Urgh 3


Het begon met een grapje. Een zinnetje in een blog over geluk. Het werd een enorm vervolgverhaal. 

Op deze pagina tref je deel 3 Stemmen uit het verleden van het Boek van Urgh aan waarin we zien hoe Urgh en zijn dorpsgenoten leren van de voorouders. 



114. Een nieuwe toekomst

Gezeten op een slee die in de opening van de laagste grot staat kijkt Urgh uit over het lager gelegen strand en de rivier. De zon verwarmt zijn lichaam, de wind speelt met zijn haren. Zijn ogen nemen het half verdwenen pad, de langzaam indrogende modderpoelen en de kapotgebeukte boomstammen in ogenschouw. 'En het dorp?', vraagt hij aan zijn metgezellen, hoewel hij het antwoord eigenlijk al weet. 'Bestaat niet meer', is het antwoord van Elm. 'Op jouw hut na zijn alle hutten compleet verwoest, net als een deel van de boomgaarde. Alleen de akkers en het gras en het deel van jouw hut wat in de aarde was ingegraven zijn er nog. Als we de grotten niet hadden gehad, waren we nu allen dood geweest'. Urgh knikt. Weer volgen zijn ogen het pad van boven naar beneden en weer terug. Het lager gelegen gedeelte van het pad, en daarmee zijn makkelijke weg naar het strand, is verdwenen. Het hoger gelegen gedeelte is nog steeds gedeeltelijk bedekt met indrogende modder. 'Hoewel wij  zijn begonnen met het opruimen van de rommel', zegt Elm de de blik van zijn zusterszoon heeft gevolgd, 'Heb ik, hebben wij onze twijfels of we hier wel moeten blijven wonen'. Urgh kijkt hem even aan. 'Wij?', vraagt hij. 'K'wan, Azel, Zan, M'na, Yali en Marg', antwoord de voormalig dorpswijze prompt. Urgh knikt even. 'Wijze mensen dus', antwoord hij. 'Waarom twijfelen jullie om hier te blijven wonen?'. Azel neemt het woord. 'Toen wij een aantal jaren geleden het dorp verlieten hebben wij gezocht naar een woonplek die niet te ver van het oude dorp lag. Deze grotten leken perfect al was het pad wat smal. Later, toen we de grotten verlieten en boven op de weide gingen wonen hebben jij en ik het er ook over gehad dat de weide eigenlijk te klein was, de ligging niet perfect. Maar we hadden hier al de kraal, de akkers en de boomgaaarde en dus zijn we gebleven. Nu is bijna alles verwoest, moet alles opnieuw gebouwd worden. Waarom die energie niet steken in een plek die beter geschikt is. Een grotere weide, minder hoogteverschillen, een veilige route naar het water'. Er verschijnt een glimlach op het gezicht van Urgh. 'Het klinkt alsof jij al weet waar zo'n plek te vinden is'. Azel knikt. 'De plek van het  tijdelijke jachtkamp', antwoord hij. 'Zan, Tak en ik zijn er na de storm gaan kijken. De rotswanden beschermen de plek van twee kanten. Het afdakje waar ik mee bezig was voordat we snel naar huis kwamen stond er nog. De geul was vol water gelopen maar niet overstroomd. De rivier is dichtbij. De grond tussen de geul en de rotswanden is perfect om een nieuw dorp, een boomgaarde en een kraal te bouwen. Aan de andere kant van de geul kunnen we net zo veel akkers maken als we zelf willen, als we nodig hebben. Voorbij de akkers, aan deze kant van de geul dus, barst het van het kleine wild, aan de andere kant van de rotswand zit genoeg groot wild'.

'Zat daar ook niet een holenleeuw?', vraagt Urgh met een brede grijns. Zan haalt zijn schouders op. 'Die woont aan de andere kant van de grote open vlakte achter de rotswand. Natuurlijk zou het dier het dorp kunnen bezoeken op zoek naar een makkelijke buit, net zoals hier die beer'.

Urgh laat zijn ogen nogmaals over het deels verwoeste pad gaan. 'Hebben jullie al bedacht hoe jullie de verhuizing willen aanpakken? Willen jullie eerst het dorp bouwen en dan verhuizen of….?'. Hij voelt een hand op zijn arm en kijkt K'wan aan. De kleine man schudt zijn hoofd en zegt, 'Nee. We hadden gedacht om alles wat nog bruikbaar is op sleeën en draagbaren te laden en dan met z'n allen te verhuizen en met z'n allen aan het nieuwe dorp te bouwen. Het is bijna zomer. Voor nu kunnen we best in tenten slapen en onder de open hemel leven. Het zal behelpen zijn, maar dat is het leven hier ook'.  Urgh knikt maar geeft geen antwoord. Zijn ogen nemen het strand voor hem op. Zien hoe Tas en Flik met een mand met vis aan komen lopen. Zien hoe Flik met moeite, zich stevig vasthoudend aan het touw wat daar hangt, langs het pad naar boven werkt. Hoe Tas daarna de mand aan het touw vastmaakt zodat Flik de vis omhoog kan hijsen.  'Ik denk dat jullie gelijk hebben, zegt hij dan schor. 'Regel het maar'.

Een week later, bij het krieken van de dag wordt de slee van Urgh door vier sterke mannen over het steile en modderige pad naar de weide getrokken. De grote jachtsleden met daarop alle nog bruikbare spullen, draagbaren met huiden, manden met eten en kleding, staan al klaar. Zijn slee wordt achter een van de jachtsleden gebonden. Het is de eerste keer dat Urgh het dorp ziet en de totale verwoesting in zich op kan nemen. De manden worden op de ruggen van de volwassenen en oudere kinderen gebonden. Iedereen, elke man, vrouw en elk kind wat sterk genoeg is om zelf te lopen en iets te duwen of te trekken, neem zijn of haar plaats in. Zelfs een aantal schapen zijn voorzien van manden met spullen. Langzaam zet de stoet van mens en dier zich in beweging, op weg naar hun nieuwe woonplaats en een nieuwe toekomst.


115. Elm's ontdekking

De zon is al onder wanneer de groep mensen eindelijk op de plaats van bestemming is aangekomen. De jongste kinderen slapen in draagdoeken bij Urgh op schoot. De rest van de kinderen slepen zich half slapend vooruit. Alleen Storm, Luna en Mus proberen de schijn van niet moe zijn op te houden en doen of zij meehelpen de slee waar onder meer Urgh op zit duwen. Na het stopsein van Elm laten zij zich allen op de grond vallen en nog voor Tork het vuur in de kleine vuurplaats tegen de rotswand brandend heeft slapen zij al. Te moe om wakker te blijven voor iets warms in hun buik.

Ook de meeste volwassenen voelen de tocht in armen, benen en rug. Alleen de jagers, die van oudsher gewend zijn om lange tochten, voorzien van een zware last, te maken zijn nog fit. Het zijn Tak en Zan die beide grote kommen water naast het vuur zetten. Voor thee en om een groentenstoof te maken. De meeste volwassenen wachten niet op de laatste. De meeste eten de wortels en andere knollen zo rauw op. De laatste hapjes worden weggespoeld met lauwe, slappe thee. Moeders dekken hun kinderen toe en zoeken dan een eigen plekje om te slapen. Zelfs de schapen zijn allemaal al onder zeil. Dan zoeken de mannen, met uitzondering van Tork en Urgh die de eerste wacht nemen, hun vuurpartners en kinderen op. Weldra is het stil op de vlakte bij de rotswand. De stilte wordt af en toe verbroken door het gesnurk van een van de volwassenen.

De volgende morgen beginnen de oudere jagers met het creeren van een aantal schuilplaatsen voor als het gaat regenen. Azel, Elm en K'wan laten Urgh en de vrouwen die nog niet eerder in het tijdelijke kamp zijn geweest de omgeving zien. De slee waar Urgh op zit wordt door Azel en Elm over de groene weide richting de rivier getrokken. Urgh neemt alles in zich op. 'Dat wordt smullen', zegt hij en wijst met een brede grijns op zijn gezicht naar de grote bramen- en frambozenstruiken die een deel van de rotswand aan het zicht onttrekken. Azel grinninkt eens maar zegt verder niets. Dan ziet Urgh de rivier. Hij oogt wilder dan op het stuk waar het vorige dorp gesitueerd was maar delen aan de rand van de oever zien er rustig uit. En goed begaanbaar. 'Misschien niet geschikt om te zwemmen', zegt hij, 'Maar perfect voor een bad'. Elm knikt. 'Ook een goede plek om je armen en been krachtiger te maken zodat je weer op krukken kunt gaan lopen'.

De vrouwen en kinderen houden het uitzicht al snel voor gezien en lopen naar de bramen- en frambozenstruik het dichts bij het water om te zien of er al eetbare vruchtjes aan zitten. Kleintje rent op en neer tussen Urgh en de vrouwen en kinderen. De bramen zijn nog klein, groen en hard, maar her en daar hangen al dikke rode frambozen. Klee ziet een dik exemplaar en reik voorzichtig tussen de doornige takken en bladeren door om de framboos  te plukken. Genietend stopt zij de framboos in haar mond en kijkt speurend rond op zoek naar meer lekkers. 'Daar hangen er nog een paar' hoort zij haar vader zeggen. 'Zij draait zich om, laat zich door haar knieën zakken en volgt met haar ogen de vinger van Urgh. 'De doorns steken', zegt zij. Urgh pakt een kruk en duwt met zijn kruk de grootste takken weg. Elm pakt de tweede kruk en duwt ook wat takken aan de kant zodat Klee en de andere kinderen makkelijk bij de rijpe frambozen kunnen. K'wan duwt de slee dichterbij. De kruk van Urgh raakt de rotswand achter de struiken. Kleintje springt eerst tegen Urgh, dan tegen Elm aan. Elm verliest zijn evenwicht en valt voorover in de struiken en plet diverse takken onder zijn lijf. K'wan kijkt met samengeknepen ogen het uitgedunde struikgewas in, pakt dan de kruk uit Urgh's hand en duwt nog wat takken naar beneden. Er wordt een  opening in de rotswand  zichtbaar.

Elm krabbelt voorzichtig overeind. Zijn gezicht en handen zitten vol schrammen maar zijn ogen schitteren. 'Een grot, zelfs een ondiepe grot is een mooie plek om een hut voor te bouwen'. Urgh kijkt hem vragend aan. 'Je weet toch…'. Elm stopt zijn zin. 'Nee, jij weet niet dat jouw hut, die half ingegraven was, de storm deels overleefd heeft. Jij bent alleen gisteren even boven geweest, hebt geen tijd gehad om rond te kijken, om de schade goed in je op te nemen. Zag alleen alleen dat wat wij nog verder afgebroken hebben. Deze strook land is vanwegen de hoge rotswand die deels rond loopt beter beschut dan de weide en voorlopig zal er wel geen draaistorm meer komen, maar ik zeg, veiligheid voor alles'. Urgh knikt. 'Ik snap het. Maar een grot met hut is niet voldoende voor ons allemaal. We zullen meer hutten en dus meer grotten nodig hebben'. Elm grijnst even, en plukt dan een doorn uit zijn gezicht. 'Ik weet nu hoe ik grotten achter de struiken kan vinden', roept hij enhousiast en gooit de doorn op de grond. 'Ik heb een lange, stevige tak nodig. Dan kan ik om de paar passen kijken of ik de rotswand voel of een inham. Telkens wanneer ik een inham voel kan ik die markeren. Dan weten we waar we de hutten kunnen bouwen. Tegen deze rotswand, tussen de bramen- en frambozenstruiken'. Hij wrijft over zijn gezicht en plukt een doorn uit zijn wang. 'Ga zitten', gebiedt Gaya hem. 'Dan kan ik de doornen uit je gezicht en handen trekken'.

Gedwee gaat Elm naast Urgh op de slee zitten. Gaya plukt een paar bramenbladeren en buigt zich over hem; begint de doornen uit zijn gezicht te trekken en wrijft elke wondje even in met een gekneusd bramenblad. 'Ik vind het een goed idee van Elm', zegt zij, terwijl zij met haar nagels een diepzittende doorn probeert los te peuteren. 'Zonder de grotten, zelfs die ene ondiepe op het strand, hadden we het niet overleefd'.

'Gaan we hier tussen de frambozen en bramen wonen?', vraagt Klee aan haar vader. 'Lekker!'. Weer wurmt zij haar kleine lijfje tussen de takken door om een vruchtje te plukken. Even kijkt Urgh om zich heen, draait zich half om op de slee om de afstand naar de rivier te bepalen. Kijkt dan de andere kant op, naar de bocht in de rotswand. 'Jij gaat kijken of er meer inhammen zijn Elm. Zodra we dat weten gaan we bepalen waar de hutten gebouwd worden'. Elm moet nog even wachten totdat Gaya klaar is met doornen-plukken alvorens aan zijn speurtocht te beginnen. Hij staat op en wil weglopen met Urgh's kruk nog in zijn hand. 'Euh, Elm, hier die kruk, met maar een kruk kan ik niet lopen'. Gaya's adem stokt even. Dit is de eerste keer sinds de avond dat Urgh besloten heeft niet naar de voorouders te gaan dat hij het over lopen heeft. Dan staat Klee met een rijpe framboos in haar hand voor haar vader. 'Hier Urgh, proef maar eens hoe lekker'. Met een brede grijns op zijn gezicht pakt hij de framboos van zijn dochter aan, eet het zoete vruchtje genietend op. Het idee om tussen de bramen en frambozen te gaan wonen trekt hem steeds meer aan. Hij pakt zijn beide krukken stevig vast, zet zijn voet op de grond en steunend op zijn krukken gaat hij staan, zet zijn eerste pas.  Samen met zijn vuurpartner en dochter, en Kleintje die rond hun benen springt, op de voet gevolgd door K'wan die de slee meetrekt, loopt hij terug naar de bocht in de rotswand. Klaar om zijn nieuwe thus te gaan verkennen.


116. Met de zegen van de voorouders

Uiteindelijk 'vindt' Elm acht grotten. Met de bramen- en frambozenstruiken voor de ingangen is het onduidelijk hoe diep elke afzonderlijke grot is. 'Gaan we ze alle acht in gebruik nemen?', vraagt Gaya. 'Hangt er van af hoe diep de grotten zijn', is het antwoord van Urgh. 'Het mooiste zou zijn wanneer iedereen een slaapplek in een van de grotten kan krijgen en dat er daarnaast nog wat ruimte is voor voedselopslag. Dan hoeven we slechts ingangen te bouwen met een kookvuur.'

Op verzoek van Urgh beginnen Elm en K'wan de inspectie van de grotten met de grot die het dichtst bij het water ligt. Met hun bijlen hakken zij een doorgang door het struikgewas en lopen de grot in. 'Niet erg diep', roept Elm naar buiten. Dan voelt hij hoe K'wan aan zijn mouw trekt en naar links naar een extra donkere schaduw wijst. Elm loopt de schaduw in en voelt om zich heen maar voelt geen wanden. De ruimte blijkt groter dan gedacht. 'Ik ga een fakkel halen K'wan'. Dit gezegd hebbende loopt hij naar buiten. 'Niet erg diep?', vraagt Urgh. 'Dieper dan ik dacht', antwoord Elm. 'Ik ben zo terug'. Hij rent naar de andere kant van de weide, naar het vuur onder bij de overhangende rots, pakt een tak die daar ligt en steekt deze in het vuur. Wanneer de tak brandt loopt hij op een sukkeldrafje terug.

Urgh, die zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen, loopt achter hem aan de grot in. Met z'n drieen verdwijnen ze in de schaduw, dit keer bijgelicht door Elm's fakkel. De ondiepe inham blijkt over te gaan in een grote, niet extreem hoge, ruimte. Vage, lichtere plekken aan hun linkerhand verraden dat een aantal door Elm gevonden inhammen uitkomen in dezelfde ruimte. Op een aantal plaatsen valt er licht via kleine openingen in het plafond de grot binnen.

Langzaam lopend verkennen de mannen de grot tot zij niet meer verder kunnen lopen. Na het eerste brede stuk wordt de grot smaller, maar is nog steeds breed genoeg om met een kleine uitbouw bewoond te worden. 'Ik heb zeven lichtere plekken geteld', zegt Elm. 'Dat betekent dat we bijna bij het tijdelijke kamp zijn. Deze ruimte is groot genoeg om met z'n allen in te wonen. Ik denk dat we niet eens alle inhammen als doorgang hoeven te gebruiken. Op die manier hoeven we niet alle frambozen- en bramenstruiken te kappen'.  Urgh knikt. 'Ik denk dat je gelijk hebt. Gaan jullie de andere halen zodat zij dit ook kunnen zien? Ik wacht hier op jullie'. Na weken van niets doen valt het lopen op krukken hem zwaar. Ook al kon hij niet op zijn linkerbeen steunen, hij kon zijn teen wel op de grond zetten waardoor zijn gevoel voor balans beter was. Hijgend gaat hij op een richel, met zijn rug tegen de koele rotswand zitten. Beide mannen knikken, draaien om en lopen terug naar de ingang om de rest van de bewoners te halen.
Urgh ziet hoe de fakkel verdwijnt en hij blijft in het donker achter. Langzaam wennen zijn ogen aan de duisternis. Dankzij de strepen licht die door het plafond en tussen de  bramen-en frambozenstruiken naar binnen vallen is het al snel niet echt donker meer. Zich concentrerend op een van de strepen licht wordt zijn ademhaling rustiger, gemakkelijker. In de streep licht verschijnen gestalten. Hij knijpt zijn ogen halfdicht om te zien wie het zijn. Glimlachend herkent hij de lange blonde man die zijn voorouder is en Onnan zijn moeder. 'Dit zal tot in de lengte der dagen de woonstee van deze stam zijn', zegt de lange blonde man. 'Welkom thuis zoon', voegt zijn moeder er glimlachend aan toe. 'Dit is de plek waar jij oud zult worden. Vanaf nu zijn jullie geen reizigers meer, maar , met de zegen van de voorouders, dorpsbewoners'. Urgh knikt. Langzaam verdwijnen de twee voorouders in de kolom van licht. Dan hoort hij zijn moeder zeggen, 'Vergeet het feest van de zomerzonnewende niet Urgh. Dat is vandaag!'. Urgh kijkt om zich heen, ademt de koele lucht in, ruikt de geur van rijp zomerfruit. Thuis! Hij proeft het woord en weet dat het goed is.

In de verte hoort hij de stemmen van zijn stamgenoten dichterbij komen, ziet de fakkels op zich af komen. Hij laat zich van de richel glijden en steunend op zijn krukken wacht hij hen op. Wanneer de eerste mensen hem dicht genoeg zijn genaderd zegt hij 'Welkom thuis  stamgenoten. De voorouders zijn het met onze keuze voor deze woonstee eens. Vanavond vieren wij het zomerzonnewende feest voor het eerst op de plek waar wij voor altijd zullen blijven wonen'. Hoewel niet iedereen volledig beseft wat zijn woorden betekenen worden ze met gejoel ontvangen. Als de voorouders hun zegen hebben gegeven, dan is het goed!


117. Zomerzonnewende

Net voor de lentewende arriveerde Slik, zijn zonen en de overige overlevenden van zijn stam in het huttendorp, op jacht naar de vier leden van de Vroegere Stam die aan hun wrede gevangenschap ontsnapt waren. Na overleg met de voorouders besluit Urgh de meeste van de nieuwkomers te verbannen. Alleen Durk, zijn zoon Kelp en Pol, de zusterzoon van Tak, mogen in het huttendorp blijven. Urgh zegt hen toe dat zij tot aan het zomerzonnewende feest de tijd hebben om te bedenken of zijn in het dorp opgenomen willen worden, of verder trekken. Omdat niet alleen de wens van de nieuwkomers, maar ook de wens van de reeds aanwezige bewoners van belang zijn bij het maken van de keuze of de nieuwkomers mogen blijven, en gezien de wreedheden die de leden van de Vroegere Stam tijdens hun gevangenschap door de Stam van Slik hebben moeten ondergaan, heeft Urgh hen de keuze tot toetreden tot het Huttendorp tijdens de Lentewende voorgelegd. Tot tevredenheid van de vrouwen van de Vroegere Stam heeft K'wan, hun dorpswijze, het aanbod aangenomen en zo zijn zij opgenomen in het Huttendorp. Erkennen de voorouders van het Urgh en de overige huttendorpbewoners hen als gelijken. Hebben zij ook een keuze in het al dan niet accepteren van de nieuwkomers?

Het is druk bij het water. Mensen wassen hun kleren, nemen een bad. Ook rond het grote kookvuur is het een drukte van jewelste. Ani, met de hulp van een aantal vrouwen, is druk doende een maal geschikt voor een Zomerzonnewende feest klaar te maken. Het grootste deel van de gerechten bestaat uit groentenstoofpotten, konijnen aan het spit, en geroosterd gedroogd everzwijn. Zo vlak na de verhuizing hebben de jagers nog weinig tijd gehad om te jagen en de vissers moeten het eerste net nog binnen halen. Ondanks dat is er  dankzij jaren van overvloed voldoende te eten.

De zon staat nog aan de hemel maar als je goed kijkt is de maan al zichtbaar. De dorpsbewoners hebben zich rondom het grote vuur verzameld. Gezetten op een slee tikt Urgh met een van zijn krukken op de grond. Tork begint te trommelen. Krom en Flik vallen hem bij. Het geluid zwelt aan. Harder en harder. Dan maant Urgh de trommelaars tot stilte en wenkt de laatste drie leden van de stam van Slik om dichterbij te komen. Net buiten de cirkel van licht blijven zijn staan. Weer tikt Urgh met zijn kruk op de grond, wijst naar Pol. 'Wie ben jij en waarom sta jij hier voor ons?', vraagt hij met luidde stem. 'Ik ben Pol. Ik ben stamloos en zou graag toegelaten willen worden tot het dorp'. 'Welkom Pol. Wie spreekt voor jou?'. Het is Tak die als eerste naar voren loopt. 'Ik spreek voor Pol, mijn zusterszoon', zegt hij. 'Pol is welkom aan mijn vuur en ik ben er van overtuigd dat hij een aanwinst voor het dorp zal zijn'. 'Zijn er nog meer mensen die voor Pol spreken?', vraagt hij. Een voor een steken de aanwezige volwassenen hun hand op. Tot Urgh's verbazing steken zelfs de  leden van de Vroegere Stam hun handen op. Glimlachend kijkt hij naar de jongeman. 'Welkom Pol, welkom in ons midden'. Hij wenkt de jongeman om de cikel van licht binnen te stappen en naast zijn  moedersbroeder plaats te nemen.

Wederom tikt Urgh met zijn kruk op de grond, kijkt Kelp aan en vraagt 'Wie ben jij en waarom sta jij hier voor ons'. 'Ik ben Kelp', stottert hij. 'Ik ben stamloos en zou graag toegelaten worden tot het dorp'. 'Welkom Kelp', antwoord Urgh, 'Wie spreekt voor jou?'.  'Ik spreek voor Kelp', vebreekt de stem van Tork de stilte. 'Hij heeft tijdens de jacht bewezen een  aanwinst voor dit dorp te zijn'. 'Zijn er nog meer mensen die voor Kelp spreken?', vraagt hij dan. Iets langzamer dan daarnet gaan de handen van de dorpsbewoners omhoog. Alleen T'raa's hand gaat niet omhoog. 'Zijn er mensen die tegen Kelp spreken?', vraagt hij. Alle ogen zijn op T'raa gericht maar zij steekt haar hand niet op.  Niet alleen Kelp, ook Durk zijn vader, haalt opgelucht adem. 'Welkom Kelp, welkom in ons midden', herhaalt Urgh de woorden van toelating. Op het teken van Urgh stapt Kelp de cirkel van lict binnen en neemt plaats naast Tork.

Urgh's ogen zoeken het gezicht van de laatste man die aan de rand van het cirkel van licht staat. Durk kijkt hem aan en knikt een keertje. De kruk van Urgh tikt weer op de grond. 'Wie ben jij en waarom sta jij hier voor ons'. Durk stapt naar voren. Zijn keel is kurkdroog en met nauwelijks hoorbare stem zegt hij 'Ik ben Durk. Ik ben stamloos en zou graag toegelaten worden tot het dorp'. 'Welkom Durk', antwoord Urgh, 'Wie spreekt er voor jou?'. Bevreesd dat het stil blijft kijkt Durk naar zijn voeten. Zijn zoon Kelp is nog maar net als dorpsbewoner toegelaten en heeft nog geen stem. Dan hoort hij de stem van Azel. 'Ik spreek voor Durk. Tijdens onze zoektocht naar een nieuwe woonplek heeft hij laten zien dat hij snel kan denken en bereid is zijn leven voor de bewoners van dit dorp te geven'. Verbaasd kijkt Durk op. Zijn ogen zoeken Azel die hem vriendelijk toeknikt. 'Zijn er nog meer mensen die voor Durk spreken?', vraagt Urgh. Weer gaan bijna alle handen omhoog. Alleen de handen van de vier voormalige leden van de Vroegere Stam ontbreken. 'Zijn er mensen die tegen Durk spreken?' De handen van de vier leden van de Vroegere Stam blijven laag, al lijkt T'raa te aarzelen. Urgh wacht nog even en heet ook Durk welkom in het dorp.  Opgelucht ademhalend stapt Durk in de cirkel van licht en neemt naast Azel plaats.

Urgh tikt met zijn kruk op de grond. Gaya haalt drie armbanden, versierd met een grijze en een groene kraal, te voorschijn. Eerst knoopt zij Pol een armband om, dan Kelp en als laatste is Durk aan de beurt. Dan verschijnt Pew met een kom voorouderdrank. Eerst nemen de drie mannen en daarna de overige volwassen een slok. Krom en Flik beginnen weer te trommelen. Langzaam verdikt de rook in het vuur zich, verschijnen er gedaanten in het vuur. De lange blonde man, Ergh, Nana, Onna en, tot grote verbazing van de dorpsbewoners,  de vierde voorouder van K'wan. 'Voorouders', zegt Urgh, 'Dit zijn Pol, Kelp en Durk. Zij zijn nieuwe leden van ons dorp. Bekijk hen goed, zodat jullie hen herkennen wanneer zij het land van de voorouders betreden en weten dat zij bij jullie horen'. De voorouders richten eerst hun vorsende blik op Pol. Dan zijn Kelp en Durk aan de beurt. 'Wij zullen jullie herkennen', antwoord de lange blonde man, 'En welkom heten wanneer jullie tijd daar is'. Na dit gezegd te hebben lossen de vijf gestalten langzaam in de rook op.

'Het is bijna tijd om te gaan eten', horen de dorpsbewoners Urgh zeggen. 'Maar eerst wil ik de dorpsgenoten die de wens hebben uitgesproken samen een verbintenis aan te gaan, vragen om naar voren te komen'. De dorpsbewoners beginnen te joelen. Een verbintenis net na aankomst op een nieuwe woonplek, dat is een goed voorteken. Maar wie  gaan er naar voren stappen? Nieuwsgierig kijken de dorpsbewoners elkaar aan.


118. De wens van de voorouders

Dan staan een aantal mensen op en komen dichterbij. Het vuur voor Urgh laait weer op want de voorouders keren terug. Tot zijn verbazing ziet de dorpswijze hoe Pol en C'roo het vuur naderen, gevolgd door Kelp en Meuw. Even schiet zijn blik richting K'wan maar die ziet hem niet, kijkt recht voor zich uit in het vuur.

'Ik zie dat een aantal van jullie in dit dorp nog geen verbintenis ceremonie hebben meegemaakt', begint Urgh. 'Azel en Zan zullen een laag, smal vuur maken. Zodra ik je naam noem, ga je zo dicht mogelijk bij het vuur staan, en houd elkaars beide handen vast. Ik tik driemaal met mijn kruk op de grond. De voorouders in het vuur zullen dan jullie bedoelingen vorsen. Zodra zij daar mee klaar zijn weet ik dat en tik nogmaals driemaal met mijn kruk op de grond. Dat is voor jullie het teken om over het vuur heen te stappen, of te springen. Zodra je over het vuur bent is er gelegenheid tot het uitwisselen van de persoonlijke geschenken en is de verbinding een feit. Begrepen?'. De vier jonge mensen voor hem knikken. Azel en Zan hebben al wat takken neergelegd. Azel houdt er een fakkel bij en al snel brandt er een smal maar lang vuur. Wanneer de vlammen diep oranje worden verschijnen daar de gestalte van de voorouders.

Pol en C'roo zijn de eerste twee die Urgh naar voren roept. Zij slaan hun handen in elkaar en kijken verwachtingsvol naar Urgh. Gezeten op zijn slee tikt Urgh driemaal met een kruk op de grond. 'Voorouders. Voor jullie staan Pol en C'roo. Zij hebben de wens uitgesproken om zich te verbinden, om samen de toekomst in te gaan. Ik vraag jullie, kijk in hun hart en en ziel en zie of hun keuze de juiste is'. Het zijn Onna's ogen die de ogen van C'roo vangen. De Vierde Voorvader van de Vroegere Stam richt zijn blik op Pol. Onbevreesd beantwoord de jonge jager de vorsende blik.  Dan tikt Urgh wederom driemaal met zijn kruk op de grond. 'Het is tijd om over het vuur te springen',  schalt zijn stem over de vlakte. De beide jonge mensen kijken elkaar aan. Pol geeft een klein knikje en samen springen zij over het vuur. 'Dan is het nu tijd om de persoonlijke geschenken uit te wisselen', zegt Urgh vriendelijk. 'Pol, jij begint'. De jonge man maakt zijn buidel open en haalt er een ketting uit. Aan de ketting hangen drie kralen, twee grote, een kleintje. 'Jij, ik en K'nd', zegt hij zachtjes. C'roo's ogen stralen wanneer haar vuurpartner de ketting om haar nek hangt. Dan wenkt zij Meg naderbij. In haar handen heeft Meg een prachtige leren riem, met daaraan een buidel. 'Dit is mijn geschenk voor jou', zeggen C'roo's handen. 'In het vlechtwerk zitten haren van K'nd en mij verweven. Zolang jij die riem draagt zullen wij altijd bij jou zijn'. Pol knoopt zijn riem los. C'roo pakt de riem uit de handen van Meg, slaat die om het middel van de man voor haar en maakt de riem, onder luid gejoel en gestamp van de dorpsbewoners, met een schuifknoop vast.

Wachtend tot het gejoel wat is verstomd laat Urgh zijn blik nogmaals op de voormalig dorpswijze van de Vroegere Stam rusten maar K'wan is in gedachten verzonken. 'Kelp en Meuw, willen jullie dichterbij komen', vraagt Urgh. Beide jonge mensen doen wat hen gevraagd wordt.  Slaan hun handen ineen. Urgh tikt met zijn kruk op de grond. 'Voorouders, ook deze jonge man en vrouw hebben de wens uitgesproken zich te mogen verbinden om samen de toekomst in te gaan. Kijk in hun hart en ziel en zie of hun keuze de juiste is. De lange blonde man laat zijn blik op Kelp rusten en kijkt hem langdurig vorsend aan. Zo lang, dat Kelp er onrustig van wordt. Onna heeft haar onderzoek van het hart en de ziel van Meuw al lang afgerond en zegt lachend 'Maak het de jongeman niet zo moeilijk Oude. Ook al liggen zijn wortels in een andere stam, ook al is hij niet gewend aan de manier waarop onze stam hun vuurpartners kiezen, aan de manier waarop de mensen van deze stam in het leven staan, hij heeft met hart en ziel voor Meuw gekozen. Of dat voldoende zal zijn voor een lang leven samen kan alleen de toekomst uitwijzen'. Glimlachend glijden de ogen van de lange blonde man van het gespannen gezicht van Kelp af en knikt. Urgh tikt driemaal met zijn kruk op de grond. 'Het is tijd om over het vuur te springen'. Even aarzelt Kelp maar dan ziet hij hoe Meuw hem vol vertrouwen aankijkt en samen springen zij over het vuur. 'Dan mogen jullie nu de persoonlijke geschenken uitwisselen'. Weer staat Meg met een geschenk in haar handen naast een jong koppel. Dit keer is het Kelp die het geschenk, een prachtige werpspies, van haar aanneemt. 'Meuw, ik heb moeten wennen aan het idee dat vrouwen net zo goed kunnen jagen als mannen. Nu moet ik gaan wennen aan het idee dat jij en ik niet altijd in dezelfde jachtgroep zullen zitten. Daarom heb ik deze werpspies voor je gemaakt. Er zit een stukje van mijn ziel in zodat ik altijd bij je ben, en je kan helpen mocht dat nodig zijn'. Blozend neemt Meuw de werpspies in ontvangst, bekijkt het snijwerk en de harde, zwartgeblakende punt. Voorzichtig legt zij de speer naast haar voeten neer en pakt dan haar geschenk voor de jongeman uit haar buidel. Het is een slinger. 'Ik weet dat jij nog niet echt gewend bent aan jagen met een slinger', zegt zij zachtjes, 'Dat jij geen eigen slinger hebt. Nu wel. Telkens wanneer jij hem gebruikt, zal het stukje van mijn ziel wat in de slinger huist jouw hand leiden'. Zij drukt de slinger in de uitgestrekte handen van Kelp. Onder luidt gejoel en gestamp van de dorpsbewoners raapt zij haar werpspies op en hand in hand lopen zij bij het vuur vandaan en nemen naast Urgh plaats.

Dan laait het kleine, smalle vuur hoog op. In het vuur staan Nana en de vierde voorouder. Beide kijken boos om zich heen. De Vierde Voorvader maakt een handgebaar richting Nana. De oude vrouw knikt eenmaal en dan schaalt haar stem door het dorp. 'Het is de wens van de voorouders dat voormalig dorpswijze K'wan en medicijnvrouw M'na een verbintenis voor de duur van een jaar aangaan. Volgend jaar, aan het eind van de zomerzonnewende, mogen zij er zelf voor kiezen de verbintenis voort te zetten of uit elkaar te gaan. Dit jaar hebben zij geen keuze. K'wan, M'na, sta op. Het is tijd om samen over het vuur te springen'.


119. Een nieuwe oude gewoonte

Met de hulp van zijn krukken staat hij op. 'K'wan, M'na, de voorouders hebben gesproken. Het is hun wens dat jullie samen, ten overstaan van de voorouders en jullie dorpsgenoten, over het vuur stappen om op deze wijze voor een jaar het vuurpartnerschap aan te gaan. Sta op, ga bij het vuur staan, pak elkaars handen vast en laat de voorouders jullie hart vorsen'. Langzaam staat M'na op, haar ogen nog steeds op de grond gericht. K'wan blijft zitten. 'K'WAN, OPSTAAN! NU!', buldert Urgh. Iets zachter vervolgt hij,  'Het geeft geen pas dat juist jij geen gehoor geeft aan een opoep van de voorouders'. Geschrokken van de kracht van de stem van zijn vriend staat K'wan op. 'Ik kan het niet', seinen zijn handen. 'Ik ben M'na niet waardig. Ik heb haar niets te bieden nu ik geen dorpswijze meer ben. Geen jager, herder, boer of vakman ben'. 'De voorouders vinden jullie waardig voor elkaar', antwoord Urgh, 'Ik ben het met de voorouders eens. Stap samen over het vuur en laat M'na over een jaar beslissen of je haar langer waardig bent of dat jullie verbintenis dan stopt'. 'Ik heb geen persoonlijk cadeau', gooit hij zijn laatste troef in de strijd. 'M'na heeft ook niets voor jou', antwoord Urgh. 'Gelukkig eisen de voorouders bij een verbintenis op hun last niet dat er persoonlijke cadeaus uitgewisseld worden. Dat kan volgend jaar, wanneer jullie besluiten je nogmaals te verbinden'.

In de wetenschap dat hij dit gevecht niet gaat winnen van Urgh en de voorouders neemt K'wan naast M'na plaats. Voorzichtig pakken zij elkaar bij de handen. Snel tikt Urgh met zijn kruk op de grond. Het vuur laait hoog op. De een na de andere voorouder verschijnt in het vuur. Allen knikken de beide mensen voor hen vriendelijk toe. Dan verschijnt Nana, gevolgd door de Vierde Voorouder. Onder toeziend oog van alle dorpsgenoten buigen Nana en de Vierde Voorvader zich voorover om met as het teken van De verbinding van de Voorouders op hun voorhoofd te tekenen. Dan voelt Nana hoe iemand op haar schouder tikt. Verbaasd kijkt zij opzij en ziet de Eerste Voorvader van de Vroegere Stam staan. 'K'wan is mijn nazaat', zeggen de handen van de Eerste Voorvader. Zijn gezicht staat bars. 'Ik zal hem het teken van vebinding geven'. Verbaasd kijkt K'wan de altijd zo strenge Eerste Voorvader aan. Vragen borrelen in hem op. Vragen die hij niet kan stellen zonder de handen van M'na los te laten. En het loslaten van de handen van je toekomstig vuurpartner ten overstaan van de voorouders… Dat brengt het hele dorp ongeluk. Dat kan hij niet.

Bevreesd en vol verwondering ontvangen beide mensen voor het vuur de zegen van de voorouders. Niet alleen van de voorouders van hun dorpsgenoten, maar ook van hun eigen voorouders. Het vuur laait hoog op. De voorouders dansen in de vlammen. Urgh tikt driemaal met zijn kruk op de grond. De voorouders in de vlammen maken plaats, het vuur zakt in en ondanks hun eerste aarzeling springen K'wan en M'na met glinsterende ogen en een lach op hun gezicht over het vuur. Achter hen laait het vuur weer op. Hun dorpsgenoten joelen dat het een lieve lust is. 'Dan is het nu tijd om te feesten', horen de dorpgenoten Nana zeggen. Langzaam gaan de voorouders in rook op.

'Dan is het nu tijd om te gaan eten', verklaart Urgh. Gaya, Pew en Meg verschijnen elk met twee komen eten in hun hand en geven de zes nieuwe vuurpartners hun eerste maaltijd. Tot verbazing van de overige aanwezigen haken K'wan en M'na hun rechterarm in elkaar waardoor beide hun eerste hap eten uit de kom van hun nieuwe vuurpartner neemt. Dan haken zij hun arm weer los. M'na geeft haar kom aan K'wan. 'Zo doen wij dat bij de Vroegere Stammen', zegt zij en neemt haar kom weer aan van K'wan. 'Een mooie gewoonte', zegt Urgh. 'Ik stel voor…'. Maar nog voor hij is uitgesproken ziet hij hoe Pol en C'roo hun arm in elkaar haken, gevolgd door Kelp en Meuw. Een nieuwe oude gewoonte is geboren.


120. Zonsopgang

Sinds de Zomerzonnewendeviering zijn er een aantal maanden verstreken. De dorpelingen hebben hard gewerkt om de grot bewoonbaar te maken. Bij drie van de acht ingangen zijn grote delen van de bramen en frambozenstruiken weggehakt. De overgebleven takken zijn over de wilgentenenmatten die in de vorm van een tunnel in en voor de ingangen zijn geplaatst gedrappeerd. Volgends Azel de perfecte manier om de tunnels op hun plaats te houden. De struiken voor de andere ingangen zijn grotendeels intact gelaten. Om te voorkomen dat de struiken te ver de grot ingroeien zijn er wilgentenenwandjes van binnenuit tegenaan gezet. 

De grote vuurplaats ligt achter de middelste ingang, onder een serie van kleine openingen in het plafond. De perfecte plaats voor een binnenvuur volgens Azel. 'Zo kan de rook altijd weg', had hij gezegd. Bij het vuur staan een aantal grote manden gevuld met water.  In een aantal koele diepe nissen in de rotswand staan manden met vlees, fruit en knollen. 

Heel natuurlijk heeft ieder gezin een plekje in de grot gevonden om te wonen. Urgh heeft er voor gekozen om zo dicht mogelijk bij de rivieringang te gaan wonen. De grond voor de ingang is vlak en droog, het water van de rivier dichtbij. In de tunnel heeft Azel ruimte gemaakt voor een kleine werkplaats zodat Urgh ook in de wintermaanden aan zijn geliefde drijfbomen kan werken. Want dat er weer nieuwe drijfbomen moeten komen is niet alleen voor Urgh duidelijk.

Het is nog donker wanneer Urgh wakker wordt met een blaas die op springen staat. Hij kruipt uit zijn slaaprol en voelt de ochtendkoude tegen de blote huid van zijn rug. Steunend op zijn knieen pakt hij zijn tuniek en trekt dit aan. Dan staat hij steunend op zijn krukken op en loopt naar buiten. Het gaat allemaal langzamer dan hem lief is en hij is blij wanneer hij op de plek waar iedereen zich deze maand ontlast is aangekomen. De plek, en de  kommen om in te plassen, zijn een idee van M'na. Zij gebruikt de urine om de dierenhuiden sneller, en beter, te prepareren.

Na zijn blaas geledigd te hebben loopt Urgh langzaam naar de rivieroever en laat zich neerzakken op een rotsblok. Langzaam ziet hij de zon over de bergen in de verte heen opkomen. Voelt de eerste zonnestralen op zijn gezicht. Ziet het water voor zich van rotsblok naar rotsblok springen, ziet de vissen de route van het water volgen. Dan draait hij zich een kwartslag en ziet de boomgaard en de akkers aan de andere kant van de geul. De bomen zijn nog klein, de akkers zo goed als leeg. Maar niet helemaal. De vrouwen hebben de omgeving uitgekamt op zoek naar knollen en bladgroenten en alles wat zij hebben gevonden voorzichtig uitgegraven en op de akkers herplant. Alle planten staan er goed bij, net als de kruidentuin van de drie medicijnvrouwen.

Achter zich hoort hij meer mensen de grot uitkomen. Half gedraaid kijkt hij over zijn schouder en ziet K'wan en M'na uit de grot komen. Hun door de voorouders afgedwongen partnerschap lijkt hen beide goed te doen en het hele dorp vaart wel bij de kennis die zij met hun nieuwe stamgenoten delen. Hij keert zijn blik weer naar de andere kant van de geul. Glimlachend ziet hij even later hoe K'wan met een volle kom urine de ontlastplek verlaat en via de afgeplatte boomstam die over de geul ligt langs de boomgaard naar de leerpreparatiekuil die verder stroomafwaarts lig wandelt om de kom te legen. De geluiden achter hem vertellen hem dat de nieuwe dag nu voor alle dorpsbewoners is aangebroken.

Na nog een laatste blik op de rivier te hebben geworpen staat hij op en loopt langzaam terug naar de grot, naar het vuur waar de kruidenthee staat te trekken en de bewoners zich verzamelen om de opdrachten voor deze dag van Urgh te horen.


121. Holenleeuwin

Met de herfstwende in zicht heeft Urgh de jagers toestemming gegeven om op hertenjacht te gaan. De jagers richten zich met name op oude hindes en bokken maar ook een aantal niet zo sterke jonge bokken moeten er aan geloven. Op deze manier wordt de kudde wat uitgedund waardoor de kans dat de meeste dieren de winter zullen overleven toeneemt. De holenleeuwin, die voor zover de jagers weten, aan de andere kant van de brede kloof woont, hebben zij sinds hun verhuizing nog niet gezien. 'Misschien is zijn wel aan de verwondingen die zij tijdens het gevecht met die jonge bok heeft opgelopen bezweken', had Durk hoopvol gezegd toen de Holenleeuwing een maan na de verhuizing ter sprake kwam. Een paar nachten later hoorde de dorpelingen haar brullen. Het geluid werd door de rotswanden rondom de kloof van de herten weerkaatst zodat niemand precies wist waar het geluid vandaan kwam. 

Drie dagen voor de herfstwende staat er wederom een hertenjacht gepland. Nog voor de zon opkomt zijn de jagers al vertrokken. Iets na zonsopgang volgen Urgh, Elm, Mus, Storm en Luna de jagers. Wanneer zij bij het steile pad wat de kloof in loopt komen wijst Urgh naar links. Daar weet hij een mooi plekje tussen het hoge gras waar de vijf mensen een goed zicht op de jacht in de brede kloof hebben zodat hij de oudste kinderen en Elm vanaf een veilige plek kennis kan laten maken met de hertenjacht. Al pratend en wijzend legt Urgh uit hoe de jacht in zijn werk gaat. Hoe de beoogde buit van de rest van de kudde wordt weggeleid. Hij wijst de jonge bokken aan waar op gelet moet worden. 'Jonge bokken denken niet goed na', zegt hij. 'Die willen nog wel eens op de jagers afrennen om de buit in bescherming te nemen. Maar dat doen zij meestal wanneer de buit een jonge hinde is. Bij oudere dieren hebben zij de neiging om te beschermen veel minder'. Ademloos kijken de vijf mensen toe hoe de oude hinde daar Tork wordt gedood. Dan worden zij opgeschrikt door het zacht ruisen van het struikgewas wat vlak bij hen staat. Nog voor Urgh iets kan zeggen draaien Elm en de drie kinderen zich om, hun slinger gevuld met stenen. Tot hun verbazing zien de vijf mensen hoe Zen vanuit het struikgewas opduikt en naar hen toe rent. Zij horen K'wan het gevaar teken fluiten.

Urgh kijkt om zich heen, op zoek naar het gevaar. Het hoge gras wijkt uiteen en in volle vaart rent een grote Holenleeuwin op de jongen af. Bij het zien van het enorme dier blijft Zen verschrikt stokstijfstil staan. Met haar machtige achterpoten zet de Holenleeuwin af en duikt op de jongen af. Maar K'wan is sneller en samen vallen de jongen en de kleine man op de grond waardoor de Holenleeuwin over hen heen schiet, op haar achterpoten terecht komt, doorschiet en tegen een rots tot stilstand komt. De Holenleeuwin hersteld zich snel, draait zich om en rent wederom op haar prooi af. De kinderen en Elm bekogelen haar met stenen waardoor zij even wordt afgeleid. Ook K'wan en Zen, van de eerste schrik bekomen, bekogelen haar met stenen. Dan valt haar oog op Urgh. De enige mens die geen slinger in de hand heeft. In volle vaart verandert zij van richting en rent op de kreupele dorpswijze af.

Urgh ziet haar komen en weet dat hij geen schijn van kans maakt tegen de Holenleeuwin. Vastbesloten als jager naar de voorouders te gaan verplaatst hij al zijn gewicht naar zijn rechterbeen en steekt beide krukken voor zich uit in een poging de Holenleeuwin in ieder geval te verwonden. Hij voelt de krukken onder het gewicht van de Holenleeuwin breken. De kracht van de impact maakt dat hij achterover valt. Als door een wonder schiet de Holenleeuwin over hem heen. Urgh's handen reiken naar zijn mes. ZIjn armen voelen alsof er een rotsblok op is gevallen. De Holenleeuwin heeft zich gedraaid en komt weer op hem af. Dit is het einde weet hij….

Dan is daar Kleintje, zijn daar de de jonge wolven. Gedrieën storten zij zich op de Holenleeuwin. Met een beet van zijn machtige kaken verscheurt Kleintje de achillespees van haar linkerachterpoot. De twee jonge wolven doen hetzelfde bij haar rechterachterpoot. De Holenleeuwin zakt door haar achterpoten. De drie wolven gaan nu voor haar keel. Met haar machtige voorpoten veegt zij de jonge wolven aan de kant. Geeft Kleintje een stevige optater. Dan voelt zij een zwaar gewicht op haar rug, voelt hoe haar kop achterover wordt getrokken. Voelt hoe het mes haar keel doorsnijdt zodat het bloed uit haar aderen spuit. Zij voelt hoe het gewicht van haar rug rolt. Zij probeert zich op te richten maar daar zijn de wolven weer die haar tegen de grond drukken. Met elke hartslag vloeit samen met het bloed het leven uit haar weg.
Gealarmeerd door het tumult boven hen zijn de jagers het steile pad op komen rennen, Zan voorop. Zijn ogen schieten van de gevallen dorpswijze naar de Holenleeuw, naar Elm, de kinderen, K'wan, Zen zijn zoon. Hij ziet het bebloedde mes in de handen van zijn zoon. 'Wat?'. Zijn vraag blijft in de lucht hangen. 'Zen en K'wan hebben mijn leven gered', hoort hij Urgh zeggen. 'Zij hebben samen met de wolven de leeuwing gedood. Verbaasd en vol ongeloof kijkt Zan naar het altijd lachende gezicht van zijn zoon, het eeuwig kind. Die lach  is zo mogelijk nog groter dan anders. 'Zen gjoot jajer', hoort hij zijn zoon zeggen. 'Ja',  zegt  Urgh lachend, 'Zen, zoon van Zan, is een groot jager!'.

Met een hart wat bijna uit elkaar barst van trots geeft Zan zijn zoon de jagersgroet.


122. De waarschuwing

Het gebrul van de holenleeuwin boven aan de kloofrand is op de weide bij de geul niet onopgemerkt gebleven. Net zo min als de afwezigheid van Zen. Ani, zijn moeder is in alle staten en kan haar geluk dan ook niet op wanneer haar zoon, samen met Elm, K'wan en de kinderen boven op de heuvel verschijnt. Zodra hij zijn moeder ziet rent Zen op haar af. Pal voor haar komt hij tot stilstand, trekt het bebloedde mes uit zijn riem, houdt het in de lucht en roept, met een lach van oor tot oor: 'Zen gjoot jajer. Zen Jurg gejed'. Ani wil wat vragen maar Gaya is haar voor. 'Urgh gered? Wat is er met Urgh?'. Zen geeft geen antwoord. Hij hoort de vraag niet eens, zo vervuld is hij nog van zijn daad. Met het mes in zijn handen danst hij om zijn moeder en de medicijnvrouw heen. 'Zen, geef antwoord', snauwt Gaya en grijpt de jongen bij zijn pols. Zonder moeite rukt de jongen zich los.

Dan zijn ook de anderen binnen gehoorafstand. 'Elm', vraagt Gaya scherp. 'Wat is er met Urgh?'. 'Onder de voet gelopen door een holenleeuwin maar gered door Zen, K'wan, Kleintje en de welpjes', antwoord Elm laconiek. Gaya trekt wit weg. 'Is hij…?, vraagt zij zachtjes. 'Denk jij dat Zen zo blij zou zijn, dat wij zo vrolijk zouden zijn, wanneer Urgh dood is?', is de wedervraag van Elm. 'Hij is wel gewond. Zijn armen doen pijn van de klap die zijn krukken heeft gebroken en ik denk dat er een paar ribben gekneusd of misschien wel gebroken zijn. Maar hij leeft en zo ver ik het kan beoordelen is er geen reden om te denken dat hij naar de voorouders gaat. Zan en Tork zullen zo wel hier zijn met Urgh'.  Hij heeft het nog niet gezegd of Zan, Tork en Urgh verschijnen boven op de heuvel. 'Ik ga Pew en M'na waarschuwen', mompelt Gaya en rent weg, Elm en de andere verbaasd achter latend.

Die avond lijkt het of het feest van de herfstwende al is begonnen, zo overvloedig is het eten wat Ani voor deze avond bereid heeft. Hoewel alle dorpelingen ondertussen weten dat Zen het leven van Urgh gered heeft en een holenleeuwin gedood heeft gaat iedereen er goed voor zitten wanneer Elm aan het einde van het feestmaal het woord neemt.

Gezeten op zijn slee leunt Urgh met een pijnstillende kruidenthee achterover om naar het verhaal te luisteren. Wanneer Elm beschrijft hoe Urgh met zijn krukken de aanval van de holenleeuwin heeft afgeweerd kreunt de lange man om het verhaal kracht bij te zetten. Daarna luistert hij weer net zo ademloos als de rest van de dorpelingen naar het verslag van Elm. Aan het eind van het verhaal wordt de kleine Zen door alle dorpelingen toegejuicht en de ene na de andere jager geeft hem de jagersgroet. Urgh staart in het vuur en realiseert zich voor het eerst die dag dat hij nog leeft vanwegen zijn impulsieve beslissing om het eeuwig kind van zijn vriend Zan te laten leven, ondanks dat het tegen de gebruiken van hun stam in ging. In gedachten hoort hij hij weer de boze stem van zijn voorouder over de beslissing om Zen te laten leven. In gedachten?

Urgh knippert met zijn ogen. In het vuur voor hem is de gestalte van de lange blonde man, zijn vroege voorvader, verschenen. 'Ik kom je waarschuwen Urgh!', zegt de lange man met boze stem. 'Urgh, hoe vaak denk jij nog op wonderbaarlijke wijze aan de dood te kunenn ontsnappen? Stop met het tarten van het noodlot. Accepteer dat jij geen jager meer bent. Dat jij geen gevaarlijke situaties meer op moet zoeken'.  Urgh wil wat zeggen maar de lange man legt hem met een handgebaar het zwijgen op.

'Vandaag ben jij blijven leven dankzij het feit dat jij Kleintje niet aan zijn lot over hebt gelaten, Elm een tweede kans hebt gegund, Zen tegen de gebruiken in hebt laten leven en K'wan en de andere leden van de Vroegere Stam een plek in dit dorp hebt gegeven. Leer van Elm en K'wan wat een dorpswijze wel en niet doet zonder je eigen manier van denken te verliezen. Zorg dat je lang genoeg blijft leven om Teem, zoon van Azel en Yali, op te leiden tot dorpswijze zodat hij jouw werk voort kan zetten. Leer hem kijken zoals jij kijkt, denken zoals jij denkt. Doe je dat niet… Doe je dat niet zal de toekomst van de mensheid er heel anders uit gaan zien… Dan zal jouw voorouderschap niet lang duren omdat er geen nazaten meer zijn'.  Na dit gezegd te hebben verdwijnt de blonde man in het vuur, Urgh in verwarring achterlatend.

Dan staat Zen met zijn hand omhoog gestoken voor hem en kan Urgh niet anders dan de kleine jongen de jagersgroet te geven. Voor de allerlaatste keer in zijn leven. Vanaf nu is hij geen jager meer. De voorouders hebben gesproken.


123. M'na's vraag

Na de waarschuwing van de voorouders hult Urgh zich in een somber stilzwijgen. Gaya en de overige dorpelingen wijten zijn sombere stemming aan het feit dat hij door zijn verwondingen, overgehouden aan zijn onvrijwillige ontmoeting met de Holenleeuwin, zwaarder zijn dan in eerste instantie gedacht. Naast een aantal gekneusde ribben doen zijn armen dusdanig veel pijn dat hij het werken aan zijn nieuwe krukken volledig aan Azel over moet laten. Zonder krukken is Urgh volledige afhankelijk van zijn slee. Door de pijn in zijn armen is hij afhankelijk van de hulp van de dorpelingen en hulp vragen is nooit een van Urgh's sterkste kanten geweest.

Drie dagen na zijn ontmoeting met de Holenleeuwin, aan de vooravond van de herfstzonnewendem zit Urgh halverwege een zonnige ochtend op zijn slee voor de ingang van de grot. Het dorp is zo goed als uitgestorven. Hij ziet alleen M'na en Ani. Beide zijn druk bezig bij het grote vuur. De heerlijke geuren die uit de stoofpotten van Ani opstijgen worden overstemd door de bitterscherpe geur van het medicijn wat M'na maakt. ''t Zal wel weer iets voor mij zijn', denkt Urgh, 'En het zal wel weer smerig smaken'. In tegenstelling tot Gaya en Pew is M'na, net als vroeger zijn grootmoeder en moeder, van menig dat medicijnen niet lekker behoren te zijn. 'Als het lekker smaakt', plachtte zijn grootmoeder altijd te zeggen, 'Zet de patiënt niet alles in het werk om zo snel mogelijk te genezen'. Dan schieten zijn gedachten, zoals de laatste vijf dagen constant, terug naar de waarschuwende woorden van zijn voorouder, de lange blonde man. Hij, Urgh, wil nog helemaal niet nadenken over het opleiden van een opvolger. Hij, Urgh, is toch ook niet opgeleidt tot dorpswijze en hij doet het toch maar mooi beter dan Elm en K'wan die deze opleiding beide wel hebben gehad. Beide zijn geen dorpswijze meer. Beide zijn een groot deel van hun stam aan het noodlot kwijtgeraakt terwijl hij, Urgh… Zijn gedachten draaien in kringetjes terwijl de zon langzaam naar haar hoogtepunt klimt.

Uit zijn ooghoek ziet hij M'na met een kom in haar handen zijn kant op komen. 'Ik wist het', denkt hij somber, 'Meer vies medicijn'. Bij de sombere man aangekomen zet M'na de kom met stroperige vloeistof voor hem op de slee. Zonder een woord te zeggen pakt zij het koord van zijn slee en begint te trekken. Hortend en stotend komt de slee op gang. Iets van de stroperige vloeistof klotst over de rand van de kom op zijn hand. Zonder na te denken likt Urgh de druppels van zijn hand. Zijn idee dat het smerig zou smaken klopt helemaal. Met een vies gezicht mompelt hij 'Gadver wat smerig'. Hij overweegt de kom 'per ongeluk' van de slee te stotten maar dat is dorpswijze-onwaardig gedrag weet hij.

Bij de omgevallen boom over de geul aangekomen stopt M'na met lopen. De slee staat meteen stil. Zij laat het koord op de grond vallen, draait zich om en pakt de kom van de slee en zet deze naast de omgevallen boom. Dan vragen haar handen: 'Zou jij K'wan willen roepen. Ik heb op zijn verzoek een mengsel van hersenen en looizuur gemaakt. Hij hoopt dat door jullie en onze methode van looien tegelijkertijd te gebruiken het looien sneller gaat en een mooier resultaat geeft'. De opluchting is van het gezicht van Urgh te lezen. Het smerige spul is gelukkig geen medicijn. 'K'WAN!', brult hij, 'HET MENGSEL VAN M"NA IS KLAAR. KOM JE HET HALEN?'.

Zonder op een antwoord te wachten en met een grijns van oor tot oor vanwege het gezicht van Urgh pakt M'na het koord weer op en begint weer te trekken. Dit keer richting de rots aan de waterkant waar Urgh zo graag mag zitten om in de verte te staren. Daar aangekomen zet M'na de slee zo neer dat Urgh goed zicht heeft op de bergen in de verte en gaat op de rots naast de slee zitten. Even zijn de woorden van zijn voorouder verdwenen en geniet Urgh met volle teugen van het uitzicht. Ooit, ooit zal hij die bergen van dichtbij bekijken, zal hij tegen de helling op lopen. Wat weten de voorouders nu over de toekomst?

Zuchtend wendt hij zijn ogen af, voelt de hand van M'na op zijn knie. Zij glimlacht even naar hem. 'Mag ik je wat vragen?', seinen haar handen. Urgh knikt van ja. 'Wat vind jij van de opdracht van de voorouders aan K'wan en mij om ons te verbinden voor een jaar?'. 'ik vind het een wijze opdracht', antwoord hij, zich verbaasd afvragend waarom M'na over de voorouders begint. 'Waarom?', vraagt M'na verder. 'Het was mij duidelijk dat K'wan en jij iets voor elkaar voelen en ik wist dat K'wan zichzelf geen medicijnvrouw waardig achtte nu hij geen dorpswijze meer is'.  'En', vragen de handen van M'na. 'Ik wist dat volgens de tradities van de Vroegere Stam de vrouw de man niet mag vragen en moet afwachten', vervolgt hij zijn uitleg. 'Ik wist ook dat bij de afwezigheid van een mannelijk familielid K'wan, zelfs al is hij nu geen dorpswijze meer, als jouw vertegenwoordiger zou moeten onderhandelen en dat hij het nooit toe zou stemmen in een verbintenis van jou met een man die jou in zijn ogen niet waardig is. Ik had al besloten om jullie tijdens de volgende zomerzonnewende dezelfde opdracht te geven als die de voorouders nu gegeven hebben. Omdat ik wist dat het goed voor jullie en goed voor het dorp zou zijn'. M'na kijkt hem zwijgend aan. 'En?', vraagt hij, 'Hebben ik en de voorouders gelijk?'. Met een blos op haar wangen en een glimlach rond haar mond antwoord M'na, 'ja, jullie hebben gelijk'.

Even zijn de twee mensen aan de waterkant stil. Dan seinen de handen van M'na, 'Waarom kan jij wel inzien dat de opdracht van de voorouders voor K'wan, mij en het dorp goed is, en waarom kan je de opdracht die de voorouders jou hebben gegeven niet omarmen? Voor jezelf en voor het dorp?'. Urgh's gedachten tuimelen over elkaar heen. 'Omdat….', begint hij. 'Wat weten zij …'.

Het dringt tot hem door dat de woorden die hij wil gaan zeggen een dorpswijze onwaardig zijn. Dat hij er beter aan doet goed na te denken alvorens M'na te antwoorden.


124. M'na legt uit.. 

Na een paar halfslachtige pogingen om de vragen van M'na, ‘Waarom kan jij wel inzien dat de opdracht van de voorouders voor K’wan, mij en het dorp goed is, en waarom kan je de opdracht die de voorouders jou hebben gegeven niet omarmen? Voor jezelf en voor het dorp?’, te beantwoorden neemt Urgh de tijd om goed over de antwoorden na te denken zodat hij een dorpswijze-waardig antwoord kan geven. Met haar handen in haar schoot gevouwen kijkt M'na hem vriendelijk aan. 

Urgh's gedachten zijn net zo onstuimig als het water wat voor zijn ogen door de rivier stroomt, zijn diepste gevoelens net zo onbereikbaar als de bergen aan de overkant en nog verder weg. Zijn gezicht weerspiegelt zijn tuimelende gedachten. Hij zucht diep, wil wat zeggen maar weet de juiste woorden niet te vinden. Dan voelt hij de hand van M'na op zijn been. Hij kijkt haar aan en haar handen zeggen: 'Probeer met je versan kitand de woorden van de voorouders terug te halen Urgh, en niet de betekenis die jouw gevoel aan die woorden heeft gegeven'. Niet begrijpend kijkt Urgh haar aan. 'Ik mag…', begint hij. 'Ik moet…' vervolgt hij. 'Dat is het gevoel wat spreekt', zegt M'na. 'Niet je verstand'. Verward kijkt Urgh haar aan. 'Ik begrijp het niet', zegt hij dan zachtjes. 'Wil jij mij helpen dit te begrijpen?'.

M'na knikt en haar handen beginnen te praten. 'Wat de voorouders gezegd hebben is dat jij belangrijk bent voor de toekomst van de mensheid omdat jij op een andere manier dan de meeste mensen naar de wereld kijkt, met mens en dier omgaat. En niet alleen dat, jij bent in staat om andere mensen in je gedachtengang mee te nemen. Ik weet zeker dat toen jij klein was een vakman als Azel niet in zulk hoog aanzien stond als dat hij nu staat, klopt dat?'. Urgh knikt van ja. 'Jij hebt er samen met Kleintje voor gezorgd dat de mensen in dit dorp anders naar wilde dieren zijn gaan kijken. Jij hebt Tork en Elm een tweede kans gegeven, net als ons, de leden van de Vroegere Stam, Durk, Kelp en Pol. Jij geeft mensen een tweede kans'. 'Doordat de voorouders de toegang tot het geestesrijk voor mij gesloten hielden heb ik een tweede kans gekregen', zegt Urgh zacht. 'Elm heeft als dorpswijze misschien wel fouten gemaakt maar hij vond het ooit goed dat Kleintje in zijn dorp kwam wonen, vond het goed dat ik een aantal van de meisjes met een slinger leerde omgaan. Tork… '.

Met een handgebaar legt M'na hem het zwijgen op. 'Het gaat er niet om waarom, het gaat er om dat jij het hebt gedaan Urgh. Jij bent de eerste dorpswijze die ik heb ontmoet die erkent dat hij niet alles weet. Die naar elke dorpsbewoner luistert. Jij neemt dan wel de beslissing over de jacht, maar je luistert naar de jagers. Jij neemt de beslissing over waar te wonen, maar je luistert naar de vrouwen en de voorouders. Je erkent dat Azel beter weet hoe een ingang gestut moet worden dan dat jij dat weet. Jij hebt de boomgaarde, de akkers en de weides bedacht, maar je laat iedereen meedenken over de bomen, de groentes en de granen, over de dieren die gehouden worden. Jij hebt de mensen leren vissen. Dankzij jouw ideeën is dit een welvarend dorp.'.

'Iedereen…', begint Urgh maar M'na onderbreekt hem nogmaals. 'Nee Urgh, dat had niet iedereen kunnen doen. Jij denkt anders dan de meeste mensen. Kijkt anders naar het leven. Jij denkt na over de oorsprong van tradities en vraagt je telkens af of een traditie nog binnen de huidige tijd past, of dat de traditie aangepast moet worden of misschien wel moet verdwijnen. In de tijd dat stammen nog rondtrokken en de zekerheid dat er elke dag iets te eten was ontbrak, kon een moeder geen twee kinderen tegelijkertijd dragen en voeden en ook nog eten voor de stam zoeken. Jullie stam woont al diverse generaties in een dorp. Lang niet alle vrouwen ginggen dagelijks voedselzoeken. De meeste vrouwen vonden en vinden het heel normaal niet alleen hun eigen kind maar ook het kind van een ander te voeden. Toch ben jij het die als eerste besloot dat de tweedsgeborene ook een kans moest  krijgen om te leven. Omdat een vrouw best twee kinderen kan voeden'.

'Weet je Urgh. De meeste mensen denken met hun maag. Als die goed gevuld is dan zijn zij het helemaal eens met alles wat jij bedenkt. Maar oh wee als er een tijd van tegenspoed komt. Dan grijpen mensen terug op tradities. Tenzij er iemand is die niet met zijn maag denkt maar met zijn hoofd. Iemand die kan uitleggen hoe het tij te keren, die kan bedenken hoe een heel dorp op een andere manier te voeden.  De taak die de voorouders jou opgelegd hebben is om Teem, zoon van Azel, te leren denken met zijn hoofd en niet met zijn maag. Dat is niet iets wat je in een dag leert, ook al heeft Teem het geluk twee ouders te hebben die hun hoofd ook weten te gebruiken. En daarom Urgh, daarom moet jij stoppen met het gevaar op te zoeken. Het is jouw taak om Teem op te leiden tot een denkende dorpswijze. Want geloof mij, er gaan jaren van extreme droogte komen. Jaren waarin er nauwelijks eten is. Jaren waarin mensen teruggrijpen naar tradities en Storm, Zen maar ook Elm en K'wan hun leven niet zeker zijn. Tenzij …'. M'na laat haar handen in haar schoot vallen.

'Ik begrijp het nu', zegt Urgh zachtjes. 'Dat laatste stuk, dat had ik niet zo begrepen. Ik was niet meer aan het luisteren. Kon niet meer helder denken. Het was te groot voor mij.  Dank je M'na'. De lange man kijkt nog eenmaal naar de bergen in de verte en zegt dan 'Maar ik ga niet alleen Teem leren anders te denken. Alle kinderen moeten dat leren. Zodat er iemand is, net zoals jij nu, die hem kan helpen wanneer hij in kronkels denkt'.

Die avond, wanneer iedereen zich voor het eten rondom het grote vuur heeft verzameld tikt Urgh met zijn lepel tegen zijn kom. 'Beste dorpsbewoners', begint hij wanneer het stil genoeg is om door iedereen gehoord te worden. 'Van de week heb ik met de voorouders gesproken. Zij hebben mij een opdracht gegeven. Deze opdracht wil ik nu met jullie delen'.


125. Over zeven manen 

Na deze woorden verstomt het laatste geroezemoes. 'Met de voorouders gesproken?', vraagt Azel. 'Maar morgen is het toch pas de avond van het herfstzonnewende feest. Dan spreek jij toch pas met de voorouders?'. 'Dit keer niet Azel mijn vriend. Drie avonden geleden, toen wij het doden van de holenleeuwin door Zen en K'wan vierde, sprak de lange blonde voorouder mij aan. Hij kwam om mij te waarschuwen. Hij kwam..'.Hier valt Urgh even stil en slikt een paar keer zo nadrukkelijk dat zijn ademsappel op en neer danst. 'Hij kwam mij vertellen dat ik, hoewel ik de dood al menig maal te snel af ben geweest, niet het eeuwige leven heb. Hij heeft mij erop gewezen dat het tijd wordt dat ik begin met het opleiden van mijn opvolger zodat dit dorp, wanneer er iets met mij gebeurt, niet zonder dorpswijze achter blijft'.

De dorpsbewoners kijken hem met grote ogen aan. 'Bedoel je te zeggen dat je binnenkort zult sterven?', vraagt Gaya zo zachtjes dat hij haar bijna niet kan verstaan. Hij slaat zijn rechterarm om de schouders van zijn kleine vuurpartner heen. 'Daar heeft de voorouder niets over gezegd Gaya. Hij heeft mij wel gewaarschuwd om te stoppen met het opzoeken van het gevaar en mij er nogmaals op gewezen dat een lamme geen jager is. Dat een dorpswijze geen jager is. Dat de plek van de dorpswijze in het veilige dorp is'. 'Ik ben het met de voorouders eens', fluistert Gaya hem toe.

'Maar jij bent een jager', zegt Tork. 'Nee Tork', antwoord Urgh. 'Ik was een jager. En omdat ik een jager was begrijp ik waar jij het als jager over hebt. Kan ik met je meedenken.  Kan ik je adviseren. Maar ik ben geen jager meer.  Ik ben al geen jager meer sinds ik onder die mammoet die mijn benen gebroken heeft terecht ben gekomen'. 'Zonder jou zag dit dorp er heel anders uit', bromt Tork. 'Zonder jou bestond dit dorp niet eens', roept Elm. 'Dan was iedereen aan die verschrikkelijke ziekte gestorven. Dan waren onze lijken nu wel schoongepikt door de aaseters'.

'Ik zeg niet dat ik niet nuttig ben', reageert Urgh, 'Ik zeg alleen dat ik geen jager meer ben. Net zo min als dat ik een vakman ben, een voedselverzamelaar, een medicijnvrouw, een leerbewerker of een herder. Ik ben een dorpswijze en de taak van een dorpswijze is om erop toe te zien dat tradities nageleefd worden'. Na het horen van deze woorden schiet Durk in de lach. 'Jij! Tradities naleven?', vraagt hij. 'Ik heb nog nooit een dorpswijze meegemaakt die zo veel tradities breekt, ombuigt, negeert. Niet dat ik daar niet blij mee ben', voegt hij er aan toe. 'Wanneer jij dat niet zou doen was ik nu geen lid van dit dorp, had mijn zoon geen verbintenis met C'roo aan kunnen gaan… Maar toch…'.

Met een grote lach op zijn gezicht antwoord Urgh, 'Om tradities te breken, om te buigen, negeren, moet je op de hoogte zijn van de tradities. Moet je weten onder welke omstandigheden de tradities zijn ontstaan. Moet je het waarom en het doel van de traditie kennen.  Wanneer je die kent, dan weet je, wanneer de omstandigheden wijzigen, dat je een traditie ook kunt wijzigen. Snap je Durk?'. Aarzelend knikt de jager van ja. 'Ik denk het wel…'.

'Ik vind dat lastig', voegt hij er dan aan toe. 'Het is ook lastig', antwoord Urgh. 'Niet in het minst wanneer anderen, die alleen de tradities maar niet de achtergronden kennen, het er niet mee eens zijn. Vandaar… Vandaar dat ik heb besloten om met nog een traditie te breken. En wel de traditie die zegt dat alleen de beoogd opvolger van de dorpswijze alle kennis over de tradities mag leren. Ik wil dat jullie allemaal meer leren over de achtergrond van onze tradities. Alle tradities…'.

'Maar.. maar, je bedoelt dat jij ons alles gaat vertellen wat een dorpswijze leert?', vraagt Tak verbaasd. 'Maar wij zijn geen dorpswijze. Dat is voor ons niet te begrijpen'. 'Urgh is ook niet opgeleid tot dorpswijze', zegt Elm langzaam. 'Toch is hij onze dorpswijze en ook nog eens een goede. Hij doet het beter dan ik. Ik volgde de tradities zonder over de achtergronden na te denken. Iets wat Urgh wel doet. Ik wil graag van hem leren..'.  Zan knikt. 'Ik ook'. 'Sen ok', doet zijn zoon een duit in het zakje.

'Ik niet!'. Iedereen kijkt verbaasd naar Storm, zoon van Pew en Krom, tweedsgeborene. 'Ik word jager, ik hoef geen tradities te kennen'. 'Jij ook!', reageren zijn ouders tegelijkertijd. 'Ook jagers volgen tradities', zegt Krom. 'Als jij de grootste jager ooit wilt worden, zal je die tradities moeten leren kennen. Zodat je weet ..' 'Wanneer je van de tradities af kunt wijken', vult Urgh lachend de woorden van de jager aan. Het gezicht wat Storm na deze woorden trekt doet zijn naam eer aan maar hij zegt niets meer.

'Wanneer?', vragen de handen van K'wan. 'Morgen vieren we het herfstzonnewende feest. De dagen erna wil ik met Elm en jou en de medicijnvrouwen overleggen waar te beginnen. Ik denk dat we over zeven manen wel zo ver zijn … Wat denk jij?'.  K'wan knikt. 'Over zeven manen weten wij wel waar te beginnen… Ik weet het nu al'.


126. Voorouder Eén spreekt

Zeven manen zijn verstreken. Het dorp heeft zich voor het avondmaal rond het vuur verzameld. Iedereen is in afwachting van de eerste traditie die besproken gaat worden. Nog niet alle bewoners zijn ervan overtuigd dat het een goed idee is dat de redenen achter de tradities met iedereen gedeeld gaan worden. Met name Tak is sceptisch. Maar ook Tork heeft zijn bedenkingen.

Het is tijdens het eten stiller dan normaal. Langzaam  valt de duisternis in, is het eten op en wordt de thee uitgedeeld. Wanneer iedereen van thee is voorzien schraapt Urgh zijn keel. 'Zoals eerder gezegd ga ik, gaan wij, jullie meer vertellen over de achtergrond van onze tradities. K'wan heeft aangegeven dat hij graag wil beginnen met de belangrijkste traditie die er bestaat: Samenwerken! Omdat het al donker begint te worden zal Elm zijn handen een stem geven. Zij die dichtbij zitten kunnen K'wan's handen volgen, de rest de stem van Elm'. 'Sinds wanneer is samenwerken een traditie?', vraagt Tork. 'Samenwerken is toch normaal. Als we niet zouden samenwerken ….. '. Het vuur voor hem laait ineens zo hoog op dat Tork verschrikt zijn zin niet afmaakt.

De eerste voorouder van K'wan verschijnt in het vuur. Zijn gezicht staat op onweer. 'Zie je wel', roept Tak, 'De voorouders zijn het er ook niet mee eens dat wij de tradities uitgelegd krijgen'. De kleine man in het vuur legt hem met een handgebaar het zwijgen op en richt zich blik dan op K'wan. Zonder woorden communiceren geest en mens met elkaar. Na iets wat een eeuwigheid lijkt te duren slaat K'wan zijn ogen neer en laat zijn hoofd hangen. Voorouder één richt zijn blik op Elm wanneer zijn handen vragen 'Voormalig dorpswijze, wil jij mijn stem zijn'. Elm werpt een snelle blik op K'wan maar de kleine man kijkt nog steeds naar de grond voor hem. In zijn ogen glinstert een traan. Met een krop in de keel en onzekere handgebaren antwoord Elm 'Ja voorouder van mijn stamgenoot K'wan. Ik zal jouw stem zijn'.

De gedaante in het vuur knikt tevreden. Langzaam draait hij rond zijn as. Kijkt alle dorpsbewoners één voor één vorsend aan tot hij weer tegenover Elm staat. Met statige bewegingen beginnen zijn handen langzaam te praten zodat Elm de tijd heeft om zijn woorden te begrijpen en uit te spreken. 'Ik, voorvader van K'wan die de laatste dorpswijze van de Vroegere Stam is.. K'wan die nu jullie dorpgenoot is waardoor ik ook een voorouder van jullie ben…. Ik ga jullie nu het verhaal van Krkt, dorpswijze van de Eerste Stam, vertellen. Luister goed! Krkt's verhaal kan ooit je leven redden'.

Stomverbaasd, vol ongeloof over de woorden van de voorvader van K'wan, kijkt Tak naar Tork. 'Heeft hij dit echt gezegd?', vraagt hij. Tork, die vlak naast Elm zit en de handen van Voorvader één goed in het vizier heeft, knikt van ja. Tak wil nog wat vragen maar met een handgebaar legt Tork hem het zwijgen op. 'Nee Tak, wij luisteren eerbiedig en zonder onderbreking naar het verhaal van de voorvader van K'wan. Wie zijn wij om de wijsheid van Urgh in twijfel te trekken wanneer zelfs de Oudste Voorouder van ons dorp achter zijn besluit staat'.

Na dat gezegd te hebben kijkt Tork naar K'wan. De kleine man heeft zijn hoofd opgericht en kijkt vol trots, terwijl tranen van geluk over zijn wangen biggelen, naar zijn voorouder, de Oudste Voorouder van het dorp. Zijn laatste twijfel over het toetreden tot het dorp van Urgh is uit zijn hart verdwenen. Hij is waardig bevonden!


127. Krkt's verhaal begint

'Lang voordat jullie soort op aarde rondliep', begint Voorvader Eén, met de stem van Elm,  zijn verhaal, 'Waren wij er al. Wij trokken in familieverband over de aarde. Een familie bestond uit tien tot vijftien personen. De mannen jaagde op klein wild, de vrouwen en kinderen zochten grassen, schors, bessen en noten. Er was zelden voldoende eten. Veel kinderen stierven voor ze een winter mee hadden gemaakt. De meeste tijd hadden wij het koud. Onze kleding bestond uit slecht gelooide huiden van kleine dieren die met stroken leer vastgebonden zaten. Vuur maken konden we nog niet. Wanneer we een andere familie tegenkwamen trokken we een paar dagen samen op. We wisselde kinderen en kennis over eetbare planten, schorsen, grassen, bessen en noten uit. Sommige families kwam je regelmatig tegen, andere families zelden. We leefde allen op dezelfde wijze. Tot Krkt!

Aan het einde van een grijze, regenachtige dag ziet de zevenjarige Krkt een groep mensen uit de mist opdoemen. Hoewel de mannen er anders uit zien dan hij gewend is en hij geen vrouwen ziet heette Oom de nieuwkomers welkom door hen met uitgestrekte armen, de handpalmen omhoog gekeerd, tegemoet te treden. De voorste man gromt wat, grijpt Oom bij zijn haren en snijdt hem in een beweging de keel door. Wat volgt is een slachtpartij. De vreemde mannen gaan als wilden tekeer. In het strijdgewoel wat ontstaat krijgt Krkt een schop tegen zijn hoofd en verliest het bewustzijn.

Een waterig zonnetje deed haar best door de mist te breken wanneer Krkt de volgende ochtend bij komt. Zijn hoofd doet pijn en hij wordt haast geplet door iets zwaars wat op hem ligt. Voorzichtig probeert hij op te staan maar het gewicht op hem geeft niet mee. Al draaiend, met zijn handen voor zich uit klauwend lukt het hem om zich vrij te worstelen. Eindelijk vrij keert hij zich, gezeten op zijn knieën, om om te kijken wat hem tegen de grond gedrukt hield. Vol afschuw ziet hij dat het de levenloze lichamen van Oom, zijn vader, zijn kleine broertje, Neef, Tante en de baby van zijn zus zijn. Hoewel Krkt sinds de vorige ochtend niets meer had gegeten keert zijn maag zich om bij de aanblik van het lijkje van de zwaar verminkte baby. Schielijk om zich geen kijkend kuipt hij snel  bij zijn dode familieleden vandaan. Hij verwacht elk moment gedood te worden maar de vreemde mannen blijken verdwenen te zijn. Net als zijn moeder,  nichtje, zus en zusje. Krkt is helemaal alleen. In de verte hoort hij het gehuil van hyena's.

Hoewel Krkt nog maar net oud genoeg is om te jagen weet hij wel dat hij zo snel mogelijk bij de dode lichamen van zijn familieleden vandaan moet gaan. Al dat bloed en vlees trekt aaseters aan. Zijn oog valt op het grote mes van zijn vader. Snel pakt hij het op en steekt het in zijn riem. Dan zoeken zijn ogen naar sporen van de vreemde mannen en zijn vrouwelijke familieleden. Die sporen zijn snel gevonden. Vastberaden, met tranen in zijn ogen en een holle maag begint hij aan de achtervolging'.

Elm's stem klinkt schor. De handen van Voorouder Eén vallen stil. Er loopt een traan over zijn wang. 'Morgen vertel ik verder', zegt hij. Nog voordat Elm zijn woorden over heeft kunnen brengen is de kleine voorouder van K'wan in rook opgegaan. Meg reikt de schorre Elm een kom thee aan. Terwijl de voormalig dorpswijze met kleine slokjes van de lukwarme thee drinkt vraagt hij zich, net als de overige bewoners, af hoe het verhaal van Krkt verder gaat.


128. Durk's demomen

Na het verdwijnen van Voorouder Eén is de stemming rond het vuur bedrukt. Hoewel de oude man het enkel en alleen over Krkt heeft gehad kan iedereen, met uitzondering van de kinderen, zich een voorstelling maken over het lot van de meegevoerde vrouwen en meisjes. De drie vrouwen van de Vroegere Stam kijken elkaar verdrietig aan. Zij hebben dit lot aan den lijven ondervonden toen zij de gevangenen van Slik's stam waren. De blik van T'raa glijdt naar Durk, voormalig lid van Slik's stam en nu net als zij opgenomen in het dorp. Durk voelt hoe de ogen van T'raa op hem gericht zijn. Hij voelt zijn gezicht warm worden van schaamte. Bruusk staat hij op en met een, 'Ik neem de eerste wacht wel' staat hij op, schept een kom thee in en loopt met de kom warme thee in zijn handen bij het vuur vandaan, de donkere nacht in.. Zijn eigen demonen tegemoet.

Boven op de heuvel aangekomen gaat hij met zijn rug tegen een boom leunend zo zitten dat hij alle richtingen met uitzondering van de woonstede aan het water kan zien. Met kleine slokjes drinkt hij zijn thee. Zijn gedachten tuimelen over elkaar heen.

Hij voelt weer de paniek die bezit van hem nam toen de aarde begon te schudden, het rotsblokken regende en de hele wereld in een modderstroom veranderde. Hij ziet weer hoe zijn vuurpartner, hun jongste kind in haar armen, door een enorm rotsblok tegen de grond wordt gegooid waarbij de baby uit haar handen vliegt en in de voorbij razende modderstroom verdwijnt. Hij ziet hoe de modderstroom op zijn vuurpartner afraast. Voelt weer de bovenmenselijke kracht door zijn lichaam stromen waarmee hij het rotsblok van zijn vuurpartner weet te duwen. Ziet hoe haar hele onderlijf verpletterd is. Voelt weer hoe zijn spieren even blokkeren waardoor de modderstroom haar gemangelde lijf kan grijpen en mee kan voeren. Hij hoort hoe haar geschreeuw verstomd.. Volledig uit het veld geslagen en overmand door verdriet en wanhoop zet hij een stap naar voren en laat zich in de modderstroom vallen, op zoek naar vergetelheid..
Hij voelt hoe de modder hem naar beneden trekt, hem meesleurt langs rotsen,struiken en bomen… Net wanneer hij denkt dat zijn longen zullen barsten begint de aarde weer te schudden en spuugt de modderstroom hem uit. Naar adem happend beland hij op vaste grond. Langzaam richt hij zich op, kruipt terug richting de modderstroom en ziet hoe Pol, een van de jonge jagers, worstelt tegen de kolkende modderstroom steeds dichterbij komt. Nog altijd weet Durk niet waar hij de kracht vandaan heeft gehaald om de jonge jager bij zijn arm te pakken en uit de modder te trekken. Maar dat is precies wat hij heeft gedaan. Ondanks de vallende rotsblokken kruipen zij beide bij de modderstroom vandaan. Op zoek naar een plekje waar zij veilig kunnen schuilen voor al het natuurgeweld.

De blijdschap die hij voelde toen hij er achter kwam dat diverse andere mannen van het dorp, waaronder zijn zoon Kelp, het natuurgeweld overleefd hadden, voelt hij niet meer omdat hij weet wat daarna kwam. Het gevoel van vernedering toen hem hetzelfde lot beschoren bleek te zijn als dat van de twee jongens. Hoe zij drieën door de overige mannen regelmatig op de knieën werden gedwongen zodat de anderen aan hun gerief konden komen. Het gevoel van schaamte omdat hij na de gevangenneming van de leden van de Vroegere Stam even blijdschap voelde omdat hij niet meer op de knieën hoefde. Het gevoel van schaamte omdat hij, om zichzelf ten opzichte van de andere jagers te bewijzen, zich aan T'raa vergrepen heeft. Weer voelt hij de pijn wanneer hij denkt aan de wanhoop in de ogen van de kleine vrouw tussen zijn benen. De wanhoop die zo leek op die van zijn vuurpartner toen zij verminkt en gemangeld door de modderstroom werd gegrepen, haar dood tegemoet.

Ondanks zijn bravoure is het gevoel van schaamte nooit meer weg gegaan. Deze avond, met de ogen van T'raa op hem gericht, laaide dat gevoel hoger op dan ooit te voren. Dan hoort hij een geluid achter zich. Snel draait hij zich om en vraag met schorre stem, 'Wie is daar', terwijl zijn hand naar zijn mes gaat. Het zachte fluitje wat als antwoord komt verteld hem dat het een van de leden van de Vroegere Stam is. Dan ziet hij tussen het struikgewas door twee mensen op hem afkomen. De ene is Marg. Zij heeft een fakkel in haar hand. De andere is.. Met samengeknepen ogen, bij het vage licht van de nieuwe maan ziet hij dat het T'raa is. De schuwe vrouw van de Vroegere Stam heeft een kom in haar handen. 'T'raa wil met je praten Durk', hoort hij Marg zeggen. 'Over wat er toen gebeurt is'. Met zijn handen voor zijn ogen geslagen zakt Durk op de grond. 'Ik kan daar niet over praten', zegt hij nauwelijks hoorbaar. 'Die dag heb ik oneer afgeroepen over mijzelf, mijn kind, mijn overleden vuurpartner. Het was beter geweest wanneer ik voor die dag gestorven was'. Het geluid wat hij hoort verraad hem dat de fakkel in de grond wordt geduwd. Dan voelt hij een hand op zijn schouder. 'T'raa vraagt of je haar aan wilt kijken', zegt Marg, 'Anders kan zij niet met je praten'. 'Wat kan T'raa mij nog zeggen wat ik nog niet weet', jammert Durk. 'Meer schamen dan ik nu al doe kan niet'. 'Juist daarom is het van belang dat je met T'raa praat. T'raa weet namelijk veel meer dan jij!', zegt Marg vriendelijk. Verbaasd over de toon van Marg's stem laat Durk zijn handen zakken, richt zijn hoofd op en kijkt recht in de ogen van T'raa. Langzaam beginnen haar handen te bewegen.

'De dagen van gevangenschap vielen ons zwaar. Heel zwaar. Jouw stamgenoten behandelde ons niet als mensen maar als beesten. Wanneer zij mijn lichaam gebruikte om aan hun gerief te komen zag ik alleen minachtig  en walging in hun ogen. Als ik hun ogen al zag want mij aankijken deden zij niet. Hun wens om te vernederen leek zelfs groter dan hun drang om aan hun gerief te komen. Ik voelde mij geen mens meer en kon daardoor de vernederingen aan. Toen nam jij mij tussen mijn benen. Je keek mij aan. Ik zag de pijn in je ogen. Ik zag de schaamte voor wat jij een ander mens aan deed. Je kwam die dag niet aan je gerief. Rolde van mij af. Niet uit walging voor mij maar om jezelf'.

'Die dag brak er wat in mij. Omdat jij mij als mens zag, voelde ik mij weer mens en drong het pas echt goed tot mij door wat er met mij gedaan werd. Je hebt mij daarna nooit meer aangekeken, hebt mij aan mijn lot overgelaten. Maar ik weet wat jij voor de andere hebt gedaan. Ik weet dat jij net deed of je C'roo voor je gerief gebruikte zodat de andere mannen haar met rust lieten en haar zwangerschap niet in gevaar kwam. Ik weet dat K'nd nog leeft dankzij jou. Ik weet dat jij ons hebt geholpen met ontsnappen op een dag dat alle gevaarlijke mannen niet in de buurt van het vuur waren. Ik weet heel veel Durk. Zo weet ik ook dat jij een goed mens bent en goede mensen die een fout maken verdienen een tweede kans. Drink daarom samen met mij deze kom thee van vergiffenis leeg zodat wij beide als mensen zonder schaamte verder kunnen gaan met ons leven'.  Dat gezegd hebbende pakt de kleine vrouw de kom met thee die voor haar staat vast en neemt een slok. Dan biedt zij Durk de kom aan. Heftig slikkend accepteert Durk aarzelend de aangeboden kom thee. Hij neemt een slok en geeft de kom weer aan T'raa. Om en om drinken zij samen de kom leeg.

Het is Durk die, terwijl de schaamte nog steeds door zijn lijf laait, de laatste slok neemt. Dan begint de fakkel te flikkeren en verschijnt er in de vlam een vrouw met een baby op haar arm. 'Lieve Durk', zegt zij, 'Hoewel wat jij T'raa hebt aangedaan niet goed te praten is, heb je die dag wel iets heel belangrijks gedaan. Jij hebt T'raa en de andere leden van de Vroegere Stam weer mens laten voelen. Laat je schaamte om wat je hebt gedaan daarom los. Hoewel jij gepoogd hebt op eigen gelegenheid naar de voorouders te reizen heb je dat uiteindelijk niet gedaan. Laat je schaamte om die daad daarom los. Hoewel jij denkt dat je niet genoeg hebt gedaan om de jongens tegen de stamjagers te beschermen heb jij wel alles gedaan wat in je vermogen lag. Laat je schaamte om wat je meer had kunnen doen los. Maar bovenal… Laat het idee dat als je de baby achterna was gesprongen of als je de rots eerder van mij af had gekregen dat zij en ik dan nog in leven waren los. Wij waren dood op het moment dat dat rotsblok op mij landde. Laat ook die schaamte los en ga verder met je leven. En laat ons los, zodat wij naar de voorouders kunnen gaan'. Na dit gezegd te hebben kijkt de miniatuurvrouw in het vuur haar voormalig vuurpartner liefdevol aan. Ziet de strijd op zijn gezicht. De pijn in zijn ogen. De hand van T'raa op zijn arm. Dan breekt er een glimlach door op haar gezicht. 'Dank je wel Durk. Tot ziens bij de voorouders'. Nadat de kleine gestalte door de rook meegenomen is kijkt Durk T'raa recht in de ogen. Dit keer ziet hij geen wanhoop en walging maar slechts liefde en mededogen. Durk's demonen zijn niet meer..


129. Mensen!

Ondanks het gruwelijke begin van het verhaal van Krkt is de sfeer in het dorp de volgende dag, dankzij het verdwijnen van Durk's demonen en het heerlijke warme herfstweer, licht en luchtig. Pas tegen de avond verandert de stemming in het dorp. Een kleine jongen zoals Krkt, die in zijn eentje achter dit soort bloeddorstige mannen aangaat… Dat kan nooit goed aflopen.

Het is nog licht wanneer Ani aankondigt dat het eten klaar is. Vanwege het heerlijke weer wordt er buiten, naast de ingang van de grot, in de luwte van de heuvel en uit de wind, bij het licht en de warmte van een aantal kleine vuurtjes, gegeten. Zodra het begint te schemeren verschijnt de gestalte van Voorouder Eén in het vuur waaraan zowel Durk als T'raa zitten. Hij knikt beide mensen vriendelijk toe en verdwijnt dan weer om even later in het vuur waaraan K'wan, Elm en Urgh zitten opnieuw te verschijnen. 'Ben je er klaar voor?', vragen zijn handen aan Elm. Deze neemt nog snel een slok van zijn thee en antwoord dat hij er klaar voor is.

'Halverwege de ochtend begint het weer zachtjes te regenen maar Krkt negeert het hemelwater en loopt zo snel zijn benen hem kunnen dragen verder. Hij mag dan een onervaren jager zijn maar hij weet dat regen sporen uit wist en zonder sporen wordt de kans dat hij zijn familieleden ooit nog terug ziet heel klein. Met zijn ogen strak op de grond gericht loopt hij stug door net zo lang tot het te donker is om nog iets te zien. De versleten huid die dienst doet als tuniek is kleddernat en hangt zwaar om zijn schouders. Zijn maag is leeg. Hij laat zich op de natte grond vallen en rolt onder een bramenstruik. Hij vult zijn maag met gras, bramenblad en modderig regenwater en valt, ondanks de pijn in zijn lijf, de kou en nattigheid, van vermoeidheid snel in slaap. Het grote mes van zijn vader ligt binnen handbereik.

Het is nog donker wanneer hij wakker wordt met het idee dat hij niet alleen onder die struik ligt. Voorzichtig, zonder geluid te maken, pakt hij het mes van zijn vader vast. Dan ploft er iets boven op hem en hoort hij het voor hyena's zo karakteristieke geluid. Hij zwaait met zijn vader's mes en voelt de scherpe steen door vlees heen gaan. Warm bloed vloeit over zijn handen en gezicht en jankend vlucht de hyena uit zijn buurt. Aaseters houden niet van prooien die nog bewegen. Het duurt even voordat zijn hart weer tot rust is gekomen. Dan likt hij het bloed van zijn handen, plukt nog wat gras en bladeren, staat op en begint weer te lopen. Van achtervolgen is geen sprake meer. De hele wereld is verandert in een modderpoel en alle sporen zijn uitgewist.

Dagen gaan over in nachten, nachten gaan over in dagen. Elke dag loopt Krkt zo ver zijn benen hem dragen kunnen. Zijn maag vult hij met gras, bladeren, noten en bessen. Soms vindt hij een dierenkarkas wat nog niet helemaal schoon is gevreten en doet zich tegoed aan de laatste restjes vlees. Hij komt er achter dat konijnen bij het wisselen van dag naar nacht en andersom kwetsbaar zijn, makkelijk met een goed geworpen mes te vangen. Hij lijdt geen honger meer maar van binnen voelt hij leeg. De slecht schoongemaakte huiden bindt hij voor warmte om armen en benen. Sporen van mensen heeft hij sinds die eerste nacht niet meer gezien.

Het seizoen wisselt. De regen gaat over in natte sneeuw. Dan, op een ochtend na een extreem koude nacht weet Krkt dat hij op zoek moet gaan naar een plek om te overwinteren. Moet zorgen voor voldoende grassen en bladeren. Om zich heen kijkend vervolgt hij zijn tocht. En dan… Dan ziet hij van achter een heuvel rook omhoog kringelen. 'Mensen', jubelt zijn hart. 'Misschien wel de mannen', tempert zijn verstand hem. Uiterst voorzichtig, zonder een geluid te maken, kruipt Krkt tegen de heuvel omhoog.  Hij kijkt naar het dal onder hem. Hij ziet een klein vuur branden. Naast het vuur liggen lichamen. Niemand beweegt. De zon bereikt haat hoogtepunt, daalt weer, verliest in kracht. Het vuur gaat uit, smeult nog wat na. Nog steeds neemt hij beneden in het dal geen beweging waar. Met een zwaar gemoed en bevreesd wat hij in het dal zal aantreffen begint hij aan de tocht naar beneden. In het dal aangekomen vertellen zijn ogen hem dat hij het spoor van de mannen die zijn familie geroofd hebben weer heeft gevonden. Dan ziet hij tussen de dode lichamen van de vreemde familie het bekende maar uitgemergelde en blauw geslagen gezicht van zijn tante. Met dode ogen staart zij hem aan. Hij buigt zich voorover om haar ogen te sluiten en ziet dan vanuit zijn ooghoek iets bewegen. 'De mannen', denkt hij, gevolgd door 'Hyena's'. Zijn hand grijpt zijn vader's mes nog steviger vast. Dan ziet hij vanuit de struiken hoe twee angstige ogen hem aankijken. Voorzichtig loopt hij dichterbij. Met zijn rechterhand houdt hij het mes stevig vast. Met zijn linkerhand zegt hij, 'Niet bang zijn'. Hij duikt onder de takken door het struikgewas in. Het meisje deinst moeizaam achteruit. Haar been ligt in een vreemde hoek. Achter haar ziet hij de ingang van een kleine grot. Nu zegt hij met beide handen, 'Niet bang zijn'. Voorzichtig pakt hij haar vast en sleept haar al kruipend richting de grot. Haar huid voelt ijskoud onder zijn eigen niet al te warme handen. Tot zijn verbazing liggen daar een paar huiden, grassen, bladeren en noten. De familie van het meisje was al bezig met zich voorbereiden om te overwinteren.

Hij legt het meisje op een huid en dekt haar met een andere huid toe om de ergste koude te verdrijven. Dan hoort hij iets. Voorzichtig kijkt hij om het hoekje van de ingang van de grot via het struikgewas naar buiten. Een enorme man staat over het lichaam van zijn tante gebogen. Wanneer de man zich opricht staat zijn gezicht bedenkelijk en zijn ogen schieten in het rond. Zijn blik blijft op de struiken voor de ingang van de grot rusten. Krkt durft zich niet te bewegen en houdt zijn adem in uit angst ontdekt te zijn. Achter de enorme man verschijnt nog een man die een grommend geluid maakt. De man rukt zijn blik los van de ingang van de grot en gromt iets terug. Krkt haalt opgelucht adem wanneer beide mannen samen weg lopen. Vanuit zijn schuilplek ziet hij hen even later tussen de bomen door tegen de heuvel aan de andere kant van het dal oplopen. Pas wanneer de mannen over de heuveltop zijn verdwenen richt hij zijn aandacht weer op het meisje in de grot. Voorzichtig tilt hij de huid op die hij over haar heen heeft gelegd om naar haar been te kijken. Het ligt weer in een enigszins normale positie maar hij weet dat het gebroken is en tijd nodig heeft om te genezen. Hij legt de huid weer over het meisje heen en gaat naast haar zitten. 'Mijn naam is Krkt', zeggen zijn handen en maakt de bijbehorende keelklank. Het meisje reageert niet, kijkt hem slechts aan. Zijn handen praten verder. 'We zijn hier niet veilig zo dicht bij al die lichamen, maar jij kunt met dat been niet lopen en wanneer ik de lichamen naar een ander punt versleep en de mannen komen terug weten ze dat hier nog iemand in leven is. Dus dat kan ook niet. We moeten er maar op hopen dat de dieren voldoende aan je familieleden hebben en niet verder gaan zoeken'. Het meisje knikt eventjes ten teken dat zij hem begrepen heeft. Dan begint zij weer te trillen van de kou. Krkt pakt de andere huiden die er liggen. Hij kruipt tegen het meisje aan en trekt de huiden zoveel mogelijk over hen heen. Langzaam wordt het trillen minder en valt het meisje in slaap. Met het mes stevig in zijn handen geklemd luistert Krkt naar de geluiden van buiten. Hoort hoe de lichamen van de mensen door dieren verscheurd worden. Tegen de ochtend wordt het buiten stil en vallen ook zijn ogen van vermoeidheid dicht'.

De handen van Voorouder Eén vallen stil. Elm neemt een slok thee. 'Morgen vertel ik verder', zegt de kleine gestalte in het vuur. 'Tot dan'. De mensen rond het vuur zien hem verdwijnen.  In de wetenschap dat het verhaal de volgende dag verder gaat de een na de ander de grot in om te gaan slapen. Alleen Tork, de aangewezen eerste wacht, blijft buiten bij het vuur zitten.


130. Hulp uit onverwachte hoek

De volgende avond is Elm nog niet klaar met eten wanneer de kleine gestalte van Voorvader Eén al in het vuur verschijnt. Met een gezicht waar het ongeduld vanaf te lezen is wacht de schimmige gestalte tot Elm zijn kom leeg heeft en een slok van zijn thee genomen heeft. Dan gaan zijn handen verder met vertellen.

'Krkt slaapt nog maar net wanneer het meisje hem wakker schudt. Even weet hij niet waar hij is en schrikt van de aanraking van een ander mens. Dan weet hij het weer. Hij kijkt het meisje aan. Ziet haar handen bewegen maar het is te donker voor hem om te zien wat zij zegt. Het meisje duwt hem aan de kant en schuifelt, met een van pijn vertrokken gezicht, tussen de huiden uit richting de ingang van de grot. De scherpe geur die zijn neusgaten bereikt verteld hem dat zij haar ochtendbehoefte heeft gedaan. Krkt staat op en kijkt voorzichtig om de hoek van de grot of hij mens of dier ziet bewegen. Hij ziet niets maar hij weet dat dat weinig wil zeggen. Op zijn hoedde loopt hij de grot uit naar een paar struikjes die een stukje bij de ingang vandaan staan om zijn ochtendbehoefte te doen. Zijn aandacht wordt getrokken door het geluid van kabbelend water. Gespannen om zich heen kijkend leidt het geluid hem naar een kleine bron, gelegen in de ingang van een grot die nog kleiner is dan de grot met de voorraden. Naast de bron liggen wat stukjes uitgehold hout. Krkt laat zich op zijn knieën naast de bron vallen en begint gulzig te drinken. Pas wanneer zijn dorst gelest is bekijkt hij de kleine grot bij het licht van de opkomende zon eens goed. De ingang ligt aan de zijkant van de grot. De vloer van de grot is bedekt met mos en de muren zijn licht. Alleen op het verste punt is de muur wat donkerder. Nieuwsgierig loopt hij richting de donkere muur. Tot zijn vreugde blijkt er achter de kleine ingang een iets diepere grot te liggen. Eentje waar wind en water geen vrij spel hebben. Verheugd loopt hij naar de bron, pakt een van de stukjes hout, vult dit met water en loopt naar het meisje in de andere grot.

Het meisje ligt nog daar waar zij haar behoefte heeft gedaan. Krkt helpt haar in een zittende positie en laat haar wat drinken. Hij kijkt de grot rond en neemt een beslissing. 'Je weet van het bestaan van de grot met de bron', vraagt hij het meisje. Zij knikt even. 'Ik denk dat die beter geschikt is om te overwinteren', zegt Krkt. 'Ik ga jou en de voorraden daar naar toe brengen'. Weer knikt het meisje ten teken dat zij hem begrepen heeft. Zo voorzichtig mogelijk legt Krkt haar op een huid en trekt haar op die manier de grot uit, richting de iets hoger gelegen grot met de bron. Daarna zijn de voorraden en de huiden aan de beurt. Hij doet zijn best niet naar de lichamen voor de kleine grot te kijken.

Tegen de tijd dat de zon op haar hoogste punt staat is de verhuizing klaar. Krkt heeft net de moed bij elkaar geraapt om naar de lichamen te gaan kijken wanneer hij opgeschrikt wordt door het geluid van een tak die breekt. Hij duikt in de struiken en kijkt voorzichtig in de richtig waar het geluid vandaan komt. Tussen de bomen door ziet hij een gestalte aan komen lopen. Het blijkt de enorme man te zijn die de dag ervoor het lichaam van zijn tante aan het bestuderen was. De man is dit keer alleen. Zonder om zich heen te kijken loopt hij de heuvel af. Bij de verscheurde lichamen aangekomen stopt hij. De man kijkt om zich heen, steekt zijn neus in de lucht alsof hij iets ruikt. Weer blijft zijn blik lang op de ingang van de voorraadgrot rusten. Zich niet bewust van de ogen van Krkt die elke beweging nauwgezet in de gaten houdt legt de man de lichamen dichter bij elkaar. Zo af en toe pakt hij iets wat hij achter zich neer gooit. Vanuit zijn schuilplaats kan Krkt niet zien wat de man van de gestorven mensen afpakt. Als alle mensen op een hoop liggen loopt de man weg, de andere kant op, richting een aantal omgevallen bomen. Krkt overweegt de man met het grote mes van zijn vader aan te vallen maar schrikt wanneer de man schijnbaar zonder enige moeite een van de omgevallen bomen achter zich aan trekkend terug loopt naar de mensenhoop om even later de boom over de mensen heen te schuiven. De man verzameld wat takjes, een groot stuk schors en droge bladderen, pakt iets uit de hoop spullen die hij verzameld heeft en loopt iets bij de mensenhoop vandaan en laat alles vlak voor de ogen van Krkt tussen wat keien op de grond vallen. De man gaat op zijn knieën zitten. Goed zichtbaar voor Krkt maakt hij een kring van stenen, legt daar de droge schors tussen en daarop wat van de droge bladeren. Hij pakt een van de twee kleine stenen messen en begint vlak boven het schors een van de takjes af te schaven. Dan zet hij het kleine mes met de punt tussen het schaafsel en de droge bladderen in en tikt met het andere mes stevig tegen het eerste mes aan. Krkt ziet een klein lichtpuntje verschijnen. De man tikt weer, iets harder dit keer. Weer ziet Krkt het lichtpuntje. Iets groter en iets langer. De man laat de messen los, buigt zich voorover en blaast zachtjes tegen het lichtpuntje aan. Schuift wat schaafsel dichterbij. Blaas nogmaals en dan… Krkt's ogen worden groter. De man heeft vuur gemaakt. Niemand in zijn familie heeft ooit zelf vuur gemaakt.  Vuur komt en gaat, net de zon, de maan, regen, sneeuw. Soms wist Oom of zijn vader wat vuur te bewaren maar nooit voor lang. Vol ongeloof kijkt hij naar het vuurtje wat tussen de keien brandt. De man gooit er wat takjes op waardoor het vuur groter wordt. Hij pakt de grootste tak en houdt deze tegen de vlammetjes aan. De droge bladeren vatte vlam. De man wacht tot ook het hout van de tak brandt en dan staat hij op en met de brandende tak in zijn hand loopt hij terug naar de lichamen en duwt de brandende tak tegen de boomstam aan tot het schors vlam vat. Hij herhaalt zijn actie tot de boom aan alle kanten brandt en ook de eerste lichamen vlam vatten. Uit de buidel die aan een stuk leer wat om zijn middel is geknoopt pakt hij iets wat hij op de vlammen gooit. Het vuur wordt groter en groter.

Als de man tevreden is over het formaat van het vuur loopt hij terug naar het kleine vuurtje wat hij eerder heeft gemaakt. Weer haalt hij iets uit de buidel en legt dit naast het vuur op de stenen. Het is een gevilt konijn ziet Krekt. De man plukt wat lange grashalmen en begint deze in elkaar te vlechten. Hij blijft grashalmen toevoegen en voor de ogen van de verbaasde Krkt vlecht hij een lang koord waar hij een strik van maakt. De man legt de strik naast de stenen neer. Tot Krkt's grote schrik kijkt de man hem ineens door de struiken heen recht aan. De man legt een vinger tegen zijn lippen, wijst naar de zon, houdt twee vingers in de lucht en maakt het gebaar voor 'ver weg'.  Dan staat hij op, draait zich om en loopt zonder nog een keer om te kijken, langs de brandende lichamen heen, tussen de bomen door, over de heuvel heen.

Krkt staart hem de hele weg verbaasd en vol verwondering na. De jongen snapt er niets van. Een van de mannen die zijn familie en de familie van het onbekende meisje heeft uitgemoord heeft er voor gezorgd dat de dode lichamen geen wilde dieren meer aan kunnen trekken, hem geleerd hoe hij vuur en strikken moet maken en er voor gezorgd dat het meisje en hij vanavond voor het eerst in lange tijd weer iets warms in de buik hebben. En hij weet dat ze mannen over twee zonnen verder trekken. Zouden die andere mensen dan toch niet helemaal slecht zijn?'

Na deze gedachten van Krkt uitgesproken te hebben neemt Voorouder Eén met een zwaai afscheid van de dorpsbewoners. Die zijn zo mogelijk nog verbaasder dan de jongen Krkt over de wending die zijn avontuur heeft genomen.


131. Overwinteren

Het onverwachtse gedrag van de grote vreemdeling houdt de dorpelingen de hele dag bezig. Alleen de leden van de Vroegere Stam lijken het normaal te vinden. 's-avonds, tijdens de maaltijd, is het Urgh die aan K'wan vraagt hoe dat komt. 'Dat komt door jullie.  Marg die samen met Elm en de jagers voor ons ging zorgen, Durk die zijn best heeft gedaan om de vrouwen te ontzien, jij, de andere en jullie voorouders die bereidt waren en zijn ons als gelijke te zien'. De dorpelingen denken nog over zijn antwoord na wanneer Voorouder Eén in het vuur verschijnt. Zijn handen beginnen meteen te vertellen. 

'De eerste paar dagen na zijn bijna ontmoeting met de enorme man blijft Krkt in de buurt van de grot en houdt bij alles wat hij doet zijn ogen gericht op het topje van de heuvel. Hij is druk bezig met het verzamelen van stenen, brandhout, bladeren en grassen. Hij bouwt n de grot een ring van stenen, net zoals hij de man heeft zien doen.

Wanneer de zon ondergaat oefent hij met het vlechten van gras en het maken van vuur. Al schuivend op haar billen komt het meisje bij hem liggen. Zij blijkt een waar talent voor vlechten te hebben en al snel komen zij er achter dat samen vuur maken makkelijker is dan wanneer Krkt het alleen doet. Terwijl hij  vonken slaat blaast zij de vonken groter. Aan het eind van de tweede dag heeft het meisje meerdere strikken gemaakt.

Het meisje blijkt niet alleen handig met het vlechten van graskoorden en vuurblazen. Met behulp van een graskoord maakt zij een soort van bakje van een van de grote bladeren. Water halen gaat vanaf dat moment een stuk makkelijker dan met het kleine uitgeholde stukje hout. Het meisje gebruikt de bladerbakjes ook om eten in klaar te maken. Aan een met water gevuld blad voegt zij wat klein gesneden knollen en kruiden uit de gevonden voorraad toe en laat dit naast het vuur, aan de andere kant van de warme stenen, pruttelen. Krkt weet niet wat hem overkomt nu hij zijn tweede warme maaltijd in drie dagen tot zich neemt. 'Ik ben blij dat ik jou ontmoet heb', zegt hij tussen twee happen door tegen het meisje. Het meisje lacht verlegen. Dan zeggen haar handen 'Ik ben Mnaa en ik ben blij dat jij mij gevonden hebt'.

Bij het horen van de naam van het meisje richten alle ogen zich op M'na. Haar gezicht verraadt dat zij net zo verbaasd is over de naam van het meisje als de overige dorpsbewoners en zij haalt haar schouders op bij het zien van de vragende blikken die op haar gericht zijn.

Krkt wacht nog een dag en nacht om er zeker van te zijn dat de mannen echt weg zijn en trekt dan wat verder het kleine dal in om de strikken uit te zetten en om, op verzoek van Mnaa, knollen en kruiden te zoeken. 'Laat het groen er maar aanzitten', had het meisje gezegd. 'Van sommige knollen kan je dood gaan en het is vaak makkelijker aan het groen te zien of je ze kan eten dan aan de knol zelf'. Die dag komt hij zowaar met 10 eetbare knollen thuis. De volgende dag haalt hij het eerste konijn uit een strik. Het leven in het kleine dal is de twee kinderen gunstig gezind. Het weer daarentegen…

Na een viertal weken van leven in overvloed slaat het weer om. Het begint te regen en te waaien. Tegen de avond veranderd de regen in sneeuw. De volgende morgen is het dal bedekt met een dikke laag sneeuw. Naar knollen zoeken is geen optie meer. Wel loopt Krkt de strikken na. Eenmaal terug in de grot doet zijn hele lijf maar met name zijn blote voeten pijn van de kou.  De om zijn lichaam gebonden versleten dierenhuiden stellen meer huid bloot aan weer en wind dan hem lief is.  Hij is dankbaar voor en  blij met het kleine vuurtje wat Mnaa dag en nacht brandend houdt. Rillend van de kou kruipt hij naast het meisje onder de huiden om warm te worden. Zo af en toe wervelt er een windvlaag de kleine grot in en laat het vuur hoog opvlammen. Langzaam gaat de dag over in de nacht. De beide kinderen eten wat, stoken het vuur op en gaan slapen.

De volgende dag is de wind gaan liggen. Op aanwijzing van Mnaa legt hij oude en vies geworden huiden, waaronder hun eigen kleding, met de vacht naar beneden in de sneeuw om het vuil er uit te trekken. De overige huiden worden door Mnaa beoordeelt op kwaliteit en warmte. Zij legt een paar huiden met de vacht naar boven op de grond van de grot en vraagt Krkt daarop te gaan liggen. Met het grote mes van zijn vader maakt het meisje inkepingen in de huid. Dan bindt zij de huid met graskoorden en dunnen repen leer rond zijn lichaam. De vacht kriebelt op zijn lichaam maar hij voelt zijn rug en achterbenen warm worden. Eenmaal klaar met vastbinden legt het meisje nog twee huiden op de grond en herhaalt haar handelingen. Als laatste bindt zij een koord rond zijn middel. Dit koord knoopt zij minder stevig vast dan de overige koorden zodat hij de knoop los kan maken om bovenkant van zijn beenbedekking te laten zakken wanneer hij zich moet ontlasten.  Dan is het zijn beurt om het meisje van eenzelfde warme kledij te voorzien.
Alleen hun voeten zijn nog bloot, koud en nat, wanneer het meisje hem aangeeft dat hij de huiden weer terug de grot in mag halen. Krkt is verbaasd over de donkere vieze kleur die de sneeuw onder de huiden heeft aangenomen. Voorzichtig schuifelend rond het vuur legt Mnaa de goede huiden te drogen. De huiden die ooit als kleding dienst hebben gedaan worden eerst gevouwen en daarna pas  te drogen gelegd. Krkt vraagt haar wat zij met die huiden van plan is. 'Tegen koude voeten', antwoord het meisje simpel. Verbaasd kijkt Krkt haar aan. Tegen koude voeten? Bedoelt zij echt dat zij hun voeten met huid wil bedekken? Dat heeft hij nog nooit iemand zien doen. Voeten zijn gewoon altijd koud.

Wanneer de huiden eenmaal droog genoeg zijn blijkt wikkelt Mnaa een van de huiden die ooit als beenbedekking dienst hebben gedaan zo rond zijn voet dat deze helemaal door drie lagen vacht bedekt zijn. Met graskoorden bindt zij de zijn voetbedekking vast en wel zo dat zijn beenbedekking tussen twee lagen huid zitten. Dan is zijn andere voet aan de beurt en daarna doet hij hetzelfde voor Mnaa. 'Het voelt vreemd, die ingepakte voeten, maar het is wel lekker warm', denkt Krkt net voor hij 's-avonds in slaap valt.

De volgende ochtend is het nog steeds droog en windstil. Krkt maakt zich klaar om de in het dal uitgezette strikken te controleren en daar waar nodig te vernieuwen. Voordat hij weg kan gaan bindt Mnaa nog een vacht rond zijn hoofd.

Eenmaal buiten heeft de jongen geen last van de winterkou. Alleen het lopen is lastig doordat zich een laagje sneeuw onder zijn voeten ophoopt. Maar het gevoel van warme voeten vindt hij dusdanig prettig dat hij zich er nauwelijks aan stoort. Als hij dan ook nog twee gevulde strikken vindt is zijn dag helemaal goed en ziet hij de winter samen met Mnaa in het kleine dal vol vertrouwen tegemoet.

Na die woorden uitgesproken te hebben vallen de handen van Voorouder Eén stil. Met een dromerig blik in de ogen kijkt hij over de mensen heen, naar de heuvels in de verte. Langzaam vervaagt zijn gestalte, gaat in rook op. Met een blik op haar warme voetomhulsels is het Gaya de de stilte verbreekt. 'Ik geloof dat wij een heleboel aan die kleine, praktische Mnaa te danken hebben'.


132. Storm's bedenkingen

'Allemaal leuk en aardig', bromt Storm de volgende avond tijdens het eten, 'Maar waarom zitten wij elke dag te luisteren naar een verhaal over een kind dat niets weet en nog te laf is om zich te wreken op de moordenaars van zijn familie! Zeg mij wat wij van zijn verhaal kunnen leren?' Ontsteld wil zijn vader reageren maar het is Urgh die de vraag van de jongen beantwoord met een tegenvraag. 'Hoeveel kans heeft een kleine, uitgehongerde jongen, om zich te wreken op een goed doorvoede jager die bijna tweemaal zo groot is? Hoeveel kans heeft een kind met een gebroken been om zonder hulp te overleven? Hoewel ik net als jij niet weet waar het verhaal van Krkt en Mnaa toe leid weet ik een ding wel. Beide kinderen zijn bereid om te leren van anderen, beschikken over het vermogen om veranderingen te accepteren maar bovenal… Beide kinderen denken na over hoe dingen te doen. Dat laatste, nadenken, zou jou ook niet misstaan'. Storm smijt zijn kom eten op de grond en maakt aanstalten om op te staan maar zijn vader houdt hem tegen. 'Zit Storm. Zit, luister en leer… En stop met praten voordat je ergens over nagedacht hebt'. Met een nors gezicht laat de jongen zich terug op de grond vallen en ziet met de rest van het dorp hoe de gestalte van Voorouder Eén in het vuur verschijnt. Het verhaal gaat verder…. 

Dankzij zijn warme kledij kan de jongen bijna dagelijks naar buiten om de strikken te controleren en tot zijn vreugde vindt hij met enige regelmaat gestrikte konijnen. De kinderen eten er goed van. Een volle maan later is het been van Mnaa genezen. Hoewel zij nog wel een beetje mank loopt doet haar been geen pijn meer en gaat zij dagelijks met Krkt mee wanneer hij de strikken controleert. Met haar scherpe ogen ziet het meisje sneller dan Krkt waar de ingangen zijn van de ondergrondse konijnenholen en op haar aanwijzing plaats Krkt de strikken dichter bij zo'n ingang.

De winter gaat over in de lente. Door de warme stralen van de zon smelt de sneeuw weg en verschijnt er her en der fris lentegroen. Met hun rug tegen de muur zitten de kinderen te genieten van de middagzon. Krkt stoot Mnaa aan. Zij richt haar blik op hem en zijn handen stellen vraag: 'We moeten gaan bedenken wat we gaan doen nu de winter weggaat en het zomer wordt. Blijven we hier, gaan we op zoek naar onze verdwenen familieleden of zoeken we een nieuwe familie?'.  Het is niet de eerste keer dat Krkt de vraag stelt. Het is wel de eerste keer dat Mnaa de vraag beantwoord. 'Ik zou het liefst hier willen blijven of anders op zoek gaan naar een nieuwe familie'.  Krkt kijkt haar verbaasd aan. 'Je wilt je oude familie niet zoeken?'. 'Jawel', is het simpele antwoord. 'Alleen denk ik niet dat wij ze ooit vinden en daarbij, wat kunnen wij kinderen uitrichten tegen de mannen die hen meegenomen hebben. Die ene man heeft ons dan wel geholpen, maar wie zegt dat hij dat weer doet wanneer zijn familie er bij is. Nee, als we onze familie terug willen vinden, hebben we hulp nodig. Dus een nieuwe familie. Een nieuwe familie die bereidt is ons te helpen'.  Krkt's handen zeggen niets, zijn gezicht zegt des te meer. Aan de mogelijkheid dat de vreemde man hen niet zou helpen wanneer Mnaa en hij hun familieleden komen bevrijden heeft hij niet gedacht. Mnaa's bedenkingen dat een nieuwe familie hen wellicht niet wil helpen om hun oude terug te vinden schuift hij aan de kant. Familie helpt elkaar altijd is zijn ervaring.

'Misschien heb je gelijk over de man', zegt hij uiteindelijk. 'Maar ik blijf hier niet. Ik ga op zoek naar andere mensen. Naar een familie die ons kan helpen. Mij kan helpen, wanneer jij niet meekomt'. Mnaa ziet het niet zitten om alleen in het kleine dal achter te blijven en zo komt het dat de twee kinderen een tiental nachten later hun bezittingen in de door Mnaa gevlochten rugmanden stoppen, elk een mand op hun rug slingeren en aan de zoektocht naar een nieuwe familie beginnen. Samen lopen ze tussen de bomen door naar de heuvelrug waarover de vreemde mannen en hun familie aan het eind van de herfst is verdwenen. Boven op de heuvelrug ligt een van stenen gemaakte pijl die hen verteld welke kant de vreemde mannen hebben genomen. Vastbesloten hen voorlopig niet tegen het lijf te lopen volgen de kinderen niet de route van de pijl maar draaien een kwartslag. Met de opkomende zon aan hun linkerkant beginnen de kinderen aan hun reis.

De handen van Voorouder Eén vallen even stil. Hij wendt zich tot Storm en zegt, 'Dit is het voor vandaag. Zoals je hebt kunnen horen ben jij niet de enigste kleine jongen die wel eens vergeet na te denken. Gelukkig heb jij een familie om je daarbij te helpen'. Hij geeft Storm een knipoog en dan gaat zijn kleine gestalte in rook op, Storm verbaasd maar vooral nadenkend achterlatend. 


133. Nieuwe familie

De volgende dag is een echte herfstdag vol van regen en harde wind. Iedereen die buiten niets te zoeken heeft, heeft zich rond het grote vuur in de grot verschanst. Vele handen maken zwaar werk licht waardoor Ani, Pon en Rin eerder dan normaal klaar zijn met het bereiden van de avondmaaltijd. Zo komt het dat, wanneer Voorouder Eén in het vuur verschijnt, iedereen er al klaar voor zit. Met een kort knikje naar Elm beginnen zijn handen te praten.

Zonder op of om te kijken, met zijn ogen strak op de horizon gericht, houdt Krkt er, net als tijdens zijn tocht alleen, een stevig wandeltempo in. Aan het begin van de tocht kijkt Mnaa nog om zich heen op zoek naar eetbare planten, maar al snel moet zij alle zeilen bijzetten om Krkt bij te kunnen houden. De zon is al onder wanneer Krkt zich naast wat struiken op de grond laat vallen. Uitgeput volgt Mnaa zijn voorbeeld. Zij ziet dat Krkt met zijn handen wappert, maar het is te donker om te zien wat hij zegt. Het meisje pakt wat een wortel uit haar rugmand, breekt die in tweeën en geeft Krkt een stuk. Langzaam kauwen de kinderen op hun stuk van de wortel. Het is te donker om te zien onder wat voor struik ze liggen, dus bladeren plukken om op te eten durven ze niet. Dan kruipen ze dicht tegen elkaar aan voor wat warmte en vallen al snel in slaap.

De volgende morgen, bij het licht van de opkomende zon zien de kinderen dat zij naast een aantal bramenstruiken hebben geslapen en doen zich tegoed aan de eerste jonge blaadjes. Mnaa ziet wat wortelgroen onder een vlakbij gelegen boom staan en loopt die kant op. Krkt ziet dat zij meer dan anders met haar been trekt. Als het meisje met de wortels terugkomt vraagt hij of ze pijn heeft. 'Nu niet zo erg', is haar antwoord. 'Gisteren wel. Je loopt te hard voor mij. Te lang ook. Oom stopte altijd wanneer de zon op het hoogste punt stond. Of iets eerder wanneer we langs een plekje met water liepen. En voor het donker werd, werd er naar een beschutte slaapplek gekeken'. Aarzelend vraagt zij: 'Deed jouw Oom dat nooit?' 'Oom wel', is het korte antwoord. 'Ik niet. Ik wilde mijn familie vinden. Nu willen we mensen vinden. Toch?'. 'Ja, natuurlijk willen we mensen vinden. Een nieuwe familie. Maar we moeten ook eten. En  als we naar eten zoeken, kunnen we ook sporen van mensen vinden. En van wilde dieren. Als we alleen maar hard doorlopen… '. Het meisje schudt haar hoofd en onderdrukt een rilling. 'Dadelijk lopen we een wild dier tegen het lijf. Eentje die ons dood en opeet. Dan vinden we nooit een nieuwe familie'. Krkt knikt even maar zegt niets. Hij slingert zijn draagmand over zijn schouders en begint te lopen. Langzaam. Zo langzaam dat Mnaa alle tijd heeft om haar mand te pakken en hem in te halen. Dan voert Krkt het tempo wat op. Maar niet teveel, zodat Mnaa hem makkelijk kan bijhouden.

Dit keer lopen zij niet achter elkaar, maar naast elkaar. Beide kijken speurend rond. Krkt naar sporen van mens en dier, Mnaa naar eetbare bladeren en knollen. Wanneer Krkt sporen van grote wilde dieren ziet, lopen ze een andere kant op. Aan het eind van de middag gaan ze op zoek naar een beschutte plek om te overnachten. Liefst met water in de buurt. Hoewel Krkt blij is met zijn volle buik en veilige plek om te slapen vindt hij hun tempo te laag, de afstand die ze dagelijks afleggen te klein. Maar Mnaa houdt vast aan op tijd rusten en op tijd een beschutte slaapplek zoeken. Het verschil in wensen zorgt voor spanning tussen de twee kinderen.

Spanningen die op een regenachtige dag, een maand na vertrek uit het kleine dal, hoog oplopen. Mnaa heeft het al de hele dag koud en krampen in haar buik. Haar been doet pijn en het lopen door de regen valt haar zwaar. Wanneer zij, niet lang na de eerste rustpauze op een beschutte plek tussen de bomen en half verscholen achter een struik een kleine grot ontdekt, en voorstelt om daar het kamp voor de nacht op te slaan wordt Krkt boos. 'Ik heb er genoeg van', zeggen zijn handen. 'Jij wilt geen nieuwe familie. Blijf maar fijn hier. Ik ga alleen verder'. Meteen draait hij zich om en loopt weg, het meisje verslagen achterlatend. Even lijkt het er op dat zij hem achterna wil lopen maar een hevige kramp in haar buik houdt haar tegen. Zij zet haar mand neer, pakt een paar strikken en zet die uit in de omgeving van de grot. Op de weg terug raapt zij wat brandhout op en gaat de grot in. In de grot zelf liggen stenen genoeg om een kleine vuurring te maken. Dan realiseert zij zich pas dat Krkt de messen om vuur mee te maken in zijn rugmand heeft. Verslagen zakt zij op de grond ineen. Een rilling gaat door haar lijf heen en de kramp wordt heviger. 'Plassen', denkt ze. 'Ik moet plassen'. Ze kruipt naar de struik bij de ingang, maakt haar kleding los en plast. Tot haar grote schrik is haar plas rood. 'Ik bloed!', denkt zij in paniek. 'Ik ben gewond. Maar hoe…?'. De kramp neemt toe, wordt heviger en heviger. Dan zakt het meisje bewusteloos in elkaar.

'Je bent een lafaard', denkt Krkt tegen zichzelf. 'Je kan Mnaa niet alleen achter laten', vervolgt hij. 'Ik wil een nieuwe familie zoeken', antwoordt hij zichzelf. 'Mnaa is je nieuwe familie', denkt hij tegen zichzelf, 'Jij hebt je  familie achtergelaten'. Krkt wil ontkennen maar diep van binnen weet hij dat hij gelijk heeft. 'Ze houdt mij op', reageert hij dan. 'In elke familie is het normaal dat het familielid wat het tempo niet bij kan houden achterblijft. Om te sterven'. Hij schrikt van zijn eigen gedachten. Sterven? Hoe komt hij er bij. Mnaa is jong, kan jagen, is een goede voedselzoekster. Dus waarom zou zij sterven. Waarom denkt hij dat het meisje gaat sterven. 'Ze is de hele dag al ziek', weet hij. 'Daarom wilde zij op tijd stoppen. Omdat ze ziek is. Ze heeft een vuur nodig'. 'Mnaa weet hoe ze vuur moet maken', probeert hij zijn eigen gedachten te sussen. 'Jij hebt de messen', denkt hij tegen zichzelf. Van schrik blijft hij stilstaan. Hij heeft de vuurmessen. De regen valt ondertussen met bakken uit de lucht. 'Ik heb de vuurmessen', denkt hij, 'En Mnaa is ziek'. Hij draait zich om en begint te rennen, terug naar de plek waar hij Mnaa achter heeft gelaten. De rugmand danst op zijn rug.

Mnaa slaat haar ogen open en ziet de vlammen van een klein vuurtje dansen en ruikt de geur van gebraden konijn. Gelegen op en onder een vacht heeft zij het voor het eerst die dag niet koud. Haar buik doet nog steeds pijn. Ze voelt een prop van iets zachts tussen haar benen. Zij richt zich op. Steunend op haar elleboog kijkt zij zoekende de grot rond. Wie? Haar ogen zien Krkt die bij het vuur zit. 'Wil je wat eten?', vragen zijn handen. 'Ik ben gewond', geeft zij als antwoord. 'De jongen schudt zijn hoofd. 'Nee Mnaa, jij bent niet gewond. Je bent alleen geen meisje meer. Je bent nu een vrouw!'.  Mnaa kijkt de jongen voor haar verbluft aan. 'Vrouw? Dan ben ik niet gewond? Heb ik mijn maanstonde?' 'Ik denk het wel', antwoord Krkt. 'Maar… maar… Jij was weg'. 'Ja', antwoord hij. 'Ik was op zoek naar een nieuwe familie. Pas toen ik bij jou weg was drong het tot mij door dat ik al een nieuwe familie gevonden heb. Jij Mnaa. Jij bent mijn nieuwe familie. Daarom ben ik teruggekomen. Om bij mijn familie te zijn'. Verbaasd maar blij laat het meisje, nee de vrouw, zich terug op de vacht vallen. Trekt de tweede vacht over zich heen. 'Ik heb familie', denkt zij blij. 'Krekt is mijn familie. Wij samen zijn familie!'.

Voorouder Eén laat zijn handen langs zijn zij zakken en kijkt naar de mensen die voor hem bij het vuur zitten. Zijn blik blijft het langst op K'wan en M'na rusten. Dan gaat hij in rook op, de dorpsbewoners in stilte achterlatend. 


134. Wil je mij dat leren?

Er volgen een aantal regenachtige dagen. Dagen die maken dat de dorpsbewoners nauwelijks de grot uitgaan. Dagen waarop een bezoek van Voorouder Eén meer dan welkom zou zijn om het vervolg van het verhaal over Krkt en Mnaa te horen. Maar Voorouder Eén schittert door afwezigheid. 'Hebben wij iets verkeerds gezegd', vraagt Marg verontrust aan K'wan. De kleine man haalt zijn schouders op. Hij begrijpt ook niet waarom Voorouder Eén zich niet meer laat zien. 

Na een paar dagen stopt het gelukkig met regenen. De koude in de ochtendlucht en het korten van de dagen kondigt de winter aan. Een waterig zonnetje doet haar best om de temperatuur nog enigszins aangenaam te maken. De dorpsbewoners maken gebruik van de weeromslag om de voorraden aan te vullen. De jagers gaan nog eenmaal op stap om een paar oude en nog steeds vette herten buit te maken. De vrouwen  gaan op zoek naar het laatste fruit, de eerste knollen, groenteloof en, geïnspireerd door het verhaal van Krkt en Mnaa, eetbare bladeren. Met al die bramen en frambozenstruiken rond de grot zijn die makkelijk en in grote hoeveelheden te vinden. Dan, een dikke twee weken na zijn laatste bezoek, verschijnt eindelijk de kleine gestalte van Voorouder Eén weer in het vuur. Alsof hij geen halve maan is weggebleven hervat hij zijn verhaal.

Nu Krkt eindelijk door heeft wat Mnaa al die tijd al wist, dat hij en zij elkaars nieuwe familie zijn, is zijn drang om elke dag een zo groot mogelijke afstand af te leggen om zo de kans op een ontmoeting met andere mensen, een mogelijke nieuwe familie, te vergroten helemaal verdwenen. In een rustiger tempo vervolgen de twee jonge mensen na een paar dagen hun tocht.  Wanneer de zon net over haar hoogtepunt is gaan zij al uitkijken naar een kampplaats. Op plekken waar veel te eten te vinden is blijven zij een paar dagen, soms wel langer. De lente gaat over in de zomer, de zomer verandert in de herfst en dan staat de winter al weer voor de deur en wordt het tijd om een plekje te vinden waar zij warm en veilig kunnen overwinteren.

De keus valt op een kleine grot gelegen in een ondiep dal, bezaaid met eikenbomen, waar een klein, smal stroompje doorheen stroomt. De hoeveelheid dierlijke uitwerpselen in de buurt van het stroompje verteld hen dat er veel klein tot middelgroot wild in het dal verblijft. Nu hun overwinteringsplek is gekozen gaan Krkt en Mnaa aan de slag om een flinke wintervoorraad voedsel aan te leggen. Aan het eind van de eerste dag brengt Krkt meerdere konijnen, een fazant en een eekhoorn mee naar de grot. Ook Mnaa heeft niet stilgezeten ziet hij aan de grote hoeveelheid knollen, bladeren en eikels achter in de grot. Die avond, wanneer zij genieten van een overvloedige warme maaltijd horen zij geknor van wilde zwijnen uit het dal komen. 'Zwijnenvlees is lekker', zegt Mnaa dromerig. 'Zwijnen zijn niet makkelijk te vangen', reageert Krkt. 'Zwijnen zijn gevaarlijk door hun slagtanden  en dikke huid en daardoor bijna niet te vangen'. 'Ik weet het', antwoord Mnaa. 'Maar toch is het lekker'.

Drie dagen later is het Mnaa die al eikels rapend aan het einde van de dag een groepje wilde zwijnen tegen het lijf loopt. Van achter de boom waar zij zich verstopt heeft bekijkt ze de dieren die zich rustig te goed doen aan de overvloed van eikels. Zelfs de kleinste exemplaren zijn groot al stellen hun slagtanden nog niet veel voor. Bij het idee van geroosterd zwijnenvlees loopt het water haar in de mond maar het vooruitzicht om op een van de dieren af te springen met haar mes trekt haar niet. Daarvoor zijn er te veel wel van grote slagtanden voorziene exemplaren in de buurt.  Als een van die kleinere exemplaren nou alleen zou zijn, dan wist Mnaa het wel. Als de zwijnen hun buik vol  hebben gegeten en nog wat uit het stroompje hebben gedronken lopen zij, nagekeken door Mnaa, al  uitwaaierend langs het stroompje het kleine ondiepe dal uit.

Aan het eind van de volgende dag hebben beide jonge mensen zich in de grote eik verschanst. Samen kijken zij neer op de met hun neus en slagtanden in de grond wroetende zwijnen. Zien hoe zij eten, drinken. Zien hoe zij uitwaaierend langs het stroompje het kleine dal achter zich laten. Zien hoe een van de kleinere beesten struikelt en even klagelijk knorrend blijft liggen. Zien hoe de andere dieren gewoon doorlopen. Zien hoe het zwijntje opstaat en achter de andere dieren aan rent. 'Daar kunnen wij iets mee', seint Mnaa. Krkt haalt zijn schouders op. 'Ik weet het niet', antwoord hij. 'Om zo'n beest te doden zal je heel dicht in de buurt moeten komen. Die slagtanden zijn niet groot maar zien er wel scherp uit en als het beest harder gaat knorren komen die andere misschien wel terug'. 'Wat', zegt Mnaa met een peinzende uitdrukking op haar gezicht, 'Als je niet zo dicht in de buurt hoefde te komen om hem te doden?'. 'Je bedoelt met stenen of zo?', reageert Krkt. 'Ik weet het niet. Je raakt zo'n beest niet zomaar. En daarbij is de huid van een wild zwijn volgens mij  zo dik dat je echt wel een mes nodig hebt. Nee Mnaa, hoe lekker zwijnenvlees ook is, tenzij een van die beesten uit zichzelf dood neervalt, zullen wij er niet van eten'.

Voor Krkt mag het onderwerp zwijnenvlees hiermee gesloten zijn, voor Mnaa niet. De jonge vrouw blijft haar hersens kraken om iets te bedenken waarmee zij een wild zwijn zou kunnen vangen. Tijdens het voedsel zoeken begint zij te oefenen met het gooien van stenen. Eerst naar dikke bomen. Wanneer zij die altijd raakt verlegt zij haar aandacht naar dunne bomen en takken. Dan, aan het einde van een middag, zit zij een konijn zitten. Zorgvuldig richtend gooit zij een steen naar het konijn. Het beestje valt tegen de grond. Snel raapt zij het konijn op en neemt het mee naar de grot. 'Uit welke strik heb jij dat konijn gehaald?', vraagt Krkt. 'Hij heeft bloed aan zijn kop'. 'Geen strik', antwoord Mnaa. 'Ik hen hem geveld met een steenworp'. Verbaasd kijkt de jongeman naar de wond aan het konijnenkopje. 'Toeval', zegt hij dan. 'Ik heb geoefend', zegt Mnaa. 'Ik kan nu alles raken wat ik wil raken. Morgen ga ik een wild zwijn vangen'. 'Misschien dat je alles kunt raken', zegt Krkt met een gezicht vol ongeloof, 'Maar een zwijn is wel wat anders dan een konijn'. 'Toch ga ik dat doen', antwoord Mnaa koppig.  'Let maar op'.

De volgende dag moet Mnaa tot haar chagrijn Krkt gelijk geven want hoewel zij een van de kleinere dieren met meerdere stenen weet te raken loopt het beestje gewoon achter de rest van de familie aan het dal uit. Zij wapent zich al tegen de opmerkingen van Krkt over haar falen maar tot haar verbazing zegt hij daar niets over. In tegendeel zelfs. 'Jij kan echt goed met stenen gooien. Wil je mij dat ook leren?', is wat hij zegt. 'En ik geloof dat ik een idee heb hoe wij een wild zwijn kunnen vangen…'.

Met een grote grijns op zijn gezicht laat de Voorouder Eén zijn armen langs zijn lichaam zakken terwijl zijn lichaam in rook opgaat. 


135. Oefenen

Nog steeds grijnzend, of alweer grijnzend (wie zal het zeggen), verschijnt Voorouder Eén de volgende avond vroeger dan normaal in het vuur. De dorpsbewoners kijken hem verwachtingsvol aan. Zullen zij vanavond horen wat het plan van Krkt is?

De volgende morgen start Mnaa haar steengooi les met het samen zoeken naar stenen. 'De vorm maakt niet zo veel uit', zeggen haar handen, 'Alleen te grillig, te veel verschillende diktes in een steen, dat werkt niet. Verder moet de steen lekker in je hand liggen'. Zij raapt een steen op, voelt even en geeft de steen dan aan Krkt. 'Dit is een goed steen', zegt zij. Krkt speelt met de steen in zijn handen, gooit hem omhoog, vangt hem op en voelt wat Mnaa bedoelt al vindt hij de steen wat licht. Hij geeft de steen terug en gaat op zoek naar stenen die voor hem goed voelen. Wanneer zij beide een stapeltje stenen voor zich hebben liggen begint Mnaa met de les stenen raak gooien. Dat blijkt lastiger te zijn dan zij had gedacht. Mnaa krijgt de woorden om uit te leggen hoe zij zo trefzeker gooit niet gevonden. 'Ik snap er niets van. Doe het eens voor', zegt Krkt. Mnaa knikt gedwee, pakt een steen, weegt die even op haar hand, haalt diep adem, richt haar blik op de boomtak die als doel dienst doet, zwaait haar arm krachtig naar achter, dan naar voren en gooit de steen zo hard zij kan. Met haar ogen volgt zij de steen en ziet en hoort hoe de steen met een doffe klap tegen de tak aan knalt. Krkt volgt haar voorbeeld. De steen vliegt met een grote boog tussen de takken door. 'Je laat te vroeg los', zegt Mnaa. Krkt gooit nog een steen. Deze land iets voor de tak op de grond. 'Nu was je te laat', zegt Mnaa. 'Hoe weet ik wanneer ik los moet laten?', vragen zijn handen. 'Hoe weet jij wanneer je los moet laten?'. 'Oefenen', antwoord Mnaa simpel. 'Kijken, gooien, voelen en met je ogen en in gedachten de steen volgen. Weten waar hij gaat raken. Ik heb zo veel stenen gegooid dat ik nu weet, voel, hoeveel kracht ik moet gebruiken en wanneer ik los moet laten om iets te raken'. Ze lacht even schaapachtig. 'Ik ben bang dat ik je dit niet kan leren. Ik weet eigenlijk zelf niet precies wat ik doe. Ik voel. Maar de vorm van de steen is belangrijk. Het gevoel bij de steen ook'. Met een gezicht waarop staat te lezen 'Wat heb ik nu aan jou?' gooit Krkt de volgende steen. En nog een, en nog een. Wanneer het stapeltje stenen bij zijn voeten is verdwenen heeft hij de tak nog steeds niet geraakt. Hij voelt de hand van Mnaa op zijn arm. 'Jij laat de steen los zonder te kijken', zeggen haar handen. 'Als je de steen loslaat moet je kijken waar de steen naar toe gaat. Dan weet je, en kan je het gevoel krijgen, wanneer je de steen wel los moet laten. Bovendien gooi je te hard. Dat komt later wel. Als je het gevoel hebt. En ik zou de boomstam als doel nemen, niet de tak'. Krkt kijkt haar even aan maar doet er even het zwijgen toe. Dan zeggen zijn handen 'Ik ga stenen zoeken'. Mnaa knikt. 'Ik ga de strikken controleren. Ik zie straks wel hoe het gaat', antwoord zij en loopt weg.

Aan het eind van de middag, als zij de strikken heeft geleegd, de gevonden dieren heeft gevild en naast het vuur te drogen heeft gelegd zoekt zij Krkt weer op. Eenmaal in de buurt hoort zij een aantal korte doffe klappen vlak achter elkaar die haar vertellen dat het hem ondertussen gelukt is om de stam keer op keer te raken. Dan is het stil en hoort zij hem door de struiken bewegen. Op de open plek aangekomen ziet zij hoe Krkt stenen aan het zoeken is. Als hij haar ziet staan grijnst hij breed. 'Precies op tijd', zeggen zijn handen wanneer hij de gevonden stenen op een hoopje voor haar voeten laat vallen. 'Het gaat al een stuk beter dan vanmorgen', zeggen zijn handen. 'Ik wilde net de tak als doel gaan nemen'. Onder toeziend oog van Mnaa verlegd Krkt zijn aandacht van de stam naar de tak en na een paar vergeefse pogingen lukt het hem om ook dat doel vaker wel dan niet te raken. Als de zon achter de bomen verdwijnt lopen zij samen terug naar de grot.

Na het eten, wanneer zij zich klaarmaken om te gaan slapen vraagt Mnaa ineens: 'Wat is het plan waar je het gisteren over had Krkt?'. De jongeman lacht en antwoord: 'Ik wil mijn idee, de basis van het plan, eerste uitproberen. Maar daarvoor moet ik nog beter leren stenen leren gooien. Dat is nodig voor mijn plan'.  Hij dempt het vuur waardoor het te donker wordt om verder te praten en kruipt tussen de slaaphuiden tot hij naast Mnaa ligt. Al snel verraad hun rustige ademhaling dat zij beide in slaap gevallen zijn.

Voorouder Eén doet er na zijn laatste zin even het zwijgen toe. 'Morgen vertel ik jullie over het plan van Krkt', zegt hij dan. 'Voor jullie zal dat plan niet zo bijzonder zijn, maar voor Krkt en Mnaa….'. Hij lacht even en gaat, voordat de dorpsbewoners hem iets kunnen vragen, in rook op. 'Ik hoop', zegt Tork, 'Dat wij voor de winterwende-viering weten waar dit verhaal naar toe gaat want man man man, wat weet Voorouder Eén een verhaal te rekken'.  Urgh grinnikt even om de woorden van Tork maar geeft geen antwoord. Omdat hij het antwoord niet weet. 


136. Tork krijgt een antwoord

Ondanks de wat sceptische opmerkingen van Tork wacht ook hij de volgende avond vol spanning op de komst van Voorouder Eén. De oude man laat hen niet lang wachten. Elm is nog niet eens klaar met eten als Voorouder Eén in het vuur verschijnt. Hij richt zijn eerste woorden tot Tork. 'Misschien zou ik het verhaal wel sneller kunnen vertellen', zeggen zijn handen, 'Maar dan had ik heel veel details weg moeten laten'. 'Zoals?', vragen de handen van Tork. 'Eigenlijk alles', antwoord de oude man simpel. 'Wat Krkt en Mnaa hebben gedaan is zeker voor jullie, die net als deze twee jonge mensen  in één leven heel veel veranderingen door hebben gevoerd, mee hebben gemaakt, heel normaal. Hoewel jullie kleding niet lijkt op hetgeen Mnaa bedacht heeft, komt het idee van jullie kleding wel bij haar vandaan. Net als het plaatsen van kommen naast het vuur om eten in te bereiden of het jagen met stenen. Ook Krkts ideeën hebben er voor gezorgd dat Urgh samen met jullie dit dorp heeft kunnen stichten. Om dat te zien, moeten jullie eerst weten waar deze twee mensen vandaan komen. Snap je dat Tork?' Tork kijkt de oude man even weifelend aan. 'Maar als zij het niet hadden bedacht', zegt hij dan, 'Was er toch wel iemand anders gekomen?'. De oude man  glimlacht even. 'Misschien wel Tork.  En misschien ook niet'. Voorouder Eén kijkt om zich heen tot zijn blik op C'roo en K'nd blijft rusten. 'De menssoort die er voor gezorgd heeft dat Krkt en Mnaa elkaar leerde kennen, die er voor gezorgd hebben dat zij die koude winter hebben overleefd, die menssoort bestaat al heel lang niet meer. Ja, er lopen nog nakomelingen van deze menssoort op de aardbodem rond, net zoals door C'roo en K'nd de Vroegere Stam voort zal blijven bestaan, maar als menssoort is de Vroegere Stam zo goed als verdwenen. De voorouders van jullie Stam hebben heel lang geleden veel geleerd van de nakomelingen van Krkt en Mnaa. Net zoals jullie nu nog leren van K'wan en M'na en K'wan en de andere veel leren van jullie. Maar lang niet alle leden van de Vroegere Stam hadden het vermogen om te leren. Zonder Krkt en Mnaa en de omstandigheden die hen bij elkaar hebben gebracht, was de Vroegere Stam ongeveer gelijk uitgestorven met die andere menssoort. Dan was er niemand geweest om van te leren. Dan had jullie stam alles zelf moeten bedenken. En jullie weten, mensen die nieuwe dingen kunnen bedenken, mensen anderen nieuwe dingen kunnen leren, die zijn er niet veel. Net zo min als er veel mensen zijn die nieuwe dingen willen leren. Nieuwe dingen accepteren. Mensen willen vaak dat het leven blijft zoals het was. Mensen houden graag vast aan tradities. Urgh is een bedenker. Jullie zijn bereid te leren. Die combinatie heb je nodig. De meeste bedenkers leven niet lang omdat de meeste mensen bang zijn voor vernieuwingen'. Tork knikt. 

'Je hebt gelijk Oude Man', zegt hij dan eerlijk. 'Ook ik was vroeger bang voor verandering. Ik vond de ideeën van Urgh eng. Als het aan mij had gelegen was Urgh er niet meer ..'. Even valt hij stil. Vervolgt dan in verwondering, '… En wij ook niet meer. Of de meeste van ons niet meer. Dan hadden wij de ziekte en het schudden van de aarde ook niet met zo velen overleefd. Door die twee dingen ben ik beter naar Urgh gaan luisteren. Ben ik gaan nadenken over zijn woorden. Wijs ik zijn vindingen niet meteen meer af. Probeer ze. Dat wij hier elke dag met een warm lijf en een volle buik rondom het vuur kunnen zitten komt door de ideeën van Urgh en de andere dorpsbewoners die zelf durven te denken en te doen in plaats van zich achter een traditie te verschuilen. Je hebt gelijk. Het hele verhaal is belangrijk voor het verkrijgen van inzicht. Het spijt mij dat ik je er van beschuldigd hebt dat je verhaal te traag is.  De avonden zijn lang, de winterzonnewende nog ver weg en pas na de lentezonnewende gaan wij weer op langere jachttochten en hebben dan geen tijd om naar je verhaal te luisteren. Ik wil graag de rest van het verhaal van Krkt en Mnaa horen. In jouw tempo!' Stampend met hun voeten en luid joelend zetten de overige dorpsbewoners zijn woorden kracht bij.  De oude man in het vuur lacht verlegen, buigt al draaiende in het vuur naar de vier windrichtingen, alvorens het woord te nemen. 'Dan is het nu tijd geworden om jullie te vertellen over het plan van Krkt', beginnen zijn handen te vertellen. Elm's stem herhalen zijn woorden. Langzaam keert de rust rondom het vuur terug en hangen de dorpsbewoners weer aan de handen van Voorouder Eén en de lippen van Elm.


137. Samen jagen

De oude man in het vuur lacht verlegen, buigt al draaiende in het vuur naar de vier windrichtingen, alvorens het woord te nemen. ‘Dan is het nu tijd geworden om jullie te vertellen over het plan van Krkt’, beginnen zijn handen te vertellen. Elm’s stem herhalen zijn woorden. Langzaam keert de rust rondom het vuur terug en hangen de dorpsbewoners weer aan de handen van Voorouder Eén en de lippen van Elm.

De volgende ochtend haalt Krkt eerst water, maakt de strikken leeg, zoekt wat knollen en dan gaat hij naar de oefenboom. Oefening baart kunst en aan het einde van de dag, op zijn weg terug naar de grot, lukt het hem om een konijn te raken met zijn steen. Met het dode beest in zijn handen loopt hij de grot binnen. Mnaa kijkt naar het dode dier, laat de platte stok die zij gebruikt om door de stoofpot te roeren los. 'Dan heb je nu genoeg geoefend', zeggen haar handen. 'Vertel me je plan'. Krkt denkt even na. 'Mijn plan is..', begint hij om dan zijn handen te laten zakken. 'Het is een dom plan', vervolgt hij.'Een gevaarlijk plan. Ik moet hier langer over nadenken'. Mnaa laat de platte stok wederom los. 'Vertel me je plan', herhaalt zij. 'Misschien  kan ik mee bedenken hoe het minder gevaarlijk en dom kan worden'. Even aarzelt Krkt nog, bang dat de jonge vrouw hem uit zal lachen. 'Mijn plan is…'. Weer stoppen zijn handen met praten. 'Mijn plan is om samen te jagen'. Mnaa kijkt hem verbaasd aan. 'Dat is toch niets nieuws? De jagers jagen altijd samen'. Krkt knikt. 'Klopt. De jagers jagen samen, maar nooit op hetzelfde dier. Ik had gedacht dat wij samen op hetzelfde dier kunnen jagen, samen kunnen werken, zodat we grotere dieren kunnen doden'. 'Hoe?', vraagt Mnaa nieuwsgierig, 'Kunnen wij samen jagen en wat is er gevaarlijk aan?'. 'Nou, als een van ons door stenen te gooien een wildzwijn van de groep kan afzonderen en richting de ander kan laten rennen, dan kan de ander het beest met een mes doden. Maar zowel het stenen gooien als een wildzwijn zo dicht bij laten komen dat je het met een mes kunt doden is gevaarlijk'. 'Je zou een langer mes moeten hebben', reageert Mnaa peinzend. 'Zodat het wildzwijn je niet kan raken met zijn slagtanden'. 'ja, maar zulke lange steenknollen heb ik nog nooit gezien', antwoord Krkt.

Mnaa pakt een groot blad van de stapel bladeren bij het vuur en schept er met de platte stok flink wat stoofpot in en geeft het blad aan Krkt. Krkt ziet een groot stuk vlees in de kom naast het vuur drijven en steekt zijn hand uit om dat ook te pakken. Mnaa duwt zijn hand met de platte stok weg. Krkt probeert het nog een keer en weer gebruikt Mnaa de platte stok om zijn hand weg te duwen. Lachend geeft Krkt het op en begint te eten. Mnaa kijkt even peinzend naar de stok in haar hand. Er begint zich een idee te vormen. Stel dat? Nee, de stok is te wiebelig. Daar kan je geen wildzwijn mee doden. Maar wat als?  Diep in gedachten verzonken schept Mnaa ook voor zichzelf een blad met stoofpot vol en neemt een hap.

Na het eten is het te donker om nog te praten; tussen de slaaphuiden kruipen zij dicht tegen elkaar aan om te gaan slapen. Misschien brengt de nacht hen wel een idee om het plan minder gevaarlijk te maken.


138. De onthulling

Helaas, de nacht brengt hen alleen maar een hoop wind en de eerste sneeuw. Het is al laat in de ochtend wanneer zij de grot verlaten om de strikken leeg te halen. Mnaa neemt haar wortelstok mee. 'Waarom?', vraagt Krkt. 'Denk je nu nog wortels te vinden'. Mnaa haalt haar schouders op, klemt de lange stok met de spitse punten onder haar arm en antwoord, 'Je weet maar nooit Krkt. Je weet maar nooit'. Rustig lopen zij door het kleine, stille dal. Stiller dan normaal. Er tjilpen geen vogels, er ruist niets in het struikgewas. De verse sneeuw knispert onder hun in huiden gestoken voeten. Hun ogen flitsen heen en weer, speurend naar de oorzaak van de onnatuurlijke stilte.

Bij de eerste strik is de sneeuw omgewoeld en de prooi grotendeels verdwenen. 'Wolf', zegt Krkt na het bestuderen van de sporen. Dat verklaart de afwezigheid van geluid. Het vooruitzicht om een winter lang het kleine dal met een wolf te moeten delen maakt hen bang. 'We moeten wat doen', zegt Mnaa. 'We moeten de wolf wegjagen'. Krkt knikt, maar heeft geen flauw idee hoe zij de wolf weg moeten jagen.  Behoedzaam, zonder een geluid te maken volgen zij het spoor van de wolf. Het leidt hen eerst langs vier lege strikken en dan verdwijnt het spoor het struikgewas in, richting de eik waar de everzwijnen graag naar eikels wroeten.

Ineens is het gedaan met de stilte. De hoeven van de varkens kletteren over de rotsen. De wolf grauwt. Takken breken. Het geluid van de hoeven en het gegrom van de wolf komt dichterbij. Krkt en Mnaa verschuilen zich beide achter een boom. Een eenjarig everzwijn maakt zich los uit het struikgewas, op de voet gevolgd door de wolf. Het is nog een jonkie ziet Krkt in een flits en zonder er verder bij na te denken begint hij de wolf met stenen te bekogelen. Uitglijdend in de verse sneeuw komt de wolf tot stilstand en draait zich grauwend om en komt op Krkt af die hem met stenen blijft bekogelen. Mnaa ramt de wortelstok schuin de grond in, pakt en steen en volgt het voorbeeld van Krkt. De wolf wordt door steen na steen getroffen. Versuft blijft hij stil staan. Het geluid van brekende takken kondigt de komst van een van de grotere everzwijnen aan. Een zeug met enorme slagtanden maakt zich los uit het struikgewas en stormt op de jonge wolf af die zijn best doet om opzij te springen maar te laat. De wolf wordt aan een van de slagtanden gespiest. Wild schuddend met zijn hoofd rent het zwijn verder. De wolf komt los van de slagtand en beland met een grote boog achter het zwijn. Nog steeds rennend maakt de zeug een bocht, rent over de wolf hen waarbij zij met haar achterpoten zijn schedel verbrijzeld en rent recht op Mnaa af. Verstijfd van schrik ziet het meisje het enorme beest op haar afkomen.

Dan is Krkt daar. Met een grote sprong duwt haar uit het pad van de zeug. Samen vallen ze in de sneeuw. De zeug kan zo snel niet keren, loopt door en begint dan te gillen. Krkt en Mnaa horen hout breken. Zo snel zij kunnen staan zij op, met hun mes in de hand. Uit de borstkas van de zeug steekt de gebroken wortelstok. Wild om zich heen schoppend rolt de zeug over de grond, het afgebroken deel van de wortelstok dieper en dieper in haar vlees duwend. Het bloed gutst uit de wond. Langzaam wordt het schoppen minder totdat zij helemaal stil valt en de normale dalgeluiden weer goed te horen zijn. Krkt en Mnaa halen opgelucht adem. Niet alleen het gevaar is geweken, zij hebben genoeg vlees om de winter mee door te komen, twee nieuwe grote huiden en de oplossing voor hun probleem. Vanaf nu kan de jacht alleen maar veiliger worden.

Voorouder Eén laat zijn handen even zakken en richt zijn blik op Urgh. 'Je ziet Urgh', zegt hij dan met een lach op zijn gezicht, 'Jij was niet de eerste die per ongeluk met een prikstok een enorm wild dier wist te doden. Krkt en Mnaa gingen je voor'. Urgh grinnikt even. 'Voorouder, weet jij of zij net zo bang waren als ik?', vraagt hij dan met een lach. 'Nog banger', antwoord Voorouder Eén. 'Zie je Urgh, jij was toen klaar om te sterven, dacht dat je geen reden meer had om te leven. Krkt en Mnaa hadden dat wel. Mnaa had al een paar manen geen maanstonde meer gehad. Het kon niet anders dan dat er een nieuw leven in haar groeide. Hun familie zou uitgebreid worden met een kind'.  Met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht bij deze herinnering wordt de kleine gestalte in het vuur ijler en ijler om dan helemaal te verdwijnen.

Urgh kijkt hem peinzend na. 'K'wan', vraagt hij dan, 'Is Krkt Voorouder Eén?' De kleine man van de Vroegere Stam haalt zijn schouders op. 'Ik weet het niet Urgh, maar het lijkt er wel op'. 'Ik vraag het hem de volgende keer', beloofd Urgh. Dan is het tijd om de wacht te verdelen, het vuur klein te maken, en te gaan slapen. Morgen is er weer een dag. 


139. Mensen!

Helaas voor Urgh en zijn dorpsgenoten negeert Voorouder Eén de volgende dag zijn vraag en gaat verder met het verhaal.

Het leven in het kleine dal was goed. Veertien jaar verstrijken. In die veertien jaar worden vijf kinderen geboren. Eerst drie jongens, daarna twee meisjes. Krkt en Mnaa verfijnen hun samenwerk-jachttechniek en vanaf dat de kinderen oud genoeg zijn om mee te jagen brengen hun ouders hen de fijne kneepjes van het jagersvak bij. Dat niet alleen. Mnaa leert de kinderen ook alles wat zij over het gebruik van groenten en kruiden weet.

De oudste twee jongens hebben na het bereiken van de puberteit de overgangsrite van kind naar man goed doorstaan en luisteren nu naar hun volwassen naam. De oudste (13) kreeg de naam Storm en zijn twee jaar jongere broertje werd Speer genoemd. Het is Mnaa, die beter dan Krkt in staat is om klank aan woorden te geven, die de namen heeft bedacht en van de klanken Sto-orm en Spe-eer had voorzien. Krkt vond dat eerst niet nodig, die klanken, maar Mnaa had toen de jongens nog Kinnd en Broerrr heette voet bij stuk gehouden. 'Een kind wat je niet aankijkt, of wat je  niet kan zien, kan ook niet zien dat het geroepen wordt', had zij gezegd. 'Maar horen kunnen zij het altijd'.

Aan het begin van het voorjaar constateert Mnaa dat Kleine (9) en Zus (8) beide zijn gaan puberen. Beide kinderen worden, voorzien van voedsel voor een dag en hun overgangsopdracht aan een andere kant het kleine dal uitgezet. Kleine mag pas terugkeren wanneer hij een dier groter dan een fors konijn heeft gedood en Zus wanneer haar eerste maanstonde er op zit. Opgewonden doen beide kinderen wat er van hen gevraagd wordt.

Op zoek naar een goede schuilplek trekt Zus richting het Noorden. Daar zijn grotten maar ook voedsel te vinden weet zij van de trektochten die zij de zomers ervoor met haar ouders heeft gemaakt. Daar kan zij rustig wachten totdat haar maanstonde er op zit om daarna als vrouw naar haar ouders terug te keren. Kleine loopt verder naar het Zuiden. Ook hij weet waar hij naar toe moet om wild te vinden wat groot genoeg is om zijn opdracht zo snel mogelijk uit te voeren zodat hij als man terug kan keren naar het kleine dal.

Die avond, terwijl hun twee oudste zonen al liggen te slapen, zitten Krkt en Mnaa met hun jongste dochter bij het vuur. Na de geboorte van Zus keerde de maanstonde van Mnaa niet meer terug. Dat Mnaa vele winters na de geboorte van Zus wederom zwanger bleek kwam dan ook als een verrassing voor Krkt en Mnaa. Knd, geboren in de winter, was kleiner en zwakker dan haar broertjes en zusje maar ondanks haar zwakte overleefde zij nu al weer de derde winter. Toch maakt met name Krkt zich zorgen. Het meisje kan nog niet lopen, is niet zindelijk, reageert nergens op en kan eigenlijk alleen maar zacht voedsel eten. 'Het lijkt wel of zij eeuwig kind blijft', heeft Krkt wel eens gezegd. Mnaa had toen haar schouders opgehaald. 'Niet alle kinderen zijn even snel', was haar antwoord. 'Knd is het kind uit onze nadagen, zij kan niet zo snel zijn als de kinderen uit onze jeugd'.

'Ik verwacht de twee jongste de komende dagen nog niet terug in het dal', zei Krkt. 'Ik stel voor dat wij morgen met z'n vieren naar het hertendal gaan om daar te jagen zodat we voldoende vlees hebben voor het overgangsfeest'. Mnaa knikt ten teken dat zij het een goed idee vindt.

De volgende ochtend vertrekt het gezin uit het kleine dal. Alle vier de volwassenen dragen een lege mand op de rug. Knd hangt in een draagdoek op de buik van Mnaa. Zij lopen stevig door. Halverwege de middag ziet Sto-orm, die op dat moment voorop loopt, sporen van mensen. 'Verse sporen', bevestigt Krkt en kijkt zijn partner vertwijfeld aan.  Hun beider zonen reageeren uitgelaten bij het idee dat er andere mensen in de buurt zijn en voor het eerst betreurt Krkt het dat hij zijn zonen nooit over het lot van de familie van Mnaa en hem verteld heeft. 'We moeten voorzichtig en behoedzaam verder gaan', zegt hij.  'Waarom?', vraagt Sto-orm. 'Het zijn mensen, geen holenleeuw', voegt Spe-eer er aan toe.

'Ik moet jullie iets vertellen over het lot van de families van je moeder en mij', begint Krkt. Uit zijn ooghoek ziet hij twee mannen met hun messen in de aanslag uit het struikgewas stappen en op hen afkomen. Sto-orm en Spe-eer maken aanstalte om op de mannen af te lopen. 'Staaaa', sist Mnaa. Beide jongens doen wat hun moeder hen opdracht.  Krkt doet een stap naar voren, maakt met zijn handen het gebaar 'Wees welkom' terwijl hij zijn adem inhoudt.

De mannen nemen het tafereel voor hen in ogenschouw, kijken elkaar aan, stoppen hun mes in hun riem en maken met hun handen hetzelfde gebaar. Zachtjes laat Krkt zijn adem los en loopt naar de mannen toe. Zijn partner en hun zonen volgen hem.

Bij de mannen aangekomen zegt hij: 'Mijn naam is Krkt en dit is mijn familie. Mijn partner Mnaa, dochter Knd en zonen Storm en Speer'.  'Ik ben Grm', zegt de oudste van de twee mannen terwijl hij zijn ogen over het tuniek en de voedbedekking van Krkt laat glijden. 'En dit is Plk. Wij komen daar vandaan'. Hierbij wijst Grm, die net als Plk slechts gehuld is in een paar aftandse huiden die door een riem bij elkaar wordt gehouden naar het Zuid-Westen. 'Wij zijn samen met onze familie op zoek naar eten'. Krkt knikt. 'Wij ook', antwoordt hij. 'Over die heuvelkam ligt het hertendal. Daar is het goed jagen'. Grm knijpt zijn ogen samen. 'Zijn er veel oude hindes', vraagt hij. Voor zijn vader antwoord kan geven knikt Storm enthousiast. 'Ja. Maar ook jonge bokken en hindes. Die smaken veel lekkerder'.  Oom's ogen worden nog wat kleiner terwijl Plk zijn mes weer trekt. 'Jagen op jonge bokken en hindes is gevaarlijk. Wil jij ons dood hebben', vraagt oom. 'Nee!. Als je samen jaagt', doet Speer een duit in het zakje, 'Valt het gevaar wel mee'.  Ook Grm's hand gaat naar het mes in zijn riem maar aarzelt even. 'Hoe kan je dat zeggen', zegt hij. 'Samen jagen is het gevaarlijkste wat er is. Twee messen vlak bij elkaar. Als je de prooi mist, raak je de andere jager'.

'Waarom gaan jullie niet samen met jullie familie mee naar het hertendal', sust Krkt. 'Dan laat ik samen met mijn familie jullie zien hoe je veilig samen kunt jagen'. Hij aarzelt even. 'Hoe groot is jullie familie eigenlijk', vraagt hij. Grm kijkt even naar zijn handen en steekt zes vingers op. 'Zoveel jagers', zegt hij. Hierna steekt hij vier vingers op. 'Zoveel voedselzoekers'.  Hij sluit af met de melding dat er zoveel (acht) kinderen en (vijf) oudjes zijn. 'Die houden de familie op en maken dat we nooit genoeg eten hebben', voegt hij er aan toe. Het is Krkt niet duidelijk of Grm het over de kinderen of over de oudjes heeft.

Krkt, Mnaa en hun zonen volgen samen met Grm en Plk het spoor van beide mannen terug naar hun familie. Op het punt waar zij afscheid van de familie hebben genomen volgen zij het spoor van de familie zelf. De familie is niet veel opgeschoten in de tijd dat Grm en Plk op jacht waren ziet Krkt. Het tempo van de familie ligt inderdaad laag. Meerdere kinderen, groter nog dan Knd, worden door voedselzoekers gedragen. Grm loopt naar de kop van de stoet om met de jager die de familie aanvoert te praten. De hoofdjager steekt zijn arm omhoog en de kolonne komt tot stilstand. Samen met Grm loopt hij naar Krkt en zijn familie toe. Zonder het welkomsteken te maken beginnen zijn handen te praten. 'Ik ben hier de Ome', zegt hij. 'Ik zorg dat mijn familie te eten krijgt. Daar heb ik geen hulp van buitenstaanders bij nodig'. Om zijn woorden kracht bij te zetten spuugt hij net voor Krkt's voeten op de grond. Dan geeft hij Grm een draai om zijn oren, keert zich om en gebaart zijn familie dat zij weer moeten gaan lopen terwijl hij zelf terug loopt naar de kop van de stoet.

Pas 's-avonds, wanneer hij eindelijk het stopteken geeft en zijn familieleden moe en hongerig een slaapplekje zoeken, valt het hem op dat hij één jager, één voedselzoekster, twee oudjes en drie kinderen mist. Grm, zijn ouders en zijn gezin hebben een nieuwe familie gevonden.

Voorouder Eén laat zijn handen zakken en kijkt Urgh strak aan. 'Je hebt mij aan het begin van de avond een vraag gesteld', zegt hij. 'Ik ga hier nog geen antwoord op geven. Later misschien'. Zonder Urgh de kans te geven iets te zeggen gaat hij in rook op.


140. Het feestmaal

Ook de volgende avond geeft Voorouder Eén de dorpsbewoners geen kans hem iets te vragen. Hij gaat meteen verder met het verhaal van Krkt en de nieuwe familieleden. 

In een waas ziet Grm hoe Ome voor de voeten van Krkt spuugt. Dan voelt hij Ome's hand hard met zijn gezicht in contact komen. Hij wil wat zeggen maar Ome heeft hem al de rug toe gekeerd en geeft het teken tot vertrek. Automatisch begint Grm te lopen. Een paar passen maar. Hij stopt, draait zich langzaam om en bekijkt Krkt en zijn familie van top tot teen. Weer draait hij zich. Dit keer om het haveloze groepje mensen wat hij familie noemt te bekijken. De mensen die hem het meest nastaan lopen achteraan alsof zij voelen wat er komen gaat. Hij haalt diep adem, wendt zich wederom tot Krkt en vraagt 'Kan jouw familie nieuwe leden gebruiken?'. 'Hoeveel?', is de wedervraag. 'Vuurpartner, mijn moeder, haar vader, onze kinderen'. Krkt kijkt Mnaa aan. 'Wat denk jij?'. 'Ja', is het korte antwoord. 'Wij hebben de ruimte', beantwoord Krkt de vraag. Het gezicht van Grm klaart op. Snel rent hij achter de stoet mensen aan en tikt zijn ouders, partner en kinderen een voor een aan en wijst naar Krkt. Tot zijn grote vreugde protesteert niemand, maakt iedereen zich los van de groep en volgen zij hem terug naar Krkt.

Krkt en Mnaa bekijken de mensen voor hen. Hadden Grm en Plk nog enigszins wat vlees op hun ribben zitten, de nieuwkomers zien er hologig en moe uit. 'Krkt, Mnaa dit is mijn familie'. Grm wijst naar de man die naast hem is gaan staan. 'Dit is mijn vader Brk. Groo is de moeder van mijn partner Una en dit zijn onze kinderen Faa, Trg en Krl'. Handpalmen naar boven wijzend heet Krkt hen allen welkom en stelt zijn eigen familie voor.  'Wij zijn op weg naar het hertendal. Dat is hier niet ver vandaar. Wij hopen voor het veranderen van de maan te kunnen vieren dat twee van onze kinderen de overgang van kind naar volwassenen heeft voltooid en daar hoort een feestmaal bij'. De nieuwkomers kijken hem verbaasd aan. 'Feestmaal? Elk maal wat groot genoeg is om je buik te vullen is een feestmaal', reageert Brk. 'Wanneer hebben jullie voor het laatst je buik vol gehad?', vraagt Mnaa. De nieuwkomers kijken elkaar aan. 'Ik kan het mij niet herinneren', zegt Groo. Krkt en Mnaa kijken elkaar even aan. 'Het kamp bij het hertendal is het dichtst bij Krkt. Ik stel voor dat wij daar rustig naar toe wandelen'. Zij wendt zich tot haar zoons. 'Ik wil dat jullie vooruit gaan zodat als wij komen het vuur al brandt en er al kommen met stoofpot en kruidenthee naast het vuur staat. Mochten jullie onderweg nog wat konijnen kunnen vangen doe dat dan. Hak onderweg ook wat bamboestengels om kleine kommen van te maken zodat er voor iedereen een kom is. Wij zien jullie vanavond'. Beide jongens knikken even en rennen dan, met hun speer in de hand hoog opgeheven, weg.

De nieuwkomers kijken elkaar verbaasd aan. 'Vuur al brandt?', vraagt Groo. 'Hoe weten jullie wanneer het de voorouders behaagt vuur naar hier te sturen?'. 'Wij hebben geleerd zelf vuur te maken', antwoord Krkt. 'En we hebben nog meer geleerd. Maar dat vertellen wij jullie later wel. Laten wij nu eerst naar het hertendal gaan. Daar kunnen jullie rusten en eten'. Hij knikt de nieuwkomers vriendelijk toe en wijst met zijn hand in de richting die zij moeten gaan. De nieuwkomers aarzelen. Zijn dit wel mensen? Het lijkt er op dat zij hun eigen weg gaan vervolgen. Op dat moment laat Knd een zacht gejammer horen. Mnaa haast zich haar dochtertje te troosten. 'Wij volgen', zegt Groo.

Later dan gedacht bereiken Krkt, Mnaa en hun nieuwe familie het kamp bij het hertendal. Tot de verbazing van de nieuwe familieleden brandt er inderdaad een klein vuurtje. Hun neuzen vullen zich met de meest heerlijke geuren. 'Wat ruik ik?', vraagt Groo. 'Wat zit er in die grote kommen?' 'Kruidenthee en Groentenstoofpot', antwoord Mnaa. 'En verder hebben we gebraden konijn en eend'. Met een vriendelijk gebaar nodigt zij haar nieuwe familieleden uit om te gaan zitten terwijl Sto-orm en Spe-eer kleine bamboe kommen met kruidenthee uitdelen. Na een eerste slok van zijn kruidenthee te hebben genomen zet Grm de kom voorzichtig neer en zegt 'Ik weet niet wat er allemaal nog komen gaat. Maar deze drank is een feestmaal op zich'.

Hij pakt de kom weer op en drinkt hem genietend leeg. Dankbaar voor het warme vocht wat hem van binnenuit verwarmd. Dankbaar voor het kleine vuur voor hem. Blij dat hij aan zijn opwelling gehoor heeft gegeven en gevraagd heeft of hij en de zijnen bij deze familie mag horen. Na de thee krijgt iedereen van Mnaa een blad met daarop wat stoofpot en een stukje gebraden konijn aangereikt. In stilte eten de nieuwkomers totdat hun magen zeggen vol te zijn. Dat moment komt ver voordat al het eten op is.  Voor het eerst in jaren, voor sommige zelfs voor het eerst in hun leven, gaan de nieuwe familieden met een volle maag slapen terwijl Krkt en zijn zonen om de beurt de wacht houden.

Morgen vertel ik verder', eindigt Voorouder Eén zijn verhaal voor die avond en weer is hij verdwenen voordat iemand hem een vraag kan stellen. 


141. Hulp

Net als de avond ervoor geef Voorouder Eén niemand een kans om hem een vraag te stellen. Hij gaat meteen verder met zijn verhaal.

Onbewust van het feit dat twee paar jonge ogen hen vanuit een eeuwig groenbijvende boom gade slaan, worden Ome en zijn door honger en kou geplaagde familieleden voor dag en dauw wakker. Daar waar de avond ervoor nog vier jonge kinderen klagend jammerde van de honger hoort hij er nu nog maar één. Dan staat zijn vuurpartner Tante met een zorgelijk gezicht voor hem. 'Er zijn weer kinderen dood', zegt zij. 'Zoveel', en zij steekt drie vingers op. 'Kwmee doet haar ogen niet meer open', vervolgt zijn vuurpartner. 'Gisteren hebben onze beste jager en beste voedselzoekster ons verlaten. Zijn meegegaan met de vreemdelingen die ons hulp aan boden. Waarom Ome? Waarom wilde je die hulp niet aannemen? Waarom moeten wij allemaal dood?'.  Ome heft zijn hand op, klaar om zijn vuurpartner met een stevige klap het zwijgen op te leggen, maar iets houdt hem tegen. 'Ik ben de Ome', zegt hij zwak. 'Ik moet voor onze familie zorgen'. 'Zorg dan voor onze familie', antwoord zijn vuurpartner waarna zij zich abrupt omdraait en naar de oude Kwmee loopt.

Ome wenkt de jagers dichterbij. 'Wij gaan dadelijk weer lopen. Jullie gaan wat verder van de familie vandaan dan anders. Zorg dat je met eten terugkomt want anders…'. Zijn dreigement is loos weten zowel de jagers als Ome. 'Ik weet waar die vreemde mensen naar toe gaan'. Ome kijkt Plk strak aan. 'Wij hebben geen hulp van een andere familie nodig', antwoord hij. 'Onze familie heeft altijd voor zichzelf kunnen zorgen'. 'Noem jij dit voor zichzelf zorgen?', vraagt Plk en doet meteen een stap achteruit maar de verwachtte klap komt niet. 'Doe nu maar wat ik zeg', reageert Ome gelaten. 'Vertrek nu maar. Ik ga de andere aansporen om te vertrekken'. De oude man draait zich om en loopt naar het groepje vrouwen en kinderen wat zich rondom Kwmee en de overleden baby's heeft verzameld. De jagers kijken elkaar even aan. Langzaam komt de een na de ander in beweging, waaieren uit in het landschap. Op zoek naar iets te eten.

Kwmee heeft haar ogen ondertussen weer open gedaan. 'Ga', wapperen haar handen. 'Laat mij hier bij de dode kinderen. Het is mijn tijd om te gaan'. Ome knikt. Dankbaar dat Kwmee dat doet wat in barre tijden van een oudje verwacht wordt om de last van de familie te verlichten. Hij kijkt van de drie dode baby's naar de twee voedselzoeksters die naast hen zitten. Niet de moeders herinnert hij zich.  Die zijn reeds voor de winter overleden. Alg's laatste kind is doodgeboren. Van haar overige kinderen is slechts een meisje blijven leven. Een traag kind, in alle opzichten.  Het jongste kind van Trij leeft nog en sabbelt jammerend op een lege borst. Haar oudste nog levende kind staat op de rand van volwassen worden. Met een beetje geluk wordt hij een groot jager. Haar dochtertje, nog lang niet volwassen, is nu reeds een beter voedselzoekster dan de dochter van Alg. Over zijn eigen zoon wil hij niet nadenken. De jongen loopt zo mogelijk nog verder achter in zijn ontwikkeling dan de dochter van Alg.

Hij wenkt de vrouwen en de kinderen dat het tijd is om te vertrekken en met en knik naar Kwmee, zijn moeder, verlaat hij langzaam lopend het tijdelijke kamp. Aan het geluid van de voetstappen achter zich hoort hij dat de twee voedselzoeksters en de kinderen achter hem sjokken.  De zo vertrouwde voetstappen van Tante, zijn vuurpartner, hoort hij niet. Het lijkt er op dat zij er voor kiest om bij haar moeder te blijven. Om samen met haar de overgang naar de voorouders te maken. Strak voor zich uit kijkend, met hangende schouders sleept hij zich voort. Eén gedachten zingt er door zijn hoofd: 'Voorouders, help ons te overleven'. Diep in zijn hart weet Ome dat zijn familie ten dode opgeschreven is.
Pas wanneer het laatste kind niet meer zichtbaar is verlaten de twee jonge mensen die op de drempel tussen kind en volwassenen staan, de hoge boom. Met zijn speer in zijn hand, verscholen in het struikgewas, loopt Kleine in de richting waarin de jager Plk, de man die gisteren met zijn ouders heeft gesproken, is verdwenen. Zus loopt naar de twee vrouwen, maakt het welkomsteken. Kwmee houdt haar ogen gesloten. Tante knikt vaag. Voor Zus is het voldoende. Handig maakt zij een kleine vuurplaats van steen en al snel heeft zij een klein vuurtje branden. De ogen van Tante lichten op. Zus pakt een kom uit haar rugmand en loopt daarmee naar een klein stroompje water. Eenmaal gevuld zet zij de kom naast het vuur. Van een groot groen blad maakt zij een kleine kom en schept hier wat water in voor Tante die het bakje dankbaar leeg drinkt. Zus schept het bakje nogmaals vol en gaat hiermee naast Kwmee zitten. Voorzichtig laat zij via haar vingers wat druppels water in de mond van Kwmee lopen. Zij geeft het bakje aan Tante die haar voorbeeld volgt en druppeltje voor druppeltje water in de mond en op de lippen van Kwmee laat lopen.

Terwijl Tante haar moeder van water voorziet snijdt Zus haar eten voor één dag zo fijn mogelijk en laat de groenten en het vlees in de kom met water verdwijnen. Naast de plas water heeft zij wat peterselie en selderij zien staan. Zij plukt wat van de kruiden, snijdt ze klein en stopt ze ook in de kom. Al snel kookt het water en verspreidt zich een heerlijke geur. Tante's maag doet er pijn van. Zus maakt nog een kom van een blad en schept een klein beetje bakje uit de kom met kokende soep en geeft dit aan Tante die het bakje dankbaar aanneemt. Terwijl Tante met kleine slokjes van de soep drinkt maken de vlugge vingers van zus een koord van gras zodat zij een aantal strikken uit kan zetten. Maar eerst … 'Vindt je het goed wanneer ik de kinderen daar achter die boom', en hierbij wijst Zus naar en ver weg gelegen boom, 'Begraaf'. Tante knikt. 'Dan moet jij het vuur brandend houden door er regelmatig kleine takjes en bladeren op te gooiten', legt Zus uit. Weer knikt Tante. Als Zus met de kinderen richting de verwegstaande boom verdwijnt kan Tante alleen maar hopen dat de familie ook hulp aangeboden krijgt en dat haar vuurpartner nu niet meer te trots is om die hulp aan te nemen.

Voorouder Eén laat zijn armen langs zijn zijde zakken. 'Ik ben bang', zegt K'wan, 'Dat haar hoop niet uitkomt. Die Ome klinkt als een te trotse, eigenwijze man. Toch Voorouder Eén?'. De oude man in het vuur kijkt K'wan even strak aan en knikt dan. 'Ja K'wan, die Ome is een te trots man. Daar heb je gelijk in'. Dan verdwijnt de oude man in het vuur. 


142. Onthulling

De volgende dag blijkt een koude, sombere en donkere dag te zijn. Veel eerder dan normaal trekken de grotbewoners zicht in hun grot terug, om te eten, om te slapen. Gelukkig verschijnt Voorouder Eén ook vroeg. 

Terwijl zijn zusje voor de twee oude vrouwen zorgt rent de jongen die naar de naam Kleine luisterd, achter de jager Plk aan. Zijn hersenen malen. Wat is de beste manier om de jager te benaderen? Als de jager geholpen wil worden, hoee kan hij daarna de trotse Ome overtuigen om zijn hulp aan te nemen? Plk is eerder ingehaald dan dat Kleine een plan heeft bedacht.  De jager is net zo moe, koud, hongerig en zwak als de rest van zijn familie. En oud ziet Kleine wanneer hij voor de jager staat en het welkomsgebaar maakt. Veek ouder dan zijn vader. Haast zo oud als de Ome.

Plk ziet de jongen voor hem verschijnen. Ziet het welkomsgebaar. Herkent het soort kleding wat de jongen aanheeft. Beantwoord aarzelend het welkomsgebaar. Voegt daar aan toe, 'Mijn naam is Plk'. 'Mijn naam is Kleine', antwoord de jongen. 'Kleine?', vraagt Plk verbaasd. 'Dat is de naam van een kind. Jij ziet er uit als een jager'.  'Ik ben bijna een jager', is het antwoord. 'Ik ben bezig met mijn overgangsopdracht. Ik moet zelf een dier doden wat groter is dan een konijn. En dat is precies wat ik dadelijk ga doen zodat jij en je familie iets te eten hebben'.  Het klinkt arrogant maar Plk gelooft de jongen op zijn woord. Dan bedenkt hij iets. 'Je mag tijdens je overgangsopdracht geen contact hebben met andere mensen'. Kleine haalt zijn schouders op. 'Ik denk niet dat mijn ouders mij dit kwalijk gaan nemen'. 'Je ouders misschien niet', zegt Plk, 'Maar de voorouders…'. 'Die heb ik niet', is het simpele antwoord. Plk kijkt hem verbaasd aan. 'Iedereen heeft voorouders', reageert hij. Kleine haalt zijn schouders op. 'Daar hebben we het nog wel eens over', zegt hij dan. 'Voor nu is eten vinden belangrijker. Ik weet dat er hier niet ver vandaan schapen zitten, daar kunnen we er wel een paar van vangen'.  Kleine kijkt nogmaals naar de jager voor hem. 'Daar kan ik er wel een paar van vangen', verbetert hij zichzelf. "Dan zorg jij voor het vuur en de bereiding. Denk je dat dat lukt?'. 'Bereiding?', vraagt de oude jager. 'Slachten bedoel je?'. 'Dat ook. Maar ik bedoel koken en bakken'. 'Daar heb je vuur voor nodig. En voor vuur heb je bliksem nodig'.  'Ik kan vuur maken zonder bliksem', is het antwoord. Plk laat zijn schouders hangen.  Even had hij hoop dat de jongen hem en zijn familie zou kunnen helpen. Maar dit is grootspraak. Allemaal grootspraak.

Toch laat hij zich door de jongen een klein stukje naar het Zuiden leiden. Onder een grote boom, naast een kleine bron gebaart de jongen hem om naast een ring van stenen te gaan zitten. De jongen zet de mand die hij op zijn rug draagt tegen de boom en verzamelt wat takken, takjes en droge bladeren en legt deze in de ring van stenen. Dan pakt hij zijn mes uit zijn riem en uit de buidel die aan zijn riem hangt een steen en slaat deze een aantal maal stevig tegen elkaar aan. Tot zijn verbazing ziet Plk vonken verschijnen. De bladeren beginnen te smeulen. De jongen blaast zachtjes tegen de smeulende bladeren en tot zijn verbazing ziet Plk een klein vlammetje verschijnen. De kleine takjes vatte ook vlam. De jongen heeft vuur gemaakt. Zou het dan geen grootspraak zijn? Uit de mand die bij de boom staat pakt de jongen een kom en vult deze met water. De kom zet hij op de stenen rand naast het vuur. Dan pakt hij wat knollen uit de mand en snijdt deze fijn, net als een stukjegedroogd vlees. Alles verdwijnt in de kom. Naast de bron staan kruiden, munt, peterselie, selderij. Hij snijdt wat van de kruiden af, scheurt deze met zijn handen klein en gooit al het groen in de kom. Van een groot blad vouwt hij een kleine kom en schept deze vol water en geeft deze aan Plk. 'Drink jager, terwijl de soep kookt'. Dankbaar neemt Plk een slok van het koude water. Nog een, en nog een.  Ook al kookt het water nog niet, de soep begint al een heerlijke geur te verspreiden.  Kleine vouwt nog een kom en schept een klein beetje van het lauwwarme vocht uit de kom en geeft dat aan Plk. Likkebaardend drinkt de jager het kommetje leeg.

Dan krijgt hij uitleg hoe hij het vuur brandend moet houden. 'Ik ga nu achter de schapen aan', zegt Kleine. 'Jij houdt het vuur brandend, zorgt dat de soep niet te dik wordt door er regelmatig wat water bij te voegen en wanneer je familieleden op de geur afkomen dan geef je ze allemaal wat van het warme nat'. Plk knikt. 'Dat gaat lukken', zegt hij en lachend ziet hij hoe de jongen snel bij het vuur wegrent. Op zoek naar schapen, wat dat ook  mogen zijn.

Op kleine afstand gevolgd door Alg, Trij en de kinderen sjokt Ome over de vlakte. In de verre verte hoort hij het gegrom van een wild dier wat een prooi vangt. Hij kan alleen maar hopen dat het om een ander dier gaat maar diep van binnen weet hij dat zijn familie weer kleiner is geworden. Dat er weer een jager minder is om de familie te voeden. De geur van soep dringt zijn neus binnen en hij weet dat hij, net als zijn moeder Kwmee, stervende is. Dat kan niet anders. Het water loopt hem in de mond en zijn voeten volgen het briesje naar haar oorsprong, naar zijn dood. De geur wordt sterker en hij hoort het knetterende geluid van vuur en weet dat de voorouders hem achter die struiken opwachten. Toch loopt hij, nog steeds gevolgd door de vrouwen en kinderen, door. Sterven is beter dan dit leven voelt hij. Hij loopt om de struiken heen, ziet de boom, het vuur, de bron, Plk en de kom geurende soep. 'Welkom bij het vuur van Kleine', zeggen de handen van Plk. 'Ga zitten, en neem wat soep'. De oude jager vult een kleine kom en biedt die aan Ome aan. 'Hoe?', vraagt Ome. 'De mensen van gisteren', antwoord Plk. Het water loopt Ome in de mond maar hij weigert de kom met soep. Weigert bij het vuur te gaan zitten. Dan zijn daar de vrouwen en kinderen. Zonder een woord, zonder op een uitnodiging te wachten gaan zij bij het vuur zitten. Beide vrouwen nemen de aan hun aangeboden kommetjes met soep aan. Drinken de kom leeg. Plk vult de kommetjes opnieuw en dit keer zijn het de oudste twee kinderen die wat te eten krijgen. Dan is het jongste kind aan de beurt.

Plk voegt water aan de soep toe, en weer krijgen de twee vrouwen een kommetje soep aangeboden. Het dunne groente en vleesnat smaakt hen voortreffelijk en Trij laat voorzichtig wat druppels op de lippen van haar jongste kind vallen. Het kindje reageert niet en Ome weet dat door zijn trots ook voor dit kindje de hulp te laat is gekomen. Hij weet dat er voor hem nog maar een ding opzit en dat is sterven.

'Jullie blijven hier bij Plk, bij jullie nieuwe familie', zeggen zijn handen tegen de laatst overlevende van zijn familie. 'Mijn tijd is gekomen en ik zal jullie niet langer tot last zijn'.  Hij hoort achter zich een takje krakken en draait zich langzaam om. Voor hem staat een onbekende jonge jager. De jongen is net zo gekleed als de mensen die hij gisteren beschimpt heeft. Zijn benen weigeren hem nog langer te dragen en Ome zakt door zijn knieen. In een poging de val van Ome te breken laat de jongen de twee lammetjes die hij in zijn handen heeft vallen en vangt de oude man op. Legt de oude man voorzichtig bij het vuur op de grond. Wenkt Plk om een kommetje soep in te scheppen. Helpt de oude man een beetje overeind en zet de kom met de soep aan zijn lippen. Uit gewoonte knijpt Ome even de lippen stijf op elkaar, voelt het vocht tegen zijn lippen, steekt onbewust zijn tong naar buiten om zijn lippen af te likken en neemt een slokje. In de wetenschap dat er genoeg is te eten is voor zijn hele familie drinkt hij dankbaar, met gesloten ogen, de hele kom leeg. 'Slapen', zeggen zijn handen dan en de jongen laat hem terug op de grond zakken.

Vier manen later hangt de heerlijke geur van gebraden hert en geroosterde knollen boven het kleine dal. Samen met hun nieuwe familie wachten Krkt en Mnaa op de terugkeer van hun twee jongste kinderen.  Tot hun grote verbazing, en tot blijdschap van Grm en zijn familie, verschijnen beide kinderen niet alleen. De nieuwe familieleden worden welkom geheten, nemen plaats rondom het vuur.  Ome blijft op gepaste afstand staan. 'Ik heb geen recht om hier te staan', antwoord hij het welkomsgebaar van Krkt. 'Waarom?', vraagt Krkt. 'Ik heb je beledigd', antwoord Ome. 'Ik heb jullie hulp geweigerd toen mijn familie alle hulp kon gebruiken'. 'Je hebt de hulp van mijn kinderen aangenomen', antwoord Krkt, 'Dat is voldoende voor mij om je welkom te heten bij mijn vuur'. 'Je voorouders weten wat ik heb gedaan. Weten dat ik geen plek aan jouw vuur verdien', antwoord Ome. 'Ik ken geen voorouders', antwoord Krkt. 'Wij hebben geen voorouders. Wij hebben de rituelen nooit geleerd. Onze ouders, onze Ome, was dood voordat hij ons dat kon leren. Wij zijn Krkt en Mnaa. Wij hebben alles zelf geleerd'.

Ome laat de woorden op zich indringen. Kijkt naar Krkt en Mnaa. Naar hun kinderen. Hun kleding. Naar het vuur, het eten, de kommen. Weet ondertussen wat hun wapens kunnen doen. 'Allemaal zonder voorouders?', vraagt hij vol verbazing. 'Krkt knikt. 'Allemaal zonder voorouders', zegt hij dan. 'Wees welkom aan ons vuur en leer ons de rituelen, zodat wij de voorouders ook leren kennen'. Even aarzelt Ome nog. Dan stapt hij naar voren en zegt 'Ik zal jullie de rituelen leren en Voorouder Eén worden'.

'Dan ben ik nu aan het einde van mijn verhaal gekomen', zegt de schim van de oude man in het vuur. 'Dan weten jullie nu dat Vooroder Eén een trotste en eigenwijze man was, die de les 'samenwerken en elkaar helpen' te laat in zijn leven heeft geleerd. Gelukkig voor mijn familie niet te laat'. Glimlachend kijkt hij de kring rond alvorens in rook op te gaan. Urgh en de dorpsbewoners in verwondering achterlatend. 

Met deze onthulling van Ome komt er een einde aan deel 3, Stemmen uit het Verleden, van Het Boek van Urgh. Voor deel 4, klik hier.






Geen opmerkingen: