken en vertrekken dan in hoog tempo terug naar de vlakte. De lege slee danst achter hen aan.

'Snijd jij de koorden van zijn tuniek even open Azel'. Met een klein knikje doet de oude man wat zijn voormalig dorpswijze van hem vraagt. Voorzichtig snijdt hij de koorden van zijn zoon's tuniek los en trekt het leer weg. De werparm van zijn zoon is blauw en paars. 'Flik vertelde mij dat Krom een werpspies in de bok heeft gestoken terwijl hij zelf over een hinde viel. Daardoor is de spies uit zijn hand gerukt. Zo te zien is de bok daarna op zijn arm geland'.  Van boven naar beneden werkend gaan de handen en ogen van Elm op zoek naar wonden en botbreuken. Op de bovenarm treft hij een hoefafdruk van het hert aan. De huid is gescheurd en er zit wat opgedroogd bloed rond de wond. De botten onder de afdruk lijken nog heel te zijn. Langzaam gaan zijn handen naar benden. Krom's elleboog is gezwollen maar Elm voelt geen breuken. Die voelt hij pas wanneer hij bij Krom's pols aankomt.  'Dat valt mee', zegt hij met een glimlach. 'Azel, zou je een paar duimdikke stokken van ongeveer zo lang ', en hierbij houd hij zijn handen ongeveer 10 centimeter uit elkaar, 'Willen zoeken. En een aantal repen leer willen snijden. Dan ga ik zijn pols zetten'.  Zonder iets te zeggen knikt Azel en staat op om te doen wat Elm hem heeft gevraagd. Zodra de vakman uit zicht is voelt Elm nogmaals hoe de breuk loopt. 'Dit gaat even pijn doen jongen', mompelt hij zachtjes om dan met een snel gebaar de breuk zo goed mogelijk te zetten. Terwijl er zweet op zijn voorhoofd verschijnt kreunt Krom even. Zijn ademhaling wordt dieper. Net wanneer Azel met de stokken en de repen leer aan komt lopen slaat Krom zijn ogen open en brengt zijn hand naar zijn hoofd.

100. Bijna thuis

'De bok?', is het eerste wat Krom vraagt na het openslaan van zijn ogen. 'Geveld', antwoord Elm. De voormalig dorpswijze pakt de takken en de leren repen van Azel aan en wendt zich tot het slachtoffer die zich probeert op te richten. 'Blijven liggen Krom', zegt hij streng. 'Eerst moet je arm gespalkt worden. Je hebt een gebroken pols'. Krom laat zich achterover zakken. Elm pakte de kleinste reep leer en vouwt deze een aantal malen dubbel. 'Zet hier je tanden maar in', zegt hij, en houdt Krom het leer voor. 'Je vader en ik gaan je pols spalken en dat zou wel eens pijn kunnen doen. Gedwee laat Krom het leer tussen zijn tanden stoppen en probeert niet te luisteren naar de instructies die Elm zijn vader geeft. De jonge takken die Azel heeft gehaald worden gesplits. Vier takken worden met de platte kant naar de arm van Krom onder zijn arm gelegd, de andere vier takken komen bovenop zijn arm te liggen. Op verzoek van Elm licht Krom zijn arm een stukje op terwijl Azel de takken tegen zijn arm aanduwt. Dan begint Elm de leren repen rondom arm en takken te binden. Ondanks het stuk leer in zijn mond moet Krom zijn best doen om het niet uit te gillen van de pijn. Het zweet breekt hem uit. Dan is Elm klaar en haalt het stuk leer uit Krom's mond. 'Nu mag je gaan zitten als je daar behoefte aan hebt', hoort hij Elm zeggen. 'Als je je gewonde arm maar niet gebruikt. Ook niet om op te steunen'. Dan is daar Azel die hem helpt om overeind te gaan zitten. Krom kijkt naar zijn verbonden arm. De takken die als spalk dienst doen lopen tot ver over zijn hand. 'Waarom is dat?', vraagt hij Elm. 'Om te voorkomen dat je je hand op en neer beweegt waardoor de botten niet goed aan elkaar kunnen groeien', is het antwoord. 'Het is nu eenmaal makkelijker een been stil te houden dan een arm'. Elm reikt hem een kom berkenblad thee aan. 'Drink dit', zegt Elm, 'Dat haalt de ergste pijn weg'. Dankbaar neemt Krom de kom met zijn linkerhand aan en begint te blazen alvorens een slokje te nemen. 'Bah', moppert hij, 'Dit smaakt vies'. Elm grijnst hem vriendelijk toe. 'Recept van Onna', zegt hij dan. 'Die was van mening dat medicijnen niet lekker mogen smaken. Vieze medicijnen bevorderen het genezingsproces zei zij altijd'.

Elm verandert van onderwerp. 'Ik heb begrepen dat jullie een hinde en een bok hebben buitgemaakt. Klopt dat?'. 'De hinde weet ik zeker, de bok vermoed ik'. Elm kijkt even peinzend voor zich uit, kijkt dan naar het bleke gezicht van de jager, naar diens opgezwollen arm. 'Ik wil maar een van beide dieren mee naar het dorp nemen. Ik wil dat er  plek voor jou overblijft op de slee'. Krom kijkt zijn zusterspartner boos aan. 'Ik loop zelf naar huis', snauwt hij. 'Er mankeert niets aan mijn benen. We nemen beide beesten mee naar huis. Al het eten is welkom, dat weet je toch!'. Krom probeert op te staan maar wordt danig in zijn beweging gehinderd door zijn gespalkte arm. 'Blijf zitten', gebied zijn vader hem. 'Ik ga een draagbaar maken voor het tweede beest. Die kunnen we achter de slee hangen zodat we al het eten mee naar huis kunnen nemen'. Elm knikt. 'Ik ga het vuur in de kuil vast opstoken zodat we een van de twee karkassen straks kunnen roken en gaar mee naar huis nemen. Dat scheelt in gewicht'.

Het vuur brand hoog en warm wanneer de jagers met de bok op de slee het kamp binnen lopen. Bij het zien van het bleke gezicht van Krom en de draagbaar waar Azel aan werkt betrekt het gezicht van Zam. 'Is het zo slecht met de jongen gesteld', vraagt hij zachtjes aan Elm. Die haalt zijn schouders op. 'Ik heb maar een breuk kunnen ontdekken, maar dat wil weinig zeggen. Die draagbaar is voor het tweede beest'. Weer betrekt het gezicht van Zan. 'We hebben alleen de bok mee kunnen nemen', zegt hij dan. 'De hinde hebben we af gestaan aan een holenleeuw. Twee oude jagers maken weinig kans tegen een hongerige holenleeuw'. Hij kijkt naar het hoog oplaaiende vuur. 'Jij wilt de bok inkuilen en vannacht laten garen?'. Elm knikt. 'Eerst thee', reageert Tak, 'Dan gaan we de bok wel uitbenen'. Flik schept een flinke kom kruidenthee in, neemt een slok en spuugt de thee weer uit. 'Gatverdamme, wat is dit smerige thee zeg!'. Elm schiet in de lach. 'Dat is niet onze thee, maar het mediicjn van Krom'. 'Zeker les gehad van Onna', reageert Zan. 'Volgens haar werken smerig smakende medicijnen beter dan lekker smakende. Ik ben meer een voorstander van de zoete drankjes van Nana. Die werken volgens mij net zo goed'. Elm haalt zijn schouders op. 'Ik heb geen honing meegenomen en de tijm en hyssop bloeien nog niet. Dus Krom heeft pech'. Als een boer met kiespijn lacht Krom met de andere mannen mee. Geholpen door Elm staat hij even later op en loopt achter de jagers aan om toe te kijken terwijl de jagers 'zijn' bok gaan uitbenen. Daardoor ontgaat hem dat zijn vader rustig verder werkt aan de draagbaar.

De volgende morgen vroeg vertrekken de mannen volgens afspraak terug naar het dorp. De gerookte bok, het gewei en de huid liggen op de slee. De draagbaar ligt er overheen. Werd het tempo op de heenweg door Azel, Elm en de slee bepaald, nu passen de mannen zich aan het tempo van Krom aan. Wanneer de zon op haar hoogtepunt staat rusten de mannen even uit. Krom ziet lijkbleek en het zweet parelt op zijn voorhoofd. 'Ik snap er niets van', klaagt hij tegen zijn vader. 'Alleen mijn arm is toch maar gebroken'. Het is Zan die reageert. 'De bok heeft je met zijn gewei geraakt voordat je viel Krom. Dat is te zien aan de blauwe plekken op je borst. Misschien heb je wel meer gebroken dan alleen je arm. Daarom wil IK dat jij als we dadelijk verder trekken op de draagbaar gaat liggen zodat we voor het vallen van de avond in het dorp zijn. Zodat Urgh en Gaya je kunnen onderzoeken'. Krom wil wat zeggen maar Zan schudt zijn hoofd. 'Je doet wat ik zeg Krom. Als we bij het dorp zijn mag je van de draagbaar af om het laatste stuk zelf te lopen als dat lukt'.

Ondanks dat het tempo nu hoger is dan in de ochtend begint het al te schemeren wanneer het kleine gezelschap eindelijk het begin van het smalle pad naar het huttendorp bereikt. Azel en Elm brengen de slee tot stilstand zodat Krom het laatste stuk zelf kan lopen. Ondanks de hulp van Flik en Durk lukt het Krom niet van de draagbaar te komen. 'Laat mij maar liggen', zegt hij met raspende stem. 'Tak, ren naar het dorp en waarschuw Urgh en de medicijnvrouwen dat we een zwaar gewonde jager bij ons hebben. Durk en Flik, ik wil dat jullie Elm en Azel helpen met de slee'.  Met een knikje van zijn hoofd richting Zan doet Tak wat er van hem gevraagd wordt en rent over het slechtverlichtte pad naar het huttendorp terwijl achter hem de slee langzaam weer in beweging komt. In stilte, in gedachten verzonken, vervolgen zij hun tocht om de gewonde man zo snel mogelijk thuis te krijgen. En even…

Even moet Zan denken aan de vorige keer dat hij met een zwaargewonde jager in het dorp terugkeerde. De herinnering geeft hem moed. Tenslotte is het met Urgh ook goed afgelopen.

101. Harde woorden van Urgh

Tork en Krap verschijnen op het pad en nemen de slee met de buit en de gewonde jager over van de vermoeide mannen. 'Gaya is het vuur op aan het stoken', zegt Tork, 'En de kinderen worden naar bed gebracht. Die horen morgen wel wat er gebeurt is. Dan weten we ook hoe ernstig je verwondingen zijn Krom'. Krom zegt niets; hoopt alleen maar dat hij snel van de hobbelende slee af kan.

Dan zijn zij bij het vuur. Terwijl Tork en Krap de slee met de bok naar de uitbeenplaats brengen beginnen Urgh en Gaya het onderzoek van de gewonde jager. 'Pols goed gezet', mompelt Urgh. Zijn handen gaan voorzichtig langs de ribbenkast van de jager die schokkend adem haalt. 'Minsten 3 gebroken ribben', concludeert hij. 'Dat gaat nog een tijdje pijn doen. Tenminste, als er van binnen geen organen kapot zijn, want dan is het zo afgelopen'. Hij kijkt zijn vuurpartner aan die zijn onderzoek van het bovenlichaam van de jager herhaalt vragend aan. Gaya haalt haar schouders op. 'Ik weet het niet', zegt zij. 'Het is afwachten'. 'Afwachten waarop?', vraagt Pew, die zich eindelijk bij haar vuurpartner kan voegen. 'Of er van binnen iets kapot is', antwoord Gaya rustig. Pew's adem stokt. 'Pew, als jij eens een klei compresse gaat maken met goudsbloem om de zwellingen tegen te gaan', zet Gaya haar aan het werk. 'Dan zorg ik er voor dat Krom wat te eten krijgt'.

Een uur later zijn ook de ribben van Krom verbonden, en hebben hij en de andere leden van het kleine jachtgezelschap gegeten en hun verhaal gedaan. 'Pure pech', eindigt Zan zijn relaas. 'Is dat zo?', vraagt Urgh. Zan en de anderen kijken hem verbaasd aan. 'Wat bedoel je Urgh?'. De lange man aarzelt even voordat hij antwoord geeft. 'Ik ben er niet bij geweest, dus ik kan er niet over oordelen, maar …'. Hij valt even stil alsof hij zijn gedachten moet ordenen. 'Niet alleen tijdens deze jacht is er iemand gewond geraakt', begint hij dan. 'Ook tijdens de jacht op klein wild is het fout gegaan waardoor Kelp gewond is geraakt en Mus bijna onder de voet is gelopen door een everzwijn. Tijdens jullie jacht is Krom gewond geraakt. Op een moment dat het drijven nog maar net was begonnen en er nog niet voldoende afstand tussen de hinde en de kudde was. Krom had de hinde moeten laten gaan. Beter geen buit dan een gewonde jager. Het lijkt er op…'. Urgh aarzelt even. 'Het lijkt er op dat jullie indruk hebben willen maken op de nieuwkomers met twee gewonden tot gevolg. Of… Of jullie beginnen door alle jachtsuccesen sinds we hier wonen net zo overmoedig te worden als ik vroeger was… Te overtuigd van je eigen kunnen…'. Hij haalt zijn hand door het haar, wijst naar zijn benen. 'Jullie weten wat daar van komt'. Zwijgend kijken de mensen rond het vuur hun dorpswijze aan. 'De verwondingen van Kelp vallen gelukkig mee', zegt Urgh, 'Mus is met de schrik  vrijgekomen. Hoe het met Krom af gaat lopen zal de tijd uitwijzen. Maar ik denk… Ik denk dat jullie de nieuwelingen beter moeten uitleggen hoe wij jagen en zelf de jachtregels beter in acht moeten nemen. Die regels hebben we niet voor niets'.

Nog steeds doen de hutbewoners er het zwijgen toe. De lange man zet de kom thee die hij in zijn handen heeft neer, pakt zijn krukken en staat op. 'Ik ga naar bed. Morgen praten we hier verder over. Tork, verdeel jij de wacht? En Azel en Elm, brengen jullie Krom naar mijn hut. Vannacht zullen Gaya en ik over hem waken'. 'Ik ben ook medicijnvrouw', zegt Pew met een boze uitdrukking op haar gezicht, 'En Krom's vuurpartner. Hij kan gewoon in zijn eigen bed slapen. Ik zal over hem waken'. Urgh kijkt haar even peinzend, met samengeknepen ogen aan. 'Goed', zegt hij dan, 'Maar alleen wanneer Yali en Azel je daarbij helpen. Ik wil niet dat jij alleen met de kinderen en Krom bent. Als er iets gebeurt moet je als medicijnvrouw handelen, niet als moeder of vuurpartner'. 'Natuurlijk slapen wij bij Pew', reageert Yali. 'Als er wat is kom ik meteen Gaya halen'. Urgh knikt. 'Dat is dan geregeld', zegt hij en wil zich omkeren. 'Eigenlijk Pew, denk ik dat Urgh gelijk heeft en dat ik beter bij hem in de hut kan slapen', zegt Krom zachtjes, met raspende stem. 'Voor Gaya en Urgh is het makkelijker om de moeilijke beslissing te nemen dan voor jou, mijn vuurpartner, moeder van mijn kinderen'. Met tranen in haar ogen stemt Pew in met het voorstel van haar vuurpartner. Terwijl zij samen met Ani, de vuurpartner van haar vader, naar haar hut loopt vraagt zij zich wanhopig af of Krom de volgende dag wel gaat halen.

102. Een nieuwe dag begint

Eenmaal in de hut van Urgh, bij het zachte licht van een fakkel die in de grond geprikt staat, kijkt Krom vertwijfeld naar de slaapplek die Gaya hem aanwijst. 'Daar kan ik toch niet liggen', piept hij. Gaya kijkt hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. 'Met die ribben en die piepende ademhaling is het beter voor je om niet te liggen maar om zittend te slapen', reageert zij. 'En verder zou ik stoppen met dramatisch doen. Je gaat vannacht niet dood. In ieder geval niet aan je verwondingen. Als er van binnen iets kapot was gegaan had je bloed opgegeven en dat doe je niet. Ga zitten, dan maak ik even een slaapdrank voor je zodat je vannacht in ieder geval goed kunt slapen. Van slapen knap je op'. Voordat Krom op de woorden van Gaya kan reageren hoort hij zijn moeder zeggen, 'Dat dacht ik al Gaya. Dat het allemaal wel meevalt. Maar waarom ziet Pew dat niet?' 'Omdat zij zijn vuurpartner is en heel veel om hem geeft', antwoord Azel. 'Ik heb Gaya ook wel eens helemaal in paniek gezien wanneer Urgh weer iets stoms had gedaan. Dan leek het ook net of het allemaal erger was dan het het was'. Ondanks het slechte licht is het duidelijk dat er een blos over het gezicht van Gaya trekt. 'Inderdaad', zegt zij dan zacht. 'Als een geliefde persoon gewond raakt vergeet je wel eens om koel en beheerst te blijven'. 'Waarom', begint Krom aarzelend, 'Waarom moet ik dan hier slapen?'. Gaya grinnikt eens naar hem. 'Omdat je een gebroken arm en gebroken ribben hebt. Zou je in je eigen hut slapen was je waarschijnlijk wakker geworden van drie kinderen die zich vol enthousiasme op papa hadden gestort… Met eventueel een extra ribbreuk tot gevolg. Morgen kunnen we de kinderen uitleggen wat er aan de hand is en dat papa voorlopig geen boom is om in te klimmen'. Krom denkt even over de woorden van de medicijnvrouw na en laat zich dan onhandig op zijn knieen zakken om het zich daarna, in afwachting van de beloofde slaapdrank, makkelijk te maken op de huiden die zijn slaapplek zijn.

Buiten de hut, onder het afdak naast het kleine vuur, maakt Urgh het zich gemakkelijk. Naast hem staat de mand met de nog levende wolvenwelpjes en Kleintje. Nadat de twee  kleinste welpjes het leven hadden gelaten had ook de wolvin haar laatste adem uitgeblazen zodat het voeden van de laatste drie welpjes volledig bij de hutbewoners is komen te liggen. Overdag zijn vooral K'wan en Pol, met de hulp van Zen, met de beestjes in de weer. 's-nachts ontfermt Urgh zich, samen met Kleintje, over de welpjes, en slaapt tussen de voedingen door een onrustige slaap.

Bijgelicht door de eerste zonnestralen loopt K'wan de weide op, klaar om voor de welpjes te zorgen. Tas, die de laatste wacht heeft, steekt haar hand in een begroeting op, wijst dan naar Urgh en legt haar wijsvinger tegen haar lip ten teken dat K'wan stil moet zijn. De onrustige nachten hebben hun tol geeist en Urgh lijkt in een diepe slaap verzonken. Zo zacht als hij kan sluipt K'wan dichterbij, vastbesloten de kleintjes te voeren voordat zij hongerig en wel Urgh wakker piepen. Helaas. K'wan's plan mislukt hopeloos. Terwijl hij zijn hand uitsteekt naar de kleine kom waar het voedsel van de welpen in wordt bewaard slaat Urgh zijn ogen open, gevolgd door de welpjes die meteen beginnen te piepen. Met een paar grote halen van zijn tong probeert Kleintje de welpjes nog stil te krijgen maar de honger is te groot. Zo snel hij kan schept K'wan wat van de speciaal voor de beestjes gemaakte voeding in een kom en samen met Urgh voedt hij de kleintjes. Wanneer de welpjes hun buikje vol hebben en zich weer opkrullen voor een volgend dutje haalt K'wan twee kommen thee. Zwijgend drinken de mannen van hun thee waarbij K'wan zo af en toe steels over zijn kom heen naar Urgh kijkt. 'Zeg het maar K'wan', zegt Urgh, 'Ik kan zien dat je iets dwars zit'. K'wan zet zijn kom neer en zijn vingers beginnen aarzelend te praten. 'Ik ben gisterenavond geschrokken over wat jij tegen de jagers hebt gezegd. Was jij niet onnodig hard voor hen en voor jezelf? Zij doen hun best en jagen is gevaarlijk zoals jijzelf ondervonden hebt'. 'Misschien', antwoord Urgh, 'Misschien ook niet.  Zoals je zegt, jagen is gevaarlijk. Mijn eigen ervaring leert dat wanneer er lange tijd geen jachtongelukken gebeuren jagers overmoedig worden, onnodige risico's nemen. Zoals ik lange tijd geleden. Zoals Krom nu. Ik heb gisterenavond gepoogd iedereen wakker te schudden. Het had veel minder goed met Krom af kunnen lopen en het had ook zo maar de laatste jacht van Mus kunnen zijn. Ik neem niemand iets kwalijk maar ik wil wel dat de jagers de regels weer beter gaan volgen en niets aan het toeval over laten. De tijd nemen om op een veilige manier hun prooi te doden. En iemand had Durk het fluitje voor 'gevaar' moeten leren. Dan had Krom meer kans gehad om aan de bok te ontsnappen. Dat probeerde ik duidelijk te maken gisterenavond'. K'wan denkt even na 'Ik denk dat ik het snap. Ik vind het wel lastig. Voor mij horen ongevallen bij de jacht. Dieren, zeker wanneer ze in doodsangst verkeren, zijn altijd gevaarlijk. Bij ons raakte er eigenlijk altijd wel iemand gewond tijdens de jacht. Als je alleen maar met je handen praat en niet weet hoe je moet fluiten kan je niemand waarschuwen'. Even laat hij zijn handen in zijn schoot rusten. 'Ik vind het wel prettig dat de jagers hier altijd met buit en zonder ernstige verwondingen terug keren van de jacht'. Urgh knikt. 'Ik ook K'wan, ik ook. Ik hoop dat mijn woorden voldoende zijn om de jagers dat in te laten zien'. Urgh drinkt zijn theekom leeg. 'Zou je mij nog een kom thee in willen scheppen?', vraagt hij aan de kleine man. K'wan pakt de kom van Urgh aan en schept hem vol.

Dan wordt de huid voor de ingang van de hut achter beide mannen opzij geduwd en verschijnen Azel, Krom en Klee. Het is gedaan met de rust van de nacht. Een nieuwe dag is aangebroken.

103. Fluitles

Halverwege de ochtend loopt Urgh het oefenveldje op waar niet alleen de kinderen maar ook de vier leden van de Vroegere Stam onder begeleiding van Tas en Flik aan het oefenen zijn met een slinger. Stil leunend tegen een boom bekijkt hij vanaf een afstandje de verrichtingen van de leerlingen. Nu Storm en Mus hun eerste jacht mee hebben gemaakt zijn de andere kinderen nog fanatieker aan het oefenen in de hoop dat zij een volgende keer mee mogen gaan jagen. Ook de vrouwen van de Vroegere Stam lijken het slingeren onder de knie te krijgen. Alleen K’wan heeft van slingeren geen kaas gegeten. Zijn bewegingen zijn nog steeds houterig en zijn stenen raken zelden tot nooit doel. Bij elke gemiste worp gaan zijn schouders een beetje verder hangen. Zijn hele wezen straalt onmacht uit. Urgh krijgt medelijden met de kleine man. Rustig loopt hij wat dichterbij. Het is Zen die hem als eerste ziet en met een luidde ‘JURG!’ begroet. ‘Ha Zen’, begroet hij de jongen. ‘Ben je lekker aan het oefenen?’. De jongen knikt. ‘Zen worrt grooot jaagr’,  antwoord hij. ‘Wwolffie?’, vraagt hij dan. ‘Kleintje en de welpjes liggen lekker bij het vuur’, verteld Urgh. ‘De welpjes hebben net gegeten en liggen nu te slapen’. Zen knikt. ‘Jurg lless?’. ‘Vandaag niet Zen. Ik ben met andere dingen bezig. Dingen waar ik K’wan bij nodig heb’. K’wan kijkt de lange man verbaasd aan. ‘Mij?’, vragen zijn handen terwijl de slinger vrolijk rondslingert. Urgh knikt. ‘Wat dan?’, vraagt K’wan en ziet tot zijn schrik hoe Urgh de steen die uit zijn slinger schiet maar ternauwernood ontwijkt. ‘Hang je slinger aan je riem voordat je gaat praten’, bromt Urgh. ‘En wat dat vertel ik je zo dadelijk’. K’wan knikt, hangt met een beschaamde blik op zijn gezicht zijn slinger aan zijn riem. ‘Goed blijven oefenen’, zegt Urgh tegen de anderen, ‘Binnenkort mag een van jullie mee op jacht’. De gezichten van de kinderen lichten op en met vernieuwde ijver vervolgen zij de les.

In stilte lopen Urgh en K’wan richting het dorp. K’wan’s handen herhalen zijn vraag maar Urgh kijkt overal behalve naar de handen van de kleine man. Bij het vuur met de welpjes aangekomen gaat Urgh zitten en wijst K’wam om hetzelfde te doen. Een van de welpjes doet haar ogen open, schuift naar K’wan toe en begint aan zijn handen te likken. K’wan begint het beestje automatisch achter de oortjes te kriebelen, geniet van de zachte donshaartjes. Het houterige verdwijnt uit zijn houding, het stuurse uit zijn gezicht.  ‘Over een paar weken zijn ze oud genoeg om ze wat dingen te leren’, zegt Urgh. Al aaiend kijkt K’wan Urgh aan. ‘Ik heb Kleintje geleerd te reageren op fluitsignalen’, vervolgt Urgh. Het gezicht van K’wan betrekt. Hij stopt met aaien en zegt ‘Ik kan niet fluiten’. ‘Dat zei je vanmorgen’, zegt Urgh, ‘Toch denk ik dat jij een goede vriend voor dat wolfje zou zijn. Dat betekent dat je moet leren fluiten’. ‘Als dat net zo goed gaat als slingeren’, antwoord K’wan, ‘Dan wordt het nooit wat’. Urgh grinnikt even. ‘Eerst proberen, dan pas klagen K’wan. Bovendien denk ik te weten waarom jij niet zo goed kunt slingeren maar ik weet het niet zeker. Maar daar komen we wel achter. Ik stel voor om dadelijk naar het strand te gaan en daar een plekje te zoeken waar je kan oefenen. Maar nu drinken we eerst even een kom thee’. K’wan legt het welpje voorzichtig terug in de mand, staat dan op en schept twee kommen thee in. ‘Wie let er dan op de welpjes?’, vraagt hij wanneer hij weer zit. ‘Krom’, antwoord Urgh prompt. ‘Die kan met zijn gebroken arm toch niet veel anders doen’.

Een kwartiertje later lopen beide mannen de weide af en via het pad naar de rivier, op zoek naar een rustig plekje voor K’wan eerste fluitles.

104. Gevaar

‘Ik heb wel een probleem met het geven van fluitles’, bekent Urgh wanneer beide mannen de kleine, goed beschutte open plek even voorbij het strand met de drijfbomen hebben bereikt. ‘Ik weet eigenlijk niet precies wat ik doe wanneer ik fluit. Volgens mij heeft fluiten met het verplaatsen van lucht te maken, volgens Elm met de positie van de tong en de tanden. Ik leg meestal mijn tong zo tegen mijn tanden aan’, en hierbij doet Urgh voor wat hij bedoelt,  ‘En stuur daar dan de lucht langs. Zo!’. Urgh laat een langgerekt schel gefluit horen. K’wan legt zijn tong tegen zijn tanden aan en blaast… en blaast… en blaast…. Hij tuft er aardig op los, maar geluid komt er niet uit. Na een aantal pogingen zegt hij ‘Het is net als met slingeren. Ik kan het niet’. Hij laat zijn hoofd wat hangen. ‘Oh ja, slingeren’, zegt Urgh. ‘Daar zouden we het ook even over hebben'.

Urgh staat op en pakt de slinger die hij aan zijn gordel heeft hangen. ‘De meeste van ons’, zegt hij, terwijl hij zijn rechter kruk tegen een boom zet,  ‘Slingeren met deze hand’. Dat gezegd hebbend draait hij de slinger een aantal maal rond en maakt dan het gebaar van loslaten. ‘Maar soms zijn er mensen’, en hierbij wisselt hij de kruk van links naar rechts en de slinger van rechts naar links, ‘Die slingeren met deze hand’. Hij legt een steen in de slinger, draait de slinger een aantal maal rond en gooit de steen richting een boom. De steen schampt langs de boom. ‘De mensen die met deze hand raak kunnen gooien zijn mensen diehun eten met deze hand opscheppen, hun theekom met deze hand vasthouden’. Hierbij houdt hij zijn linkerhand omhoog. ‘Net als jij’, voegt hij er aan toe. ‘Probeer eens met deze hand te slingeren in plaats van de hand waar ik goed mee kan gooien’.

K’wan doet wat hem gevraagd wordt, pakt de slinger in zijn linkerhand, legt er een steen in, draait de slinger een aantal malen stevig rond en laat de steen richting boom vliegen. Net als de steen van Urgh schampt de steen de boom. ‘Ik denk dat ik gelijk heb’, zegt Urgh, ‘Zo dicht heb je een doel nog nooit geraakt’. K’wan kijkt hem verheugd aan, pakt een steen en vult zijn slinger. ‘Terwijl jij oefent met slingeren’, zegt Urgh, ‘Laat ik je de diverse fluitjes horen en vertel je waarvoor we ze gebruiken. Goed?’. Afwezig knikt K’wan van ja en laat weer een steen uit zijn slinger vliegen. Dit keer raakt de steen de boom al meer naar het midden. De grijns op het gezicht van de kleine man wordt groter. Na elk fluitje wat Urgh laat horen gooit  K’wan een steen richting de boom en probeert het fluitje te imiteren. Bijna elke steen treft doel maar er komt geen gefluit achter zijn tanden vandaan. Dan is K’wan door zijn stenen heen. ‘Ik loop even naar het strand en pak een paar stenen’, seinen zijn handen. ‘Urgh knikt. ‘Probeer zo min mogelijk lawaai te maken wanneer je door het struikgewas loopt’, zegt hij. ‘Dat hoort ook bij het jager zijn. k’wan knikt en met zijn ogen strak op het pad gericht om zo takjes die kunnen kraken te ontwijken verdwijnt hij in het struikgewas. Urgh kijkt hem glimlachend na, tevreden over het resultaat van de slingerles. 

Net wanneer het tot Urgh doordringt dat de normale bosgeluiden afwezig zijn hoort hij een zacht gefluit. Drie maal, ten teken dat er gevaar dreigt. Het komt uit de richting van het strand. Snel herhaalt hij zo hard hij kan het signaal van K’wan, pakt zijn kruk en slinger en verdwijnt in het struikgewas, op zoek naar het gevaar waar K’wan voor heeft gewaarschuwd. 

105. De indringer op het strand

Nog voor hij goed en wel in beweging is hoort hij het gebrul van een beer. Zo snel hij kan loopt hij richting het strand. Net voor de overgang van struikgewas naar strand blijft hij stilstaan om de situatie in zich op te nemen. Hij ziet K’wan die vlak voor het struikgewas stokstijf stil staat. Of het van schrik is of dat hij hoopt dat de beer hem zo niet opmerkt weet Urgh niet. De beer zelf, een groot, zwart exemplaar, staat in het ondiepe water van de rivier aan een grote vis die half op het strand ligt te knagen. Hij lijkt K’wan nog niet gezien te hebben. 

‘K’wan, als hij een hap neemt doe je een stap achteruit’, zegt Urgh zo zachtjes mogelijk. Hij weet niet of de kleine man hem gehoord heeft. De beer buigt zijn kop voorover en neemt een flinke beet uit de vis. K’wan doet voorzichtig een stapje achteruit en wacht tot de beer weer een hap neemt. Hapje voor stapje verdwijnt K’wan richting het struikgewas. Bij zijn laatste stap achteruit voordat hij tussen de struiken staat trap hij op een tak die met een scherpe knak breekt. De beer draait zich, op zijn achterpoten staand, richting het geluid. De vis is vergeten. Hij ziet de beweging van de struiken en met een hard grommend gebrul laat hij zich op vier poten zakken en rent recht op de twee mannen af. Dan raakt een steen hem van achteren tegen zijn linkerschouderblad. De beer blijft staan. Hij wordt getroffen door een tweede steen, nu tegen zijn rechterflank. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij beweging aan zijn linkerkant. Hij draait die kant op en woest brullend rent hij recht op de beweging af. Nu wordt hij van alle kanten getroffen door stenen. Verward blijft hij staan. Probeert zich op zijn doel te focussen maar de mensen bewegen te veel en elke steen treft doel. Hij ziet nog maar een uitweg. Terug naar waar hij vandaan kwam, terug het water in. Te laat ziet hij dat zijn weg versperd wordt door mannen met werpspiesen. De ene spies na de andere raakt hem. Hij wijkt uit, richting de rotsen bij het water. De stenen die hem treffen worden groter en zwaarder. Zo snel hij kan vlucht hij. Dan staat ineens Tork voor hem. zijn werpspies met beide handen omklemt. De beer richt zich op en slaat met zijn klauwen richting Tork die dankbaar van de gelegenheid gebruik maakt om zijn spies recht in het hart van de beer te steken. Tork laat de spies los en danst buiten het bereik van de klauwen van de beer. De beer laat zich op alle vier zijn poten terugzakken waardoor de spies nog dieper zijn lijf binnendringt. Hij struikelt, probeert weer overeind te komen, struikelt weer en valt luid grommend en brullend half in het water. Nogmaals doet hij een poging om op te staan maar zijn poten willen hem niet meer dragen. Met een laatste langgerekte brul zakt hij op de grond. Zijn machtige achterpoten klauwen in het zand maar krijgen geen grip. Dan ligt hij stil. De jagers op het strand barsten in een luid gejuich uit.

De twee mannen aan de rand van het strand halen opgelucht adem. Een scherpe lucht bereikt Urgh’s neus.  De kleine man naast hem heeft uit angst zijn water laten lopen. Beschaamd kijkt K’wan hem aan. ‘Ik ben geen groot jager’, seinen zijn handen. ‘Een groot jager ziet zijn prooi onverschrokken naderen’. Urgh schiet in de lach. ‘De eerste jager die een prooi van dit formaat onverschrokken ziet naderen moet nog geboren worden’, antwoord hij. ‘Schaam je niet K’wan. Dit is elke jager wel eens overkomen. Oog in oog met de dood doet het lichaam dingen waar je je op dat moment niet druk over kunt maken’. Het gezicht van K’wan verteld hem duidelijk dat hij de grote man naast hem niet echt geloofd. Toch loopt K’wan samen met Urgh naar de jagers die met de rug naar hun toe bij de beer aan de waterkant staan.

Waarschijnlijk doordat de rotsen waar de beer ligt doordrenkt zijn van bloed glijdt Urgh uit. In zijn val sleurt hij de kleine man naast hem mee en samen belanden zijn, oog in oog met de dode beer, in het ondiepe water van de rivier. Met een vlugge beweging grijpt Urgh zijn krukken die weg dreigen te drijven en staat, steunend op de krukken, op.

‘Het is maar goed dan jullie hier waren en jij ons waarschuwde Urgh’, zegt Zan. ‘Ik moet er niet aan denken dat die beer het dorp ingewandeld was’. ‘De eer gaat volledige naar K’wan’, antwoord de dorpswijze. ‘Hij was het die de beer als eerste zag en mij met een fluitsignaal waarschuwde, waardoor ik jullie weer kon waarschuwen’. Alle blikken richten zich op K’wan die samen met Urgh het strand op loopt terwijl het water uit zijn kleren loopt. Tork pakt zijn mes, wenkt K’wan om dichterbij te komen en zegt ‘Dan is de huid voor jou en is het nu tijd voor je eerste les villen en uitbenen’. Voor K’wan iets kan zeggen begint Tork aan zijn uitleg. ‘Kijk, dan maak je hier een snede in de huid en…’. 

Met een tevreden glimlach rond zijn mond kijkt Urgh naar de kleine man van de Vroegere Stam die vanaf nu echt bij de dorpsbewoners hoort. Met een knikje naar  K’wan en de jagers draait hij zich om en wandelt in een rustig tempo, zwaarder op zijn krukken leunend dan anders, terug naar het dorp. Tijdens zijn val in het water heeft hij de knie van zijn slechte been flink gestoten. 

106. Lentestorm

De wandeling over de vochtige rotsen, afgewisseld door zanderige stukken, valt hem zwaarder dan hem lief is. Bij de drijfbomen aangekomen laat hij zich achter een van de bomen op de grond zakken en leunend met zijn rug tegen de boom staart hij over het water. Het zonlicht weerkaatst op het water en maakt dat hij zijn ogen tot kleine spleetjes knijpt. Terwijl hij daar zo zit realiseert hij zich dat hij moe is. Zo moe. Langzaam zakt zijn hoofd voorover. Alleen de kloppende pijn in zijn been houdt hem enigszins bij de les. Weer schittert het licht in zijn ogen en met een ruk brengt hij zijn hoofd omhoog en spert zijn ogen wagenwijd open. Maar niet voor lang. ‘Nona, Onna, wat doen jullie hier?’, mompelt hij. Dan voelt hij zelfs het kloppen in zijn knie niet meer en zakt langzaam onderuit. 

‘Waarom laten we de beer hier liggen?’, vragen de handen van K’wan. ‘Al het bloed moet er eerst uitlopen voordat we hem gaan villen en in stukken hakken’, antwoord Tork. ‘Knaagdieren en klein wild kan je nog wel vol bloed villen, maar een beer… Een beer is te groot. Dan is er te veel bloed’. ‘Nog meer bloed?’, vragen zijn handen en hij kijkt verbaasd. Zowel Tork als de kleine man zijn bedekt met bloed van de beer. ‘Nog meer bloed’, zegt Tork. De oude jager loopt naar de waterkant waar de overige jagers als ronddobberen en trekt zijn kleren uit. ‘Ik ga het bloed van mijzelf en uit mijn kleren wassen'. Grinnikend vervolgd hij: 'Als ik jou was zou ik dat ook doen, anders krijg je ruzie met M’na’. De kleine man kijkt hem even aan. Zijn wangen kleuren. ‘Zijn jullie al tot overeenstemming gekomen? Het duurt niet lang meer voor de zomerzonnewende’, vraagt Tork verder. De wangen van K’wan kleuren nog dieper. ‘Wat heb ik, een dorpswijze zonder dorp, zonder voorouders, zonder jagers, zonder voedselzoekers, M’na te bieden. Zij is medicijnvrouw en wordt door de beide andere medicijnvrouwen als gelijke behandeld terwijl ik samen met de kinderen leer jagen, kommen maken en voor schapen zorgen.'. Tork schiet in de lach. ‘Jij bent een wolventemmer. Dat is ook heel bijzonder. En jij hebt het dorp van de beer gered. Moet ik Gaya vragen of zijn M’na wil polsen?’. Even kijkt K’wan hem hoopvol aan. Dan betrekt zijn gezicht en  schudt hij zijn hoofd van nee. ‘Ik ben M’na niet waardig’. Tork opent zijn mond om nog wat te zeggen maar K’wan schudt gedecideerd van nee. ‘Nee Tork, ik ben M’na niet waardig’. Schouderophalend sluit Tork zijn mond en laat zich in het water vallen om het berenbloed van zijn lijf te wassen. K’wan volgt zijn voorbeeld. Wanneer de kleine man naar adem happend weer boven water komt opent hij zijn ogen maar knijpt ze meteen weer dicht vanwege het water uit wat uit zijn haren in zijn ogen loopt en het zonlicht wat fel en schitterend door het water wordt weerkaatst. Even meent hij uit zijn ooghoeken iets te zien bewegen bij de drijfbomen. Wanneer hij wat langer die kant op kijkt ziet hij niets bijzonders. ‘Zal het zonlicht wel zijn geweest’, denkt hij, en richt zijn aandacht op het gesprek van de jagers.

Het gesprek duurt niet lang. Ineens schuift er een grote donkere wolk voor de zon en begint de wind aan te trekken. ‘Lentestorm’, zegt Tork. ‘We moeten het karkas van de beer goed vastzetten en dan zien dat we boven komen’. De mannen komen het water uit en trekken hun natte kleding aan. In een razend snel tempo wordt het donker. ‘Flik, Krap, ren naar het dorp. Zorg dat de kinderen zo snel mogelijk van het oefenveldje worden gehaald. Probeer iedereen en de beesten van Elm in de grotten te krijgen’. Flik en Krap knikken en beginnen te rennen terwijl de wind aan hun kleren trekt. K’wan helpt Tork en Zan mee met het vastzetten van het karkas. Dan worden de mannen opgeschrikt door een enorme bliksemflits gevolgd door een harde donderklap. Weer meent K’wan iets te zien bij de drijfbomen. ‘Kom, we gaan naar het dorp’, zegt Tork. Worstelend tegen de wind lopen de jagers naar het pad tegen de rotswand. Het is ondertussen zo donker als de nacht. Alleen de bliksemflitsen lichten hen zo af en toe bij. K’wan, die minder gespierd is dan de jagers raakt snel achterop. Achter hem hoort hij een enorme donderklap die maakt dat hij onbewust om kijkt. De donderklap wordt gevolgd door een bliksemflits en dan weet K’wan het zeker. Daar aan de waterkant, bij de drijfbomen, ligt het lichaam van een mens. Zonder stem en in het donker kan hij de aandacht van de jagers niet trekken. Hij laat een zielig fluitje horen maar dat komt niet boven het geraas van de storm uit. De kleine man staat in tweestrijd. ‘Wat zou Urgh in zo’n geval doen?’, vraagt hij zich af. Zijn voeten weten het antwoord eerder dan zijn hoofd. Hij draait zich om en loopt hij richting de drijfbomen. Een door de wind opgestuwde golf slaat over de waterkant heen en pakt een drijfboom op en trekt het vaartuig het water in. Met de wind half in de rug is K’wan sneller dan verwacht bij de overgebleven drijfbomen. Bij het licht van een bliksemflits ziet hij Urgh liggen. Ondanks de wind en regen ligt de grote man met dichte ogen doodstil. K’wan laat zich op zijn knieeen bij het lichaam neervallen en zijn handen zoeken in de nek van de grote man naar een teken van leven. Weer slaat een grote golf over de waterkant heen. De drijfboom waar Urgh achter ligt begint vervaarlijk te bewegen. Zonder verder na te denken, zonder duidelijkheid of Urgh nog leeft,  pakt K’wan de grote man onder zijn oksels vast en begint hem achteruitlopend bij de drijfbomen weg te slepen, richting de rotswand. De wind lijkt van alle kanten te komen, rukt aan zijn kleding.

Opwaaiend zand striemt langs zijn gezicht, zijn handen, in zijn ogen. Tergend langzaam komt hij vooruit. Hij voelt zijn armen nauwelijks meer. Dan bereikt hij een paar flinke rotsblokken die op het strand liggen en die een vage kom vormen. Hij trekt, duwt en schuift de lange man de kom in. De regen valt daar net zo hard als buiten de kom, maar de wind is hier een stuk minder. Er zit niets anders op dan hier te wachten tot de storm gaat liggen. Zijn tanden klapperen van vermoeidheid en kou. Een enorme bliksemschicht verlicht de hemel, het strand, en de rotswand. Even meent de kleine man en schittering in de ogen van Urgh te zien maar voor hij dat met zekerheid kan vaststellen is de wereld weer donker, zwart. In de stromende regen, met de wind die rond de rotsen raast weet K’wan het zeker. Deze nacht gaan Urgh en hij niet overleven!

107. Het oog van de storm

‘Het is een draaistorm’, heeft Elm Tork toegeroepen toen de oude jager de onderste grot uitliep, op weg naar de weide om nog eenmaal te controleren of iedereen een veilig onderkomen heeft gevonden. Maar zo ver is hij niet gekomen. De regen maakt dat het pad een grote modderpoel is geworden, de wind probeert hem van het pad af te blazen en hij ziet geen hand voor ogen meer. Schuifelend langs de rotswand ziet hij kans de betrekkelijke veiligheid van de middelste grot te bereiken. Eenmaal in de grot heeft de wind wat minder vat op hem maar Tork weet dat hij pas echt in veiligheid is wanneer hij een van de kleine zijgrotten heeft bereikt. 

Eenmaal voorbij de rotswand die de afscheiding vormt tussen de grote en de zijgrot ziet hij in de verste hoek, daar waar de wind echt niet kan komen, een klein vuur branden. Er omheen zitten een aantal vrouwen en kinderen. ‘Welkom Tork’, roept Gaya boven het bulderen van de wind uit. ‘Thee?”. Om haar vraag te ondersteunen houdt zij een lege kom omhoog. Dankbaar loopt hij naar de kleine vrouw toe. Hij is nat tot op het bot en moet er moeite voor doen zijn tanden niet te laten klapperen. Met de kom warme thee in zijn handen maakt Tork het zich makkelijk op de koude harde grond van de grot. Maar niet voor lang. Dan wordt hij, net als alle andere mensen in de grot, opgeschrikt door een harde klap gevolgd door een flinke knal. Het geluid lijkt uit de grote grot te komen. Storm wil gaan kijken. ‘Hier blijven’, brult Tork. ‘Ik ga wel kijken. Jij bent te klein en te licht en kunt door de wind opgepakt worden'. Met de kom thee nog in zijn hand loopt Tork naar het punt waarop de grote en kleine grot in elkaar overgaan. De ingang van de kleine grot wordt gedeeltelijk versperd door de kruin van een boom die door de wind de grot is ingesmeten. ‘We hebben geluk’, zegt hij eenmaal terug bij het vuur. ‘We hebben nu brandhout genoeg en de boom breekt de wind een beetje. Maar het is niet veilig om deze grot uit te gaan’, vervolgt hij, terwijl hij de kinderen een voor een strak aankijkt. De kinderen knikken een voor een dat ze hem begrepen hebben. ‘Hoe lang duurt zo’ draaiende storm?’ vraagt Klee. ‘Ik heb zelf nog nooit een draaiende storm meegemaakt’, antwoord Tork, ‘Maar ik zal jullie vertellen wat ik van Ergh, onze vroegere dorpswijze, heb geleerd’. Hij gaat er eens goed voor zitten, neemt een slok thee en begint te vertellen. ‘Een draaiende storm is de gevaarlijkste storm van allemaal. Zij duurt komt altijd onverwachts, duurt nooit lang maar heeft de kracht om bomen te ontwortelen en samen met rotsblokken te laten vliegen. De regen die zij meeneemt maakt de wereld in een ogenblik tot een grote modderpoel en ook die modder is sterk genoeg om ontwortelde bomen en rotsbokken te verplaatsen. De donder slaat rotsen kapot, De bliksem zet bomen in brand. De zon verdwijnt. De wereld wordt zwart, nog zwarter dan de nacht omdat er geen sterren zijn.  Een draaistorm is ook verraderlijk. Ineens is de wind weg, regent het niet meer, trekken donder en bliksem zich terug en wordt de wereld fel verlicht. Die rust duurt niet zo lang. Ongeveer lang genoeg om van hier naar het strand te lopen en weer terug. Dan zijn wind, regen, donder en bliksem weer terug… Pas wanneer zij langzaam minder worden is de draaistorm voorbij en is het veilig om naar buiten gaan’. Tork valt stil, neemt een slok van zijn thee. De kinderen die zich rondom hem hebben geschaard kijken hem met open mond en angstige ogen aan.

In de volgende grot, die iets dichter bij het strand en de rivier ligt, hebben de jonge jagers en Pew hun toevlucht gezocht. Door de afwezigheid van brandhout zitten de jonge mensen in het donker. Eerst kwam er nog wat licht door een van de kijkgaten in de zijwand binnen maar nu het buiten pikdonker is, is het dat binnen ook. Door de kijkgaten komt nu alleen nog water en wind naar binnen. Behalve wanneer het buiten bliksemt. Dan baadt de grot even in een eng fel licht.  Dan horen de jonge mensen een schurend geluid boven hen. ‘Het lijkt wel of de rotsen in tweeën worden gescheurd’, zegt Krom.  ‘Weet trouwens een van jullie wat een draaistorm is?’. ‘Wie zegt dat dit een draaistorm is?’, vraagt Pew. ‘Elm’, is het antwoord van Krom. ‘Weet jij wat het is dan Pew?’ Even is zijn vuurpartner stil, dan zegt zij, terwijl zij moeite moet doen om boven het geluid van de storm uit te komen ‘Ik zal jullie vertellen wat ik van Ergh, onze vroegere dorpswijze, over draaistormen heb geleerd.

De oudere jagers, hun vuurpartners, Elm, Marg, Azel, Yali, Kleintje, de welpjes en de schapen hebben zich teruggetrokken in de oude werkplaats van Azel. Door de ligging van de grot kan de wind daar niet komen. Er brandt een behaaglijk vuur wat naast warmte ook voldoende licht geeft om te zien hoe Kleintje onrustig jankend voor het houten schot wat de werkplaats van de rest van de grot scheidt ronddrentelt. Naast het vuur staat een grote kom met kruidenthee. Alleen de geur van nat schaap en het gebulder van de wind buiten de grot maakt dat de mensen zich bewust zijn van de ernst van de situatie. De mannen en vrouwen maken het zich gemakkelijk op de banken die tegen de rotswand aan staan. Elm zit onderuit gezakt, met zijn ogen op het vuur gericht. Zijn hoofd voelt zwaarder en zwaarder aan en de grot en de mensen om hem heen lijken te verdwijnen.

Ineens staat Onna voor hem. ‘Elm. Luister goed. Het oog van de storm nadert. Gebruik de rust van het oog om Urgh en K’wan, die nog buiten zijn, te redden. Kleintje zal jullie naar hen toe leiden. Schiet wel op want de rust van het oog duurt niet lang en Urgh en K’wan houden het niet lang meer vol buiten in de wind, kou en regen’. Elm slaat een kreet van verschrikking, wil Onna wat vragen maar zijn zus is al weer verdwenen. Dan voelt hij hoe iemand hem door elkaar schudt. ‘Elm, wakker worden. Je bent in slaap gevallen en hebt een nachtmerrie’. Elm slaat zijn ogen open. ‘Geen droom’, mompelt hij. ‘Onna verscheen. Zij vertelde mij dat Urgh en K’wan nog buiten zijn en dat wij hen tijdens het oog van de storm moeten redden. Kleintje zal de weg wijzen’.

‘Doe niet zo gek’, reageert Tak. ‘Urgh en K’wan kunnen niet buiten zijn. Urgh is al van het strand vertrokken voordat het begon te waaien en K’wan is al die tijd bij Tork en mij geweest’. ‘Zeker weten?’, vraagt Azel. ‘Ik heb Urgh en K’wan voor het laatst gezien toen zij naar beneden liepen voor de fluitles. Urgh is daarna niet meer terug in het dorp geweest. En als K’wan bij Tork en jou was, waar is hij nu dan? Hier in ieder geval niet’. Tak krabt zich eens achter zijn oor. ‘Ik weet het niet’, antwoord hij dan. ‘Maar ik kan niet geloven dat zij nog buiten zijn. Ik bedoel, Urgh! Buiten! In dit weer!! Het was een droom!!’. ‘Ik weet het ook niet’, antwoord Elm, ‘Misschien is het een droom. Misschien ook niet. Maar stel dat zij wel buiten zijn. Dat Kleintje hen vindt. Wat moeten wij doen om hen in de korte tijd rust die het oog van de storm ons geeft te redden en hier in de grot te krijgen?’. ‘Touwen en manden’, antwoord Azel prompt. ‘De reling langs het pad is vast weggewaaid. De trap zal glad zijn. Naar beneden is geen punt, dan glijdt je maar. Naar boven, is lastiger. Zeker omdat Urgh en K’wan er dan bij zijn en die zullen na al die tijd buiten niet veel meer kunnen’. De vakman staat op en begint tussen zijn voorraden te rommelen. Eerst gooit hij de mand waar het brandhout in wordt bewaard leeg. Dan pakt hij een groot stuk leer. ‘Elm, pak jij ook een stuk leer. We moeten repen snijden. De anderen kunnen van die repen dan dikkere repen vlechten. Dik genoeg en sterk genoeg om een mand met daarin en man naar boven te trekken’.

‘Maar wat’, zegt Tak, die het verhaal van Elm niet wil geloven, ‘Als Urgh en K’wan gewoon in de volgende grot blijken te zitten?’.  Azel haalt zijn schouders op. Het is Yeti, Tak’s vuurpartner, die antwoord. ‘Ik vlecht liever repen leer die we niet hoeven te gebruiken, dan dat ik nu niets doe en we er achter moeten komen dat Urgh en K’wan echt op het strand zijn’.

Wanneer al het aanwezige leer in repen is gesneden schuift Azel het schot wat de werkplaats van de rest van de grot afscheidt weg. Voorzichtig, om niet door de wind gegrepen te worden, schuiven de mannen en Marg, vergezelt door Kleintje, langs de rotswand naar de ingang van de grot om daar het leren touw met de mand zo stevig mogelijk vast te maken en om te wachten op het oog van de storm.

108. Reddingsactie

Het gebulder van de storm wordt harder en harder en dan ineens… gaat de wind liggen en baad de wereld in het licht. Kleintje schiet de grot uit. Glijdend en schuivend over de modder op het pad bereikt hij het strandje en rent naar de kleine kom tussen de rotsen. Iets langzamer laten Zan en Tak zich via het pad naar beneden glijden. Het strand is beter begaanbaar dan verwacht.
Azel, Elm en Marg laten de mand naar beneden zakken. Dan verschijnt Flik in de opening van de volgende grot. 'Wat zijn jullie aan het doen?', vraagt hij verbaasd. Marg kijkt hem even aan. 'Er zijn nog mensen op het strand', anwtoord zij dan. 'Wie zitten er nog meer bij jullie in de grot?'. 'Tas, Pew…'. 'Laat Pew hierheen komen', zegt Marg. 'En kom jij ook maar. We kunnen dadelijk wel wat hulp gebruiken!'. Flik aarzelt even. Dan ziet hij hoe de twee oude jagers een kleine gestalte uit de kleine kom op het strand trekken. 'Is dat een van de kinderen?', vraagt hij. 'Wat doet een kind bui..' Weer onderbreekt Marg hem. 'Schiet op Flik, voordat het oog deze plek verlaat en de storm weer losbarst. Laat Pew hierheen komen, en kom zelf ook'.

Dit keer doet Flik wel wat van hem gevraagd wordt. Hij keert zich om en rent de grot in. 'Pew, Pew, kom hier. Marg in de grot hiernaast heeft je nodig'. Hij krijgt een ingeving. 'Pol, Frag, komen jullie ook. Maar wel snel'. Binnen een paar tellen maken niet alleen Pew en de genoemde jagers zich los uit de duisternis van de grot, maar ook de andere jonge mensen die er schuilen. 'Wat is er aan de hand?', vraagt Tas. 'Er is nog iemand buiten', antwoord Flik. 'Een kind zo te zien. De jagers zijn samen met Kleintje naar buiten gegaan om het kind te redden. Het pad is onbegaanbaar, dus ze moeten via een mand omhoog getrokken worden'. Na dit gezegd te hebben draait hij zich om en loopt de grot voorzichtig uit. Pew, Pol en Frag volgen hem op de voet. Geconcentreerd, alleen op het pad lettend om niet in de modder uit te glijden, lopen de vier mensen naar de lager gelegen grotopening. Dan horen zij Tas roepen 'Het is geen kind, het zijn K'wan en Urgh'.

Van schrik zet Flik zijn voet vol in de dikke glibberige modder en voelt hoe hij onderuit gaat. Hij probeert zich vast te grijpen aan de rotswand maar die is te glad en geeft geen houvast. Hij valt en op zijn knieen schuift hij het pad af. 'Grijp het touw', roept Azel hem toe wanneer hij bijna bij de lager gelegen grot is. 'Blijf daar!', roept hij er scherp richting Tas die aanstalte maakt ook naar beneden te komen.

Met een hand weet Flik zich vast te grijpen. Klauwend met zijn andere hand heeft hij het touw met twee handen te pakken en voelt hoe hij omhoog gesjort wordt.  Eerst langzaam, maar wanneer Pol en Frag, die de grot ook hebben bereikt, hun handen en rug in de strijd gooien, sneller. Pew en Marg trekken hem het laatste stuk naar binnen en wurmen het leren touw uit zijn handen.

Het is Tak, met K'wan op zijn rug, die als eerste de mand onder aan het pad bereikt. Hij schuift de kleine man de mand in. Keert dan om om Zan te helpen die vecht met het gewicht van de lange man. Wanneer beide oude jagers met Urgh bij de rotswand komen is de mand al weer beneden. Snel duwen zij Urgh in de mand en zien hoe deze met vereende krachten omhoog gehesen wordt. De mand komt weer naar beneden. 'Jij eerst', zegt Zan tegen Tak. 'Nee, ga jij maar', antwoord Tak. 'Schiet op stelletje ouwe neuzelaars', roept Elm van boven. 'De storm komt er weer aan. Dadelijk zijn we te laat'. Zan kijkt over zijn schouder, ziet Kleintje, ziet de storm. Hij grijpt de wolf en gooit hem in de mand. 'Grijp de mand vast Tak', roept hij, 'Dat doe ik ook'.

Vanwege het gewicht gaat de mand dit keer tergend langzaam omhoog. De mensen in de grotopening zetten zich schrap, lopen met het leren koord in hun handen achteruit de grot in. Elm ligt op zijn knieen in de opening van de grot. Wanneer de mand daar is springt Kleintje er uit en rent de grot in, naar het vuur, naar zijn vriend. Elm grijpt het tuniek van Tak vast en trekt de oude jager de grot in. Tak blijft hijgend liggen. Zan wordt, zich nog vastklemmend aan de mand, door de andere ver de grot in getrokken. Elm grijpt Tak bij zijn tuniek en trekt hem verder de grot in, naar de veilige werkplaats.
Ze zijn precies op tijd. Net wanneer hij het schijnsel van het vuur ziet wordt de wereld weer donker en begint de wind weer te bulderen.

109. Natte tongen

De twee mannen bij het vuur liggen doodstil. Ze zijn doorwerkt en in en in koud. Pew voelt eerst voorzichtig bij Urgh in zijn hals naar een teken van leven, dan bij K'wan. 'Ze leven beide nog', zegt zij tevreden. 'Maar maar net. Het is nu zaak dat zij zo snel mogelijk warm worden. Daarom moeten eerst die natte kleren uit'. Met een mes snijdt Pew de koorden die de kleding van Urgh bij elkaar houden door. Marg ontfermt zich over de kleding van K'wan. Azel stookt het vuur nog wat op terwijl Yali op zoek gaat naar warme huiden om de mannen in te draaien. Als twee rupsen in een cocoon liggen de mannen naast het vuur. Kleintje en de welpjes proberen zich naast de mannen te nestelen maar Pew blijft hen wegduwen. Zo af en toe voelt Pew of de mannen al warm worden, of het teken van leven in hun hals sterker wordt, hun adem dieper. Hoewel de huid van de mannen steeds warmer aanvoelt blijft hun ademhaling ondiep en het teken van leven in hun hals zwak. Buiten buldert de wind nog steeds. Beukt tegen de grot, fluit door het voorportaal, kwakt modder tegen de achterwand.
'Ik begrijp het niet', zegt Pew terwijl haar ogen die van Elm zoeken. Hun huid is warm, zij zouden bij moeten komen'. Elm kijkt haar peinzend aan. 'Het lijkt wel', zegt hij, 'Of zij op pad zijn naar de voorouders'. Marg laat een gesmorde kreet horen. 'Nee, nee', jammert zij zachtjes. 'Laat dat niet waar zijn'. Kleintje maakt van de ontreddering gebruik om dicht tegen Urgh aan te kruipen en hem stevig over zijn gezicht te likken. Bij het schijnsel van het vuur meent Elm te zien hoe Urgh zijn neus een beetje beweegt. Hij  laat zich op zijn knieeen naast Urgh vallen. Voorzichtig maakt hij de huid die om de man heen is geslagen wat los zodat Kleintje dichter tegen hem aan kan kruipen. Als dank likt Kleintje hem over zijn hand om daarna rustig aan de vrijgekomen hand van Urgh te gaan sabbelen. De hand van Urgh beweegt iets, alsof hij de wolf probeert te aaien.

 'Laat mij er langs Onna!', zegt de lange man gebiedend tegen zijn moeder. Over haar hoofd heenkijkend ziet hij hoe de kleine man van de Vroegere Stam omringd wordt door zijn vier voorvaderen. 'Ik moet K'wan helpen'. 'Nee Zoon. Dit keer kan jij K'wan niet helpen. Dit keer zal K'wan het helemaal alleen moeten doen. Zal hij zelf zijn voorvaders moeten overtuigen van zijn wil om te leven zodat zijn geest terug kan keren naar zijn lichaam'. 'Hij heeft mijn leven gered', antwoord Urgh. 'Ik moet hem helpen'. 'Wanneer jij voorbij dit punt gaat Urgh', antwoord Onna, 'Zal jij sterven. Dan is het offer van K'wan voor niets geweest. Keer om zoon, ga terug naar je lichaam'.  Even voelt het alsof Kleintje hem in zijn gezicht likt. Urgh haalt zijn neus op. 'Ga terug Urgh. Terug naar je vuurpartner, je kind, de dorpsgenoten. Help K'wan vanuit de wereld der levenden'.  Urgh voelt de druk van de tanden van Kleintje rond zijn hand. Hij trekt zijn hand wat terug en aait de wolf over zijn kop.   Zijn lichaam begint zijn geest terug naar de wereld der levenden te te trekken. 'Houd stand K'wan, ik kom je helpen', roept hij en slaat zijn ogen open.

Even is hij gedesoriënteerd. Hoort het snikken van Marg, de kreet van Elm. 'Urgh leeft, hij leeft'. 'K'wan, salie, welpje', mompelt Urgh. Zijn lippen zijn droog en gebarsten, zijn mond en keel uitgedroogd. Zijn huid gloeit van de warmte van het vuur. Urgh probeert zich op te richten maar mist daartoe de kracht. 'Pew, zit er salie in je kruidenbuidel?', vraagt Elm. De medicijnvrouw knikt van ja en kijkt hem verbaasd aan. 'Gooi een handvol op het vuur en wapper de rook naar K'wan. K'wan staat op de rand van het overgang naar het land van de voorouders, de geur van salie kan hem terughalen'. Voorzichtig trekt Elm de vacht waar de kleine man in gedraaid ligt wat los. 'Breng de welpjes hier', roept hij naar Azel. 'Kleintje heeft Urgh teruggebracht, misschien dat de welpkes K'wan kunnen helpen'.

Met een wanhopige blik in zijn ogen ziet K'wan tussen de lichamen van twee voorvaders door hoe Urgh's geest de weg terug naar zijn lichaam volgt en hem eenzaam en alleen met de voorvaders achterlaat. 'Daar heb jij je leven voor gegeven', zegt voorvader een. 'Maar nu jij zijn hulp nodig hebt, laat hij je in de steek'. 'En jij dacht nog wel dat hij je vriend is. Dat jullie broeders zijn. Dat jij bij zijn stam hoort', schampert voorvader twee. 'De leden van de Nieuwe Stam denken alleen aan zichzelf', giechelt voorvader drie. K'wan probeert wat te zeggen maar de woorden willen niet komen. Hij voelt iets raspends en nats langs zijn oorlel gaan. 'Ik ruik salie', mompelt voorvader vier. K'wan voelt zachte kussentjes en scherpe nageltjes op zijn borst. Het raspende natte gevoel verplaatst zich naar zijn gezicht. Er kriebelt iets in zijn neus. Hij haalt zijn neus op, probeert zijn hand naar zijn neus te brengen. 'Ik vind het niet erg om te sterven', zegt hij dan. 'Nu ik weet dat Urgh het zal overleven. Dat is vriendschap'. Weer voelt hij iets nats en raspends langs zijn neus gaan.  'Maar ik ga nu niet sterven', vervolgt hij lachend en duwt voorvader drie en vier aan de kant en stapt uit de kring. Zijn ogen zoeken naar het pad wat zijn geest naar zijn lichaam zal leiden. 'De weg terug is verdwenen', schampert voorvader een. 'Je bent te lang hier gebleven', zegt voorvader twee. Vanuit zijn ooghoek ziet K'wan iets bewegen. Hij draait zich gedeeltelijk om en ziet hoe de moeder van Urgh hem wenkt. 'Deze kant op jongen', roept zij, 'Hier is het pad duidelijk zichtbaar. Maar schiet wel op, ik kan het niet lang meer zichtbaar houden'. K'wan zet een stap in haar richting maar zijn weg wordt geblokkeerd door zijn voorvaders. 'Er is geen weg meer terug', zegt voorvader een. 'Volg je die route dan hoor je niet meer bij de Vroegere Stam', zegt voorvader twee. 'Whoaaaaaa', lacht voorvader drie.
K'wan zet weer een stap naar voren. Zonder iets te zeggen stapt voorvader vier aan de kant om hem door te laten. K'wan ziet hoe het pad voorbij Onna langzaam begint te vervagen en zet het op een lopen. Voorbij Onna, over het steeds vager wordende pad. Hij voelt hoe zijn lichaam steeds harder gaat trekken. En weer voelt hij iets nats en raspends langs zijn neus gaan. Hij brengt zijn hand naar zijn neus en voelt de warme adem van een welpje langs zijn hand gaan. Automatisch begint hij het kleine wezentje te aaien, hoort het bulderen van de wind buiten de grot, voelt de warmte van het vuur op zijn huid. De kleine man slaat zijn ogen open. Ziet hoe het betraande gezicht van Marg oplicht, hoort hoe Elm zegt 'Het is gelukt. Ook K'wan is terug bij ons'. Het hart van de kleine man van de Vroegere Stam wordt warm. Hij is thuis!

110. Urgh is ziek

Voorzichtig probeert hij zich op te richten. Zijn door de wind en water geteisterde lichaam doet hem aan alle kanten pijn. Dan zijn daar de handen van Marg die hem helpen, is daar Elm die hem een kom thee aanreikt en de welpjes terug op zijn schoot legt. Dankbaar pakt hij de warme thee aan en begint meteen met kleine slokjes te drinken. De thee heeft hem nog maar zelden zo goed gesmaakt. Dan valt zijn blik op Urgh die nog steeds op zijn rug naast het vuur ligt. Zijn ene hand rust op de kop van Kleintje, zijn ogen zijn dicht. Zweet parelt op zijn voorhoofd. Snel zet hij zijn kom thee neer en vraagt: 'Wat is er met Urgh?' 'HIj heeft koorts', antwoord Pew. 'Hij heeft een ontstoken wond aan zijn slechte been en al die tijd buiten in de regen en kou heeft hem geen goed gedaan'.  Teneergeslagen kijkt K'wan naar de lange man naast hem. 'Ik heb echt mijn best gedaan', zegt hij. 'Maar de regen en de wind kwam zo onverwachts, en hij is zo zwaar en ik kan niet fluiten of om hulp schreeuwen. Hem bij de drijfbomen laten liggen en hier hulp halen kon ook niet. Daarvoor ging de wind te veel te keer'. Hij laat zijn handen in zijn schoot zakken. Een van de welpjes likt aan zijn hand alsof hij wil zeggen 'Jij hebt je best gedaan K'wan'.

'Bij de drijfbomen?', vraagt Elm. 'Wat is er gebeurt K'wan. Wat deed Urgh bij de drijfbomen?'. K'wan haalt zijn schouders op. 'Dat weet ik niet Elm. Wij zijn vanochtend naar het strand gegaan zodat Urgh mij fluitles kon geven. Ineens was daar die beer, de jagers die ons gered hebben. Bij de rotsen gleed Urgh uit en vielen we in het water. Tork zou mij leren een beer te villen en Urgh vertrok naar het dorp. Toen we de beer aan het vastsjorren waren meende ik bij het licht van een bliksemflits iets te zien bij de drijfbomen. Toen we naar de grotten snelde raakte ik achterop en toen ik over mijn schouder naar de drijfbomen keek wist ik zeker dat daar iemand lag. Ik heb nog gefloten maar niemand hoorde mij. Dus rende ik alleen terug en mij samen met dat mens onder een drijfboom te verstoppen. Eenmaal bij de drijfbomen zag ik dat het Urgh was en toen ik de wind voelde draaien wist ik wat voor soort storm het was en dat wij onder de drijfbomen niet veilig waren. Ik kon niet anders dan hem meeslepen ook al wist ik toen niet of hij dood was of nog leefde. Zo stil lag hij. Bij die kom aangekomen kon ik niet verder. Durfde ik niet verder. Als de wind ons had gegrepen had zij ons zo tegen de rotsen gegooid. Zoals de beer. Zoals de bomen. Zoals de drijfbomen'.

De mensen in de grot kijken de kleine man zwijgend aan. Urgh kreunt zachtjes en Kleintje likt hem over zijn hand. 'Zo te horen heb jij voor nu Urgh's leven gered', zegt Elm. 'Pew, heb jij iets van kruiden bij je die de koorts en de pijn kunnen temperen'. De jonge medicijnvrouw knikt, rommelt wat in haar kruidenbuiden en zet een kleine kom water naast het vuur waar zij wat kruiden en berkenblad in gooit.

De speciaal voor Urgh gebrouwen thee begint al snel een scherpe, bittere geur af te scheiden. 'Ik mag hopen dat dat op zijn been moet', bromt Zan maar Pew schudt haar hoofd. 'Nee Zan, Urgh moet dit drinken en nee, lekker is anders. Ik heb helaas niet de kruiden nog de kennis om iets aan zijn been te doen. Daar moeten Gaya en M'na naar kijken'. Op aanwijzing van Pew helpen Elm en Zan de dorpswijze in een half zittende positie waarna Marg haar best doet om wat van het helende vocht bij Urgh binnen te krijgen. Even slaat hij koortsig zijn ogen open. 'Onna? Onna, waar ben je. Ik wil naar huis', mompelt hij. Na een paar slokjes zakt hij weer weg. De twee mannen leggen hem voorzichtig op de grond. Beide kunnen maar aan een ding denken.

Elm kijkt naar de voormalig  dorspwijze van de Vroegere Stam. 'Jij zei dat je de storm herkende. Heb jij zo'n storm al eens meegemaakt?' K'wan knikt. 'Meerdere keren zelfs', antwoord hij. 'Dan weet jij vast ook hoe lang het nog duurt voordat het veilig is om de grot te verlaten?' K'wan knikt. 'Langer dan dat het duurt tot het oog er is', antwoord hij. 'Bovendien volgt er na een draaistorm nog een gewone storm. Ik vermoed dat het pas morgenochtend veilig is om de grot te verlaten'.  Elm knikt somber.'Daar was ik al bang voor', antwoord hij. 'Ik hoop dat Urgh het zo lang volhoudt'. De opgeluchte sfeer na de redding van de beide mannen is volledig omgeslagen. Somber kijken de aanwezigen van het vuur naar hun dorpswijze, wachtend tot de wind gaat liggen en zij hulp voor hem kunnen gaan halen. Maar zal die hulp op tijd komen? Dat is de vraag die hen bezig houdt.

111. M'na's voorstel

Met enige regelmaat tillen Elm en Zan de van koorts ijlende man wat op zodat Marg wat druppels van het bittere vocht in zijn mond kan laten vallen. Wanneer de kom bijna leeg is kijkt Marg peinzend van de geweekte kruiden naar het been van Urgh. Zijn knie is flink gezwollen maar vooral de kleine, strak gespannen wond net boven zijn enkel baart haar zorgen. De huid staat strak en is vurig rood en in het midden druppelt het pus er uit. Bovendien lijkt het of er een stuk boot uitsteekt.  Vanaf de wond begint zich een donker gekleurde lijn te ontwikkelen. 'Pew, welke kruiden zitten hier allemaal in?'. 'Brandnetel, salie en kamille', krijg zij als antwoord. 'Dat dacht ik al', antwoord Marg. 'Dat mengsel heeft M'na wel eens voor een van de schapen gemaakt toen deze een ontstoken wond aan een poot had. Heb je wat klei of een stuk leer voor mij?'. Zonder het antwoord af te wachten giet zij de rest van het vocht op de grond van de grot en plakt de kruiden op de wond aan Urgh's been. 'Wat doe je nou?', roept Pew, 'Dat is om te drinken, niet om…'. 'Als het voor schapen werkt', bromt Zan, 'Werkt het ook voor mensen. Kijk eens naar die streep op Urgh's been. Dat is niet goed Pew, dat is niet goed. Hij heeft het vuur in zich'. 'Ik weet dat dat niet goed is', jammert Pew, 'Maar ik ben niet goed met wonden. Ik weet vooral veel van ziektes maar dit.. Hier moeten Gaya en M'na naar kijken. Maar ik denk dat de voorouders hem roepen'.

K'wan fluit een keer. De mensen rond het vuur kijken hem aan. 'Nee, ik geloof niet dat de voorouders hem roepen', zeggen zijn handen. 'Urgh stond aan het einde van zijn levenspad tegenover Onna. Hij wilde mij komen helpen maar Onna zei hem toen dat wanneer hij dat deed hij niet meer terug kon gaan naar Gaya, Klee en jullie. Als het zijn tijd was had zij hem niet terug laten gaan maar was opzij gegaan, had hem in de wereld van de voorouders welkom geheten, had hem zeker niet weggestuurd. Denken jullie ook niet'.  Elm kijkt hem peinzend aan. 'Nee, ik denk niet dat Onna hem terug zou sturen als het zijn tijd is. Dan is er nog hoop. Alleen….'. Met een snelle blik kijkt hij even naar het vurige donkere puntje wat net boven de klei-pakking op het been van Urgh uitkomt. Ondanks de kruidenpakking lijkt de streep te groeien.

De dag gaat over in de nacht. De draaistorm gaat liggen, een gewone lentestorm steekt haar kop op. Regen en wind striemen over het pad, tegen de buitenwand van de rotsen, in de opening van de grot. Binnen, in de kleine grot achter de tussenmuur en het scherm, is Urgh nog steeds niet bij kennis gekomen al lijkt zijn koorts wat gezakt en ziet de wond aan zijn been er iets minder strak en rood uit. Alleen de vurige streep op zijn been groeit. Niet snel, maar hij groeit.

Het wordt ochtend. De wolken waaien wat open, de zon laat voorzichtig haar eerste stralen zien. De wind gaat nog flink te keer maar dat belet Tak en Zan niet om samen aan de tocht naar de hoger gelegen grot te beginnen om beide medicijnvrouwen te halen. Uit voorzorg hebben ze het lange touw en de mand die eerder gebruikt is om de twee mannen en de jagers over het pad omhoog te trekken bij zich. Ze komen maar langzaam vooruit over het glibberige pad. Bij de middelste grot aangekomen horen horen ze gefluit van boven komen en een touw wappert voor hun neus. In de opening van de hoger gelegen grot staat Tork. Het touw zit deels rond zijn middel geknoopt. Met de hulp van het touw en  Tork, de mand met touw op zijn rug gebonden, kruipt Zan naar de hoger gelegen grot. Tak blijft in de middelste grot achter. Tas en Krom, die al die tijd zonder eten, drinken of vuur, in de grot hebben doorgebracht, niet wetend of beide mannen hun verblijf op het strand tijdens de storm overleefd hebben willen meteen weten hoe het met Urgh en K'wan gaat. 'Met K'wan gaat het goed', is het korte antwoord. 'Maar Urgh heeft het vuur in zich. Het kruipt onder zijn huid door van zijn enkel naar boven'. Tas slaat van schrik haar hand voor haar mond. 'Het vuur in zich.. Wat is dat en waarom haalt Pew het vuur er niet uit?'. 'Pew heeft niet genoeg training gehad om het vuur te genezen', antwoord Tak. 'Daarom gaat Zan nu Gaya en M'na halen. Misschien….'. Hij haalt zijn schouders op. Boven hen wordt er gefloten. Leunend in de grotopening zien Tas en Tak hoe de mand met daarin M'na naar beneden komen. Samen met Tak helpt hij de kleine vrouw uit de mand. Snel trekken Tork en Zan de mand weer naar boven. Dan gebruikt Zan het touw van de mand om naar beneden te komen. 'Gaya?', vraagt Tas. Zan schudt zijn hoofd. 'Die is snikkend in elkaar gestort en jammert dat zij niet weet hoe je het vuur moet bestrijden en dat zij Urgh nooit meer levend zal zien. Ani en de andere vrouwen vangen haar op. M'na zegt dat zij wel weet wat te doen dus…'. De kleine vrouw houdt haar buidel met kruiden omhoog en seint dan 'Kom, we gaan. Als iemand het vuur in zich heeft is er haast geboden'. M'na stapt weer in de mand en dit keer zijn het Tas en Zan die de mand laten zakken. Zijn het Flik en Frag die de mand opvangen en M'na uit de mand helpen.

Met een verlegen lachje richting K'wan knielt M'na bij Urgh neer. Ziet de streep vuur die nog slechts tot een handbreedte onder zijn knie zit. Voelt zijn voorhoofd, trekt zijn oogleden open en bestudeerd zijn ogen. Voelt aan zijn knie. Dan haalt zij de klei-pakking van zijn been, ruikt aan de kruiden die er in zitten, schudt haar hoofd en gooit de pakking dan op het vuur. 'Zie je wel dat je er niets op had moeten binden', zegt Pew tegen Marg. 'Nieuwe klei', seinen de handen van M'na. Dan maakt zij de grote kruidenbuidel open die zij bij zich heeft en pakt een een paar van de kleine buideltjes. 'Heb jij berkenblad', vragen haar handen aan Pew. De jonge medcijnvrouw knikt en pakt de laatste paar berkenbladeren uit haar kruidenbuidel. 'Kom', seinen de handen van M'na. 'Steen', 'mes, steen, brede repen leer'.

M'na wordt op haar wenken bedient. Het berkenblad verdwijnt samen met wat van haar kruiden in de kom. Met de steen maakt zij de kruiden klein. Voorzichtig voegt zij wat water toe. Pew negerend seint zij Marg om naast haar te komen zitten en begint tegen de jonge vrouw te praten. Het gezicht van Marg wordt lijkbleek. 'Azel', zegt zij dan, 'M'na vraagt of jij hier een scherpe bijl hebt en of je haar wilt helpen. 'Zij wil het been van Urgh net boven het vuur weghakken zodat het vuur niet verder kan groeien'.  'Zij wil wat?', gilt Pew. 'Dat kan niet, dan kan hij nooit meer lopen! Azel, doe het niet'. Azel kijkt van de gillende medicijnvrouw, naar zijn vuurpartner, naar Elm, naar K'wan. 'Volgens K'wan kan het wel. Heeft de medicijnvrouw van zijn oude stam bij een jager ooit eens de arm afgehakt nadat een beer daar aan geknaagd had en hij het vuur in zich had gekregen. De man heeft daarna nog een aantal jaren geleefd totdat hij bij het schudde van de aarde door rotsblokken is bedolven. 'Het kan niet', snikt Pew. Yali heeft haar armen om de jonge medicijnvrouw heen geslagen.
Dan loopt Tas de grot in. Zij knikt naar de kleine vrouw van de Vroegere Stam die naast haar broer geknield zit. 'M'na, doe er alles aan wat je kunt om mijn broer te redden'. De kleine vrouw knikt haar vriendelijk toe. Dan bindt zij een reep leer rond de gewonde knie van Urgh. Met behulp van haar mes draait zij de riem strakker en strakker rond het been. Wanneer zij tevreden is dat de band strak genoeg zit pakt zij de bijl die Azel in zijn handen heeft en zet hem drie vingers boven het hoogste punt van het vuur en wenkt Azel zijn werk te doen. Met een bleek gezicht neemt Azel de bijl van haar over. Voordat hij zijn arm met de bijl naar achteren brengt sluit hij even zijn ogen. 'Het spijt mij jongen', mompelt hij zachtjes, en dan brengt hij de bijl met al de kracht die hij in zich heeft naar beneden. De bewusteloze man regeert niet. De bijl snijdt door vlees en botten. Het gemangelde onderbeen van Urgh hangt dan nog slechts aan een stuk vel en een pees vast. M'na neemt de bijl van Azel over en snijdt de pees en huid door en brengt het kruidenmengsel op de nieuwe, flink bloedende wond aan. Marg smeert er een verse laag klei overheen. Voordat de klei met repen leer vastgezet wordt pakt M'na een stok uit het vuur en houdt dit dicht bij de klei zodat deze snel hard wordt. Pas dan mag Marg van M'na de klei vastzetten.

Met een volle kom schoon water knielt K'wan naast de medicijnvrouw neer. Met een klein maar dankbaar lachje rond haar mond dompelt zij haar handen in het water en wast het bloed, de kruiden en de klei van haar handen. 'Vanaf nu moet Urgh het zelf doen', seint de kleine vrouw. 'Moet hij zelf beslissen of hij verder wil leven of naar de voorouders gaat. Maar nu is het zijn geest die de keuze maakt, niet zijn lichaam'. Zij maakt het zich gemakkelijk naast het lichaam van de dorpswijze. Kleintje, die niet van Urgh's zijde  is geweken tijdens de operatie likt haar eenmaal over haar hand. Dan legt hij zijn kop weer tegen de hand van Urgh aan, wachtend op een teken van leven.

112. Urgh's keuze

Wat doen we nu M'na?', vraagt Elm. 'Wachten', is het antwoord van de kleine vrouw. 'Zijn lichaam moet tegen de koorts strijden en de wond genezen. En hij heeft rust nodig'. Hierbij kijkt zij veelbetekend naar de andere mnesen in de grot.  Elm slikt even. Kijkt een voor een de overige aanwezigen in de grot aan. 'We kunnen hier niet blijven. We moeten gaan kijken hoe het dorp er bij ligt, of de hutten er nog staan. Zorgen voor eten, brandhout, warme huiden. De rest van de dorpelingen informeren over de toestand van Urgh. Iemand moet de leiding nemen'. 'Dat heb je net gedaan', zegt Zan met een glimlach. 'Zeg het maar. Wie moet wat gaan doen?' Elm denkt even na, begint dan opdrachten uit te delen.

Even later is de ruimte achter het schot zo goed als leeg. Alleen de geur van de schapen hangt nog zwaar in de warme ruimte. Marg, Tas, Yali en M'na zijn bij Urgh gebleven. Azel is naar de bovenste grot gegaan om extra kruiden en Gaya te halen. Marg reikt de kleine vrouw een kom thee aan. 'Wat doen we met zijn voet?', vraagt zij. M'na neemt eerst een slokje van haar thee en antwoord: 'Zodra we buiten een vuur kunnen maken moet zijn voet verbrand worden'. Dan pakt zij haar mes wat nog altijd in het stuk leer rond het been van Urgh zit en draait het een paar slagen los. 'Waar is dat voor?', vraagt Tas, die naast haar broer is gaan zitten. 'Dan stroomt het bloed niet zo hard', antwoord M'na. 'En hebben de kruiden en de modder een kans om de wond dicht te maken voordat al het bloed weg is'. Zij pakt haar kom weer op en drinkt nog wat van haar thee. 'Urgh moet ook blijven drinken. Thee is goed. Vleesnat met fijngemalen groenten is beter'. Yali knikt, zet een kom gevuld met water naast het vuur en loopt naar de kleine ruimte waar nog altijd wat gedroogd vlees en groenten ligt.

'Je moet naar hem toe Gaya'. Het ongeduld klinkt door in Azel's stem. 'Nee', snauwt de kleine roodharige vrouw door haar tranen heen. 'Het vuur is niet te genezen. Mensen hun been afhakken is geen oplossing. Dat is tegennatuurlijk. Hij gaat dood. Hij is al dood'. 'Hij leeft nog', antwoord Azel. 'Volgens M'na kan hij nu zelf de keuze maken tussen leven of dood. Wanneer jij naast hem zit zal die keuze voor hem makkelijker zijn dan wanneer jij er niet bent'. 'Ik zal er niet zijn', antwoord Gaya vlak. 'Ik ga niet naast hem zitten. Ik ga niet naar zijn verminkte lichaam kijken. Ik ga niet toekijken hoe hij een langzame pijnlijke dood sterft. M'na had haar plicht als medicijvrouw moeten vervullen en hem de kans moeten geven snel te gaan'. Azel wil wat zeggen maar Gaya schudt haar hoofd. 'Niets wat jij zegt kan mij van gedachten doen veranderen', zegt zij zachtjes. 'Hij is dood. Zijn lichaam weet het alleen nog niet. Doordat M'na gedaan heeft wat zij heeft gedaan'. De kleine roodharige vrouw staat op, rommelt even door haar grote kruidenbuidel en pakt er een aantal kleine pakketjes uit. 'Dit zijn de kruiden waar M'na om gevraagd heeft. Neem maar mee, ook al heeft het geen enkel nut'. Azel pakt de kruiden aan en loopt de grot uit. Bij de ingang draait hij zich om. 'Wat als Urgh het wel overleefd. Wat als hij naar jou, zijn vuurpartner en moeder van zijn dochter, vraagt?'. 'Hij overleefd het niet', antwoord Gaya. 'Neem dat maar van mij aan'. Zonder verder nog iets te zeggen verlaat Azel de grot.

'Hier zijn de kruiden'. Azel geeft de pakjes aan de medicijnvrouw van de Vroegere Stam. 'Gaya komt niet', voegt hij er aan toe. 'Ik snap niet wat die vrouw bezielt'. 'Zij is bang', antwoord M'na. 'Zij kent deze vorm van genezen niet. Als Urgh besluit om te blijven leven trekt zij wel bij. Let maar op'.  'Ik weet het niet M'na, ik weet het niet', antwoord de vakman. 'We zullen zien. Voor nu kan je wat anders voor mij doen'. 'Wat? Wat kan ik voor je doen M'na?'. 'Buiten een fel vuur maken en het been van Urgh verbranden'. Azel knikt en bukt zich om het been op te rapen maar M'na schudt haar hoofd. 'Eerst vuur maken, dan kom je het been halen'.

De zon is al bijna onder als Zan en Elm beladen onder huiden de grot binnenkomen. Hun blikken gaan naar de lange man bij het vuur. Zijn hand ligt op de kop van de wolf naast hem. Zweet parelt op zijn voorhoofd en zijn borst gaat langzaam op en neer. 'Hoe..?' 'Hij leeft', antwoord Marg. 'Hoe ziet de wereld er buiten uit?' 'De hutten zijn grotendeels verwoest. De schade aan de boomgaard valt mee en de akkers zien er goed uit ondanks dat zij onder water staan. Maar dat droogt wel weer. De ontwortelde bomen krijgen we ook wel weg. Voor nu gaan we weer in de grotten wonen. Alleen de schapen lopen boven op de weide. Die vinden het niet erg om natte voeten te krijgen'.

De dagen komen en gaan. De nu weer grotbewoners pakken hun leven weer op. Er wordt weer gejaagd, voedsel gezocht. Storm en Flik hebben de slingertraining van de kinderen op zich genomen. Gaya en Pew werken in de kruidentuin en gaan regelmatig op tocht om meer kruiden te vinden. Azel en Elm werken hard aan het herstellen van de beveiliging langs het pad bij de rotsen. Hakken op de wat steilere stukken tredes in de rots zodat het pad bij een volgende storm niet weer zo glad kan worden. Niemand praat over Urgh, iedereen denkt aan Urgh.

Urgh's koorts is zo goed als verdwenen. De wond aan zijn been is schoon en geneest goed. Met zijn rug tegen de muur leunend eet en drinkt hij, aait Kleinjte. Maar bovenal staart hij somber zwijgend in het vuur. Als hij de gesprekken om zich heen al volgt laat hij dat in niets blijken. Alle pogingen van Elm en de anderen om hem bij de beslissingen rondom het leven van de dorpelingen te betrekken worden genegeerd.  Zelfs Klee en het eeuwig kind Zen lijken niet tot hem doordringen.

Met nog drie dagen te gaan tot de zomerzonnewende viering stuurt M'na iedereen de grot uit en zet een kleine kom water naast het vuur en voegt hier een handje wolfskruid aan toe. Nadat het goedje in haar ogen lang genoeg heeft geprutteld zet zij de kom voorzichtig  voor de lange man neer en gaat zitten. 'Ik wil met je praten', zegt zij. Urgh kijkt over haar hoofd heen in het vuur en reageert niet. 'Stop met je als een klein kind te gedragen'. Onna, zijn moeder, is in het vuur verschenen. 'M'na heeft mij verminkt', zegt hij met dichtgeknepen keel. 'Nee Urgh, M'na heeft je leven gered. Zonder haar was je al lang dood geweest'. 'Mijn voet is weg', zegt hij schor. 'Hoe moet ik lopen zonder voet'. 'Net zoals voordat M'na je leven heeft gered', antwoord Onna. 'Op krukken'. 'Gaya is nog niet een keer bij mij geweest', jammert Urgh. Onna negeert deze opmerking van Urgh. 'Urgh, mijn zoon, M'na gaat je een keuze voorleggen. Beloof mij dat je goed nadenkt voor je kiest.. Dit keer is er geen weg meer terug'. Dit gezegd hebbende verdwijnt zij in het vuur.

De lange man keert zich tot de kleine vrouw voor hem. De tranen lopen over zijn gezicht. 'Zeg wat je mij te zeggen hebt, en laat mij dan alleen'. M'na knikt. 'Ik dacht..'. Ze stopt even, begint opnieuw. 'Je was al bij je voorouders maar kwam terug en redde daarmee K'wan's leven. Ik dacht dat jij zelf ook wilde blijven leven. Daarom heb ik gedaan wat ik heb gedaan. Zodat je hier kan blijven. Verder kan gaan met leven. Klee kunt zien opgroeien. Je wijsheid en kennis met ons delen. Nu denk ik dat ik een fout heb gemaakt. Daarom bied ik je nu de keus tussen blijven of gaan'. Ze wijst naar de kom. 'Als ik dat drink…?'. Urgh kijkt de vrouw vragend aan. 'Als je die kom leeg drinkt dan stop je vanzelf met ademhalen. Ga ja naar de voorouders'.

 'Laat mij alleen M'na, zodat ik mijn keuze kan maken'. De kleine vrouw staat op en loopt de grot uit. Bij het schot kijkt zij nog even om. Urgh heeft de kom met beide handen vast. Ruikt aan het goedje. Aan de andere kant van de wand zakt zij geluidloos snikkend op de grond. Urgh's keuze lijkt duidelijk…..

113. Hij neemt een slok

Na even aan de inhoud van de kom geroken te hebben zet Urgh de kom vastberaden aan zijn lippen. 'Dit keer is er geen weg terug', hoort hij zijn moeder zeggen. Verbaasd laat hij de kom wat zakken, kijkt in het vuur. Is Onna nu al weer terug? Maar nee. Het vuur is slechts vuur. Hij brengt de kom weer naar zijn lippen. Neemt een slok. Kleintje jankt even.

Zijn gedachten brengen hem terug naar de tijd dat de voorouders hem de toegang tot het geestenrijk ontzegde. Hij voelt weer de pijn in zijn benen. Ruikt de geur van zijn eigen vuil. Ziet zijn moeder met een kom met een dodelijk kruidenmengsel voor hem staan. Hoort weer de woorden die hij haar voor de voeten heeft gegooid. 'Kom jij afmaken wat je vuurpartner niet is gelukt? Je weet toch dat de voorouders mij de toegang tot het geestenrijk ontzegd hebben? Zelfs als ik dood ben zal ik altijd bij je blijven. Laat ik je geen moment met rust. Er is voor jou maar een manier om van mij af te komen en dat is door te sterven.' Ziet weer de haat in de ogen van zijn moeder. Ziet hoe zij de kom aan haar lippen zet, leegdrinkt en langzaam in elkaar zakt. 'Ik haat je Urgh, ik heb jou altijd gehaat'.  In de wetenschap dat die woorden een leugen waren brengt hij de kom naar zijn lippen en neemt een slok. Kleintje laat een zacht gejank horen en likt zijn pols.

Zijn blik gaat van de oude holenleeuwin die over de oever van de rivier drentelt naar het gezicht van de roodharige vrouw die ingeklemd tussen een klein vuur en de jonge wolf die hij als zijn vriend ziet de slaap der onschuldige slaapt. Ondanks de wetenschap dat geen enkele vrouw zit te wachten op een man met lamme benen voelen zijn hart en zijn gemoed lichter dan hij zich kan herinneren. In zijn gedachten tuimelen de gedachten 'Wie weet...' 'Misschien...', 'Stel je dat…' over elkaar heen. Uiteindelijk, in de wetenschap dat zij tot aan de dagenraad veiilig zullen zijn op de kleine zandbank valt hij, met de geur van haar rode haren in zijn neus, in slaap. Hij brengt de kom weer naar zijn lippen en neemt een slok. Het gejank van Kleintje gaat over in huilen.

De herinneringen tuimelen over elkaar heen. Haar angst wanneer hij samen met het everzwijn in de rivier verdwijnt, zijn vreugde wanneer zij aangeeft zijn vuurpartner te willen worden, zijn verdriet wanneer zij toch van de verbintenis af wil zien omdat zij moeite heeft met zijn roekeloze levensstijl en bang is hem te moeten verliezen, zijn blijdschap wanneer zij uiteindelijk toch samen over het vuur stappen, de toekomst te gemoet. Hun samenzijn, de geboorte van Klee. Weer brengt hij de kom naar zijn lippen. De tranen lopen over zijn wangen, een snik ontsnapt aan zijn keel. Weer hoort hij de stem van zijn moeder. 'Dit keer is er geen weg terug'. Door zijn tranen heen kijkt hij naar de inhoud van de kom.  'M’na heeft je leven gered. Zonder haar was je al lang dood geweest’. 

Urgh heeft moeite om zich te focussen. Het vuur voor hem begint een grote waas te worden. Hij brengt de kom weer naar zijn lippen, aarzelt even. Wat was er zo belangrijk aan zijn herinneringen over Gaya? Zijn gevoelens voor haar? Langzaam schudt hij zijn hoofd. Nee, dat is het niet. Ineens weet hij het… Gaya is zo bang hem te verliezen dat zij er voor kiest alleen verder te gaan… Stel dat..? Zou dat..? 'Beloof mij dat je goed nadenkt voor je kiest.. Dit keer is er geen weg meer terug'. Zijn mond voelt droog aan. Hij wil wat drinken. Hij moet wat drinken. Hij brengt de kom naar zijn lippen. 'Geen weg meer terug'. De stem van zijn moeder galmt in zijn hoofd. 'Geen weg meer terug.. Geen weg meer terug… Geen weg meer terug… Geen weg meer terug

Langzaam laat hij de kom zakken. Gooit kom en inhoud in het vuur. 'Er is wel een weg terug Onna!', zegt hij met een stem die nauwelijks hoorbaar is. 'Er is wel een weg terug'. De medicijnvrouw van de Vroegere Stam spitst haar oren. Hoort zij Urgh nu praten. Snel staat zij op, loopt terug de grot in. Ziet de kom in het vuur liggen. Ziet de lange man langzaam onderuit zakken. Zij knielt naast hem neer. Voelt naar het teken van leven in zijn hals. Het is langzaam maar krachtig. Dan slaat hij zijn ogen open. 'Er is wel een weg terug M'na. Gewoon op krukken'. Zijn stem kraakt. Het drankje heeft zijn mond droog gemaakt. Breed lachend knikt M'na hem toe, staat op en schept een kom water vol. M'na helpt de man wat overeind te komen, zet de kom met water aan zijn lippen. Met gulzige teugen drinkt hij de kom leeg. Kleintje begint met zijn staart te kwispelen. Onna verschijnt in het vuur. 'Goed gekozen mijn zoon. Goed gekozen'. 

Nog tweemaal schept M'na de kom vol met water en laat Urgh drinken. Met elke slok wordt zijn zicht beter, kan hij meer details ontwaren, heeft hij minder steun van M'na nodig om te blijven zitten. Kleintje legt tevreden zijn kop op de benen van Urgh. Automatisch begint de man hem achter zijn oren te krabben. Heel even maar. Dan tikt hij M'na tegen de arm en zegt, met handen en mond, in haar en zijn taal, 'Dank je wel dat je mij het leven hebt gered M'na. Jij bent waarlijk een groot medicijnvrouw'.
Voordat M'na kan antwoorden staan Tas, Meg, Elm en Azel in de grot. De opluchting staat op hun gezicht te lezen. 'Wat denk je Azel', vraagt Urgh, 'Heb jij binnenkort tijd om mij te helpen met het maken van een paar krukken?'. Azel schudt van nee onderwijl de grot inlopend om achter de stapel brandhout te verdwijnen. Urgh's gezicht betrekt. 'Kan je mij dan een paar lange rechten takken bezorgen?', vraagt de lange man, 'Dan doe ik het zelf wel'. Azel komt achter de stapel brandhout vandaan en houdt twee nieuwe krukken omhoog. 'Ik hoef ze alleen maar op maat te maken', zegt hij met een brede grijns. 'Zodra de wond helemaal genezen is kan je weer gaan oefenen', voegt hij er aan toe.

Er verschijnt een kleine gestalte bij de opening van de grot. 'Als M'na het goed vindt', hoort hij Gaya zeggen, 'Dan wil ik je graag weer helpen om te leren op krukken te lopen'. Met een luid bonzend hart weet Urgh dat alles weer goed gaat komen. Gaya is terug aan zijn zij.

En zo komt er een einde aan deel twee, De Dorpswijze,  van het Boek van Urgh! Voor deel 3, klik hier.

Geen opmerkingen: