Urgh 4





143: Overpeinzing

Inleiding


Aan het eind van de prehistorie raakt de jonge jager Urgh zwaar gewond tijdens de mammoetjacht. Wonder boven wonder overleeft hij het ongeluk maar vanaf het begin van zijn herstel is duidelijk dat hij nooit meer zal lopen. Zijn sterkte wil, heldere verstand en de wens nuttig te blijven voor zijn stam resulteren er uiteindelijk in dat hij, samen met een aantal vrienden, het dorp verlaat om elders een bestaan op te bouwen. (Boek van Urgh, deel 1)

Wat volgt zijn roerige tijden die bol staan van ziekte, natuurgeweld, de ontmoeting met mensen van de Vroegere Stam, strijd met voormalige buren, dorpsuitbreiding, zoektochten naar een veilige woonplek. Gelukkig bestaat het leven in de prehistorie niet alleen maar uit kommer en kwel. Er worden partnerschappen gesloten, kinderen geboren, feesten gevierd. (Boek van Urgh, deel 2)

Eenmaal gesetteld in hun nieuwe woonplek zijn Urgh en zijn dorpsgenoten zoekende naar de juiste balans tussen het oude jagers (en deels nomadische) leven en het moderne dorpsleven. Daarbij krijgen zij hulp uit onverwachtse hoek wanneer de oudste bekende voorouder van de laatste leden van de Vroegere Stam het verhaal van Krkt, Mnaa en hemzelf verteld. (Boek van Urgh, deel 3 (incl. het overzicht Wie is Wie))

De herfst is overgegaan in winter met het bijbehorende weer. Het veld voor de grot is onder een dikke laag sneeuw verdwenen. De boomstam over de geul die dienst doet als brug is spekglad. Ook de akkers en de dierenkraal aan de andere kant van de geul zijn onder de sneeuw verdwenen. De leerlooiersputten van M'na en K'wan zijn bedekt met en laag ijs net als het water in de geul. De schapen van Elm hebben allemaal een plekje in de grote grot gevonden. De wind waait koud, kil en omstuimig en veroorzaakt regelmatige sneeuwstormen. Alleen de rivier stroomt nog net zo onstuimig als altijd en is een belangrijke bron van vers voedsel.

Binnen in de enorme grot hebben de mensen elkaar opgezocht en wonen en slapen dicht bij het grote vuur onder de natuurlijke schoorsteen. Het is de dag voor de nacht van volle maan. Het is de eerste dag van het winterwende feest. In de grot zijn alleen maar vrouwen en hele jonge kinderen aanwezig. De mannen en de oudste kinderen zijn buiten. Een deel van hen is druk bezig met de visnetten, de jagers jong en oud zijn naar het hertendal vertrokken in de hoop een oude bok of hinde te kunnen verschalken. Onder leiding van Ani, hoofdkok van het dorp, zijn de vrouwen druk bezig met het bereiden van een feestmaaltijd.

Alleen Urgh is niet met het zoeken of bereiden van eten bezig. Hij zit op zijn slee in het voorstuk van  de laatste ingang van de grot, nog voorbij de schapenkraal, en werkt aan een nieuwe drijfboom. Naast hem ligt de oude wolf Kleintje en de twee jonge wolven die wel of niet het nageslacht van Kleintje zijn. Naast hem staat een grote mand waar hij de uit de toekomstige drijfboom gehakte stukjes hout in gooit. De kleine en iets grotere stukken hout zorgen straks voor een heerlijk warm vuur. 'Mijn bijdrage aan het feestmaal', zucht hij weemoedig tegen Kleintje en streelt het dier over de grijs geworden kop. Kleintje likt zijn pols en laat en zacht jankend geluid horen. Dan richt hij zijn aandacht weer op het bot tussen zijn voorpoten en gaat verder met knagen. Urgh's handen gaan weer verder met het uitkappen van de drijfboot terwijl zijn ogen over de jagers, nee vissers, bij de rivier gaan. 'We zijn aan het veranderen Kleintje', zegt hij tegen de wolf die rustig verder knaagt aan zijn bot. 'Ik ben veranderd. Ik ben geen jager meer. Ik ben dorpswijze. Ik vraag mij alleen af, zeker na alles wat er sinds de vorige winter is gebeurt en het verhaal van Ome, of ik wel wijs genoeg ben om dit dorp, deze mensen, te leiden'. Kleintje knaagt rustig verder. Dan slaat Urgh zich met de steen die hij gebruikt om de boomstam uit te kappen op de toppen van zijn linkerhand. 'Argghh', roept hij en steekt zijn vingers in de mond om de pijn tegen te gaan. Hij proeft bloed. Niet veel. Het is maar een schram. Hij heeft geluk gehad.

Achter zich hoort hij zijn vuurpartner Gaya zachtjes lachen. 'Je bent in ieder geval nog steeds niet wijs genoeg om te weten dat je moet kijken wat je handen doen als je met die zware steen aan het hakken bent'. Ze reikt hem de kom kruidenthee die zij in haar hand heeft aan. Dankbaar neemt hij de kom aan en neemt meteen een slokje van het warme vocht. 'Wat je vraag aan Kleinjte betreft', zegt zijn vuurpartner, 'Ik denk dat jij wijs genoeg bent. Juist omdat je weet dat jij niet altijd de wijste bent'. De kleine, roodharige vrouw draait zich om en loopt voorbij de schapen de grote grot in, terug naar het enorme kookvuur. Urgh kijkt haar peinzend na. 'Ik hoop dat je gelijk hebt lief', zegt hij zachtjes. 'Ik hoop dat jij gelijk hebt'.

144. Zen wil vuur leren maken


Aan het begin van de middag keren de vissers met manden vol schoongemaakte en in sneeuw verpakte vis huiswaarts. Tak, een oude jager die visser is geworden, zet een grote kom vol met koppen en ingewanden van de schoongemaakte vis bij de grotopening waar Urgh aan de drijfboom zit te werken. De drie wolven die hem gezelschap houden vallen vol enthousiasme aan op de aangeboden lekkernij. Zonder iets te zeggen loopt Tak terug naar de waterkant en probeert een grote mand die daar staat op te tillen. De mand is te zwaar. Zuchtend pakt de oude man een hengsel van de mand vast en trekt deze over de sneeuw naar de grotopening. 'Urgh, deze mand zit vol visafval en sneeuw voor de wolven. Ik zet hem in deze grot dan kan Ani zich niet vergissen tijdens het koken'. De oude man pakt de lege theekom van Urgh. 'Ik ga mij eerst warmen bij het grote vuur, dan breng ik jou wat warme thee'. Urgh knikt dankbaar. Tak onderdrukt een rilling. 'Waarom maak je hier geen klein vuur Urgh?', vraagt hij dan. 'Het is hier bijna net zo koud als buiten en we hebben hout genoeg'. 'Nu nog wel', antwoord Urgh, 'Maar de winter is nog maar net begonnen. Daarbij, als ik doorwerk, blijf  ik warm'.  Tak grinnikt eens. 'Dat dacht ik vanmorgen ook', zegt hij met een scheef lachje, 'Maar al snel begon ik te dromen van een warm vuur'. 'Als ik de hoeveelheid manden zie', zegt Urgh, 'Dan was het een goede vangst'. Tak knikt. 'Een hele goede vangst', antwoord hij, 'Maar de randen van de rivier zijn aan het bevriezen zo koud is het dus of we morgen de netten nogmaals leeg kunnen maken.....'. Weiffelend haalt Tak zijn schouders op. 'Volgens Gaya, Ani en Yali hebben we genoeg voedsel voor de komende drie manen. Alles wat we er bij vangen en vinden is mooi meegenomen. En anders hebben we de schapen nog', antwoord Urgh, 'We hoeven deze winter geen honger te lijden Tak, maak je maar geen zorgen'. 'Ik weet het', bromt de voormalig jager, 'Maar het idee de hele winter binnen te moeten zitten trekt mij niet aan'.  Met de theekom in zijn handen loopt hij de grot uit om buitenom naar het deel van de grot met het grote vuur te lopen. 

Het is niet Tak maar Zen, het eeuwig kind, die even later met een volle kom in zijn handen bij Urgh de grot in loopt. 'Ahhh, warme thee!', zegt Urgh, 'Lekker'. 'Nieh tee, sup', antwoord Zen. 'Jurg wil tee?' 'Soep is nog lekkerder', antwoord Urgh snel en strekt zijn handen naar de kom uit. Zen laat zich tussen de wolven op de grond vallen terwijl Urgh genietend van de warme soep drinkt die niet alleen zijn handen maar zijn hele lijf verwarmt. Wanneer Urgh de kom leeg heeft en naast zich neerzet staat Zen op, gaat recht voor hem. 'Zen vraag voo Jurg. Magdah?' 'Natuurlijk mag jij een vraag stellen!', antwoord Urgh. 'Jurg Zen lee vuuh makeh?'. Urgh aarzelt even. 'Klee, Ru en Tee al vuuh maak. W'om Zeh noh nieh?'. Urgh kijkt de jongen voor hem aan. Zen mag dan een eeuwig kind zijn, dom is hij beslist niet. 'Ik ga jou leren vuur te maken', antwoord Urgh met een warme glimlach op zijn gezicht. 'Weet jij wat je allemaal nodig hebt om een vuur te maken?', vraagt hij dan. Zen knikt. 'Steen, vuuhsteeh, ghas of snippehs en hawt'. Hij denkt nog even na. 'En blaas', zegt hij en maakt bolle wangen. Urgh steekt zijn duim omhoog, het teken van de Vroegere Stam om aan te geven dat iets goed is. Zen begint te glunderen. 'We beginnen met de stenen Zen. Ga genoeg stenen, ongeveer zo groot', en hierbij houdt Urgh zijn vuist omhoog, 'halen zodat we een ring voor rond het vuur kunnen maken'. Gade geslagen door Urgh rent Zen met een blij gezicht, en op de voet gevolgd door twee jonge wolven, de grot uit, op zoek naar stenen in de sneeuw.

Niet alleen Urgh kijkt de jongen na. Bij de ingang van het woongedeelte van de grot zien Tak, Ani, en Gaya de jongen ook naar buiten rennen. 'Zo te zien werkt je plannetje', zegt Gaya verbaasd tegen Tak. Die glimlacht slechts. Het is Ani die antwoord, 'Sinds wanneer heeft Urgh mijn zoon ooit iets geweigerd Gaya?'. Zuchtend  geeft Gaya de hoofdkokkin gelijk. 'Maar wat moeten we verzinnen dat Urgh morgen weer warm zit', voegt zij er bezorgd aan toe. 'Voorlopig niks', reageert Tak met een brede lach. 'Zodra het Zen gelukt is om vuur te maken zal hij dat de komende weken nog vaak genoeg aan Urgh willen laten zien. Zelfs zonder dat wij hem een hint in die richting geven. Maak je maar geen zorgen Gaya. Urgh zit er deze winter warmpjes bij'.

De drie mensen bij de hoofdingang kijken nog even hoe het eeuwige kind een armvol stenen naar de zij ingang van de grot draagt. Dan keren zij zich om, slaan de dierenhuid bij de ingang een stukje opzij en gaan de door een groot vuur verwarmde en verlichte grot binnen, en gaan verder met hun taken voor die dag. 

145. Buiten in de sneeuw

Was het voor het Winterwendefeest al koud, na het feest wordt het nog kouder. Zo koud, dat alleen de  meest geharde jagers nog buiten de grot komen en uitsluitend om te kijken of er vis in de netten zit. Zo koud, dat Urgh zijn plekje bij de eerste ingang van de grot heeft verlaten en zich bij de rest van de bewoners rondom het grote vuur heeft geschaard. Tot zijn grote verdriet is het Zen nog steeds niet gelukt om zelf vuur te maken en nu iedereen zich er mee bemoeit heeft Urgh de lessen stop gezet.  Op de huiden voor de ingang van de grot liggen stenen om er voor te zorgen dat de wind er geen vat op krijgt. 

Zan en Tork zijn aan de beurt om de visnetten te controleren. Diep weggedoken in hun huiden gaan zij naar buiten waar het grijs, donker en somber is. Door de harde wind lijkt het erger te sneeuwen dan het doet. De sneeuw striemt in hun gezicht. Op hun sneeuwschoenen, met in elke hand een werpspies om houvast te krijgen, komen zij maar langzaam vooruit. Praten heeft geen zin. Hun stemmen komen nauwelijks boven de huilende wind uit. Het inademen van de koude wind doet pijn in hun keel en longen. Langzaam zwoegen zij vooruit. En vooruit. Door de dichte sneeuw is niet te zien waar de weide stopt en de rivier begint. De mannen zien elkaar niet eens, zo duister is het. Zan struikelt en valt languit voorover in de sneeuw. Heel vaag klinkt het geluid van een holenleeuw. Door de wind is niet te bepalen of het dier ver weg is of dichtbij. Moeizaam komt Zan overeind. Met zijn neus vlak bij de grond zoekt hij naar hetgeen hem heeft laten struikelen. Het is de punt van een steen. Hij veegt de sneeuw wat weg. 'Terug Tork', roept hij, 'Draai om. We zijn de visnetten al voorbij. We lopen op het ijs'. Door de sneeuwschoenen die aan zijn voetwindsels vast gevroren zitten lukt het hem niet om op te staan. Voorzichtig kruipt hij vooruit, richting de wal. 'Tork!', roept hij, maar hij krijgt geen antwoord. Weer hoort hij het geluid van een holenleeuw. Hij heeft moeite zijn ogen open te houden, zijn wimpers zijn zwaar van de sneeuw. Zijn handen voelen weer een steen. Een grotere dit keer. Voorzichtig trekt hij zich op aan de steen, gaat er op zitten. Vanuit die houding is het makkelijker om weer op te staan. De sneeuw striemt nog steeds in zijn gezicht en hij weet dat er iets niet klopt. Maar wat? De sneeuw striemt… 

Bij de oever van de rivier aangekomen ziet Tork, ondanks het vage licht, dat het controleren van de netten onbegonnen werk is. De wakken zijn dichtgevroren. De rivier is een grote ijsvlakte. 'Kom Zan', roept hij, 'We keren om'. Voorlopig was dit de laatste toch naar buiten'. Zonder op antwoord te wachten draait hij zich om en volgt, vooruit geduwd door de wind, zijn eigen, steeds vager wordende spoor terug naar de ingang van de grot. Ergens ver weg hoort hij het geluid van een holenleeuw. Dan lijkt het of hij zijn eigen naam hoort. Hij spitst zijn oren, draait zich even om. De striemende wind beneemt hem meteen de adem. Er van uitgaand dat Zan hem op de hielen zit loopt hij verder naar de grot. Zijn spoor is volledig verdwenen. Het zijn de stemmen van zijn dorpsgenoten die hem naar de ingang leiden. Het is Tak die hem bij het vuur neerzet. Het is Pon, zijn vuurpartner, de hem met kleine slokjes warme thee voert. De koorden van zijn sneeuwschoenen, voet- en handwindsels zijn bevroren. Zijn werpspiesen zitten aan zijn handwindels vast. Langzaam ontdooien zijn wimpers, kan hij zijn ogen verder open doen. Hij kijkt om zich heen. 'Waar is Zan', vraagt hij. Zijn stem kraakt. Breekt. Zijn keel doet pijn.  Zijn longen staan in brand. Net als zijn handen en voeten. Tak verdwijnt naar buiten, voorbij de huiden.

'Waar heb je Zan voor het laatst gezien?'. Het is Urgh die de vraag stelt. Tork denkt na, probeert zijn schouders op te halen. Iets wat de bevroren huiden niet toelaten. 'Ik weet het niet', fluistert hij. 'Voor of na de laatste ingang?'. Tork geeft geen antwoord. Hij weet het niet. Tak komt weer naar binnen. Zijn kleren zijn bedekt met sneeuw. 'Zoeken heeft geen zin', zegt hij somber. 'Alles is donker, onbegaanbaar'. De dorpsbewoners zijn stil. Bedrukt. Weten wat dit betekent. Ani onderdrukt een kreet. Zij moet sterk blijven voor Zen, hun zoon, het eeuwig kind. Haar ogen zoeken door het halfduister van de grot naar het gezicht van haar zoon maar vindt het niet. 'Gelukkig', denkt zij, 'Hij ligt ergens te slapen en heeft nog geen weet van de vermissing van zijn vader'.

De sneeuw striemt…. Ineens beseft Zan dat hij steeds verder van de grot weggekropen is. Dat hij, om terug naar de grot te gaan, de wind van achteren moet hebben. Hij probeert op de staan maar het lijkt of de steen hem vasthoud. 'Vast gevroren', flitst het door hem heen. 'Ik moet loskomen anders sterf ik hier op deze rots'. Hij probeert nogmaals om op te staan maar de rotst houdt hem vast. 'Warmte, ik heb warmte nodig', denk hij maar de ijzige koude heeft hem in zijn greep. 'Plas is warm', denkt hij,  laat zijn urine lopen en staat op. Dit keer lukt het hem om los te komen van de rots. Zijn kleren kraken en schuren, proberen hem in een zittende houding te dwingen. 'Lopen, blijven lopen', moedigt hij zichzelf aan. 'Wind van achteren, wind van achteren'. Langzaam, stap voor stap, terwijl zijn natte kleding aan zijn lichaam vast vriest, met de wind in de rug, loopt hij richting de grot. Loopt hij in de richting waarvan hij hoopt dat de grot ligt. De donkere en grijze wereld wordt nog donkerder. Ziet hij nu een boom? Loopt zijn pad omhoog? Ziet hij daar iets oplichten in de duisternis? Weer valt hij. Dit keer probeert hij niet eens om op te staan maar kruipt verder. Kruipt, tergend langzaam, maar net snel genoeg om niet vast te vriezen. Weer ziet hij iets van licht. Ruikt de geur van walmend hout. Probeert te schreeuwen, maar zijn keel zit dicht. Verder en verder kruipt hij. Even meent hij de stem van zijn zoon te horen. 'Ik ga naar de voorouders toe', denkt hij. 'Daarom zie ik licht, daarom ruik ik het vuur'. Hij probeert zijn hand op te tillen, maar het lukt hem niet. Langzaam zakt hij door zijn armen heen. Ligt languit op zijn buik. Legt zijn hoofd op zijn handen. 'Joli, ik kom er aan', denkt hij.  De wereld is niet langer grijs maar zwart wanneer Zan zijn bewustzijn verliest.

146: De stemming is bedrukt 

In een hevige sneeuwstorm verdwaalt de oude jager Zan in dat wat zijn eigen achtertuin genoemd kan worden. Net voordat hij buiten in de ijzige koude zijn bewustzijn verliest, in de wetenschap  dat zijn overleden vuurpartner Joli hem aan gene zijde opwacht,  meent hij de stem van zijn jonge zoon Zen te horen. Meent hij het licht van een vuurtje te zien, de geur van verbrand hout te ruiken. Weet hij dat de voorouders op hem wachten. 

Rond het warme vuur in de grot is de stemming bedrukt. De kans dat Zan thuis komt wordt met elke sneeuwvlok die valt kleiner. Zelfs Kleintje, de oudste van de drie wolven is onrustig. Hij drentelt rond het vuur, loopt een aantal maal richting de zware huid die voor de ingang van de grot hangt. Ineens spitst hij zijn oren. Hoort hij het goed? Hoort hij Zen roepen? Hoort hij de welpen janken? Het geluid komt van buiten. Zonder er bij na te denken neemt hij het gejank over. Dan rent hij de donkere grot in, richting de tweede nog in gebruik zijnde grot ingang. De plek waar hij menig dag samen met zijn vriend Urgh heeft doorgebracht. In het door het vuur verwarmde en verlichtte deel van de grot kijken de mensen elkaar verbaasd aan. 'Wat..?', begint Elm maar Urgh onderbreekt hem. 'Elm, Tak, Krom, Flik, pak en toorts en ga achter hem aan. Kleintje heeft iets gehoord'. Zonder op een reactie te wachten staat hij, zwaar steunend op zijn krukken, op en loopt achter de oude wolf aan, het donkere gedeelte van de grot in. Het is Storm die als eerste een brandende tak uit het vuur wil trekken. 'Jij niet Storm', zegt Gaya, 'Dit is werk voor volwassen mannen. Schiet op jullie, ga achter Urgh aan voordat hij zijn nek breekt in het donker'. Krom pakt de brandende tak uit de hand van zijn protesterende zoon en loopt achter de dorpswijze, aan op de voet gevolgd door de andere volwassen jagers met Elm als toortsdrager. 

Des te dichter de mannen bij de achterste ingang komen, des te meer geluid zij horen. Zen die om hulp roept, drie wolven die janken. In het voorportaal van de achterste ingang zien zij een klein vuurtje branden, maar de jongen en de wolven zien zij niet. De huid is een stukje opzij geschoven en de kleine sneeuwvlokken, opgejaagd door de wind, dwarrelen naar binnen smelten sissend in een snel dovernd vuur. 'Het is Zen gelukt om vuur te maken', constateert Urgh, 'Maar waar is hij?'. Weer horen de mannen de jongen roepen. Met dichtgeknepen ogen kijken zij door de sneeuw heen de donkere nacht in. 'Daar', wijst Tak, 'Daar is het duister nog donkerder dan elders. Daar ligt iets'. Zan, weten zij allemaal.  Hopen zij allemaal. 'Pak mijn slee en ga hem halen. Laat een toorts hier als baken. 

Voorzien van slee en toorts rennen de drie mannen naar buiten, richting het donkerte in het duister. Weer roept de kleine jongen om hulp, maar zijn  stem klinkt zwak. De wolven janken. Terwijl de sneeuw in zijn gezicht slaat staart Urgh in het duister maar hij ziet niks. De wind blaast de geur van smeulend hout zijn kant op. 'Zan', hoort hij Tak roepen. 'En Zen! We hebben ze. Urgh, laat je horen, dan weten we welke kant we op moeten gaan'. Urgh roept zo hard hij kan. Dan voegen de stemmen van Ani en Tas zich bij de stem van Urgh. Met z'n drieën wijzen zij de jagers de weg. Vier sneeuwpoppen trekken de slee met daarop twee gestaltes de grot binnen. Bijgelicht door Ani trekken zij de slee over de hobbelige vloer van de grot naar het hoofdgedeelte om de twee gestalten zo dicht mogelijk bij het vuur neer te leggen. 'Stop hier!', gebiedt Gaya. Handenwringend ziet Ani hoe Gaya eerst haar zoon en daarna haar vuurpartner onderzoekt. 'Ze leven', zegt Gaya. 'Kleed Zen uit en leg hem in een slaaprol in de buurt van het vuur zodat hij net als Tork weer warm kan worden'. 'En Zan?', vraagt zij schor. 'Hij leeft, maar maar net', antwoord Gaya. 'M'na, Pew, pak jullie mes en kom mij helpen de natte kleren van Zan's lijf te snijden. Tas en Marg, gaan jullie stenen verwarmen en in huiden wikkelen. Die leggen we dadelijk naast het lichaam van Zan. Hij heeft zo lang buiten in de sneeuw gelegen en is zo koud dat hij langzaam warm moet worden. Leggen we hem bij het vuur dan zal hij zeker sterven'. 



De rest van de dag is de stemming in de grot bedrukt. Zal Zan weer warm worden? En wakker worden? Die vraag houdt alle grotbewoners bezig.

Wie is Wie in het Boek van Urgh



Dorpelingen
Naam RolOudersPartner KinderenOpmerking
Ani (v)kokZanZen (m)
Azel (m)vakmanOtak (m)*YaliMarg (v) //Krom (m) // Teem (m)vuurouder Gaya (v)
C’roo (v)PolK'nd (v)lid Vroegere Stam
Durk (m)jagerKelp (m)import
Elm (m)herderNana (v)* & Ergh (m)*MargRun (m), Mel (m)voormalig Dorpswijze
Ergh (m) *dorpswijzeOrgh (m)*Nana (v)*Onna (v)* // Elm (m)
Flik (m)jagerYeti (v) & Tak (m)Tas (v)Moos (v)
Gaya (v)medicijn vrouwKali (v)*Urgh (m)Klee (v)vuurdochter Azel (m) & Yali (v)
Ink (m) *jagerYeti (v)
Joli (v) *Zan (m)Pew (v)
Jool (v)Pew (v) & Krom (m)
K'nd (v)C'roo lid Vroegere Stam
K'wan (m)M'nadorpswijze Vroegere Stam
Kali (v) *medicijn vrouwGaya (v)
Kelp (m)jagerDurk (m)Meuwimport
Klee (v)Gaya (v) & Urgh (m)
Krap (m)jagerYeti (v) & Tak (m)Zoe (v)
Krom (m)jagerYali (v) & Azel (m)Pew (v)Luna (v) // Storm (m) // Jool (v)
Luna (v)Pew (v) & Krom (m)oudste van tweeling
M'na (v)medicijn vrouwK'wanC'roolid Vroegere Stam
Marg (v)Yali (v) & Azel (m)Elm (m)Run (m), Mel (m)
Mel (m)Marg (v) & Elm (m)
Meuw (v)jagerKelpvuurdochter Tork (m) & Pon (v)
Mus (v)vuurdochter Tork (m) & Pon (v)
Moos (m)Tas (v) & Flik (m)
Murw (m) *jagerbezeten door geesten
Nana (v) *medicijn vrouwErgh (m)* // Oz (m)*Onna (v)* // Elm (m)
Onna (v) *medicijn vrouwNana (v)* & Ergh (m)*TorkUrgh (m) // Tas (v)
Otak (m) *Azel (m)
Oz (m) *jagerNana (v)*
Pew (v)medicijn vrouwjoli (v)* & ZanKrom (m)Luna (v) // Storm (m) // Jool (v)
Pol (m)jagerC'rooimport // zusterzoon Tak (m)
Pon (v)Torkvuurouder Meuw (v) // Mus (v)
Rin (v)
Run (m)Marg (v) & Elm (m)
Sim (v) *zuster van Yali
Storm (m)Pew (v) & Krom (m)jongste van tweeling
T'raa (v)lid Vroegere Stam
Tak (m)jagerYetiFlik (m) // Krap (m)
Tas (v)jagerOnna (v)* & Tork (m)Flik (m)Moos (m)halfzus Urgh
Teem (m)Yali (v) & Azel (m)
Tork (m)jagerZark (m)*Onna (v)* // Pon (v)Tas (v)vuurouder Meuw // Mus
Urgh (m)dorpswijzeOnna (v)* Gaya (v)Klee (v)
Yali (v)Azel (m)Marg (v) //Krom (m) // Teem (m)vuurouder Gaya (v)
Yeti (v)Ink (m)*Tak (m)Flik (m) // Krap (m)
Zan (m)jagerZark (m)*Joli (v)* // Ani (v)Pew (v) // Zen (m)
Zark (m) *jagerZan (m) // Tork (m)
Zen (m)Ani (v) & Zan (m)eeuwig kind
Zoe (v)jagerKrap (m)
Voorouder Eén verteld
Alg (v)voedselzoekerKind (v)
Brk (m)oude jagerGrm
Faa (v)voedselzoekerUna (v) & Grm (m)
Grm (m)jagerUna (v)Faa (v) // Trg (m) // Krl (m)
Groo (v)voedselzoekerUna (v)
Kleine (m)jagerMnaa (v) & Krkt (m)
Knd (v)Mnaa (v) & Krkt (m)
Krl (m)jagerUna (v) & Grm (m)
Krkt (m)jagerMnaaSto-orm (m) // Spe-eer (m) //
Kleine (m) // Zus (v) // Knd (v)
Verhaal Voorouder Een
Kwmee (v)Ome (m) // Tante (v)
Mnaa (v)jagerKrktSto-orm (m) // Spe-eer (m) //
Kleine (m) // Zus (v) // Knd (v)
Verhaal Voorouder Een
Ome (v)Kwmee (v)Tante (v)Kind (m)
Plk (m)jager
Spe-eer (m)jagerMnaa (v) & Krkt (m)
Sto-orm (m)jagerMnaa (v) & Krkt (m)
Tante (v)Kwamee (v)Ome (v)Kind (m)
TrgjagerUna (v) & Grm (v)
Trij (v)voedselzoekerKind (m) // Kind (v)
Una (v)voedselzoekerGrooGrmFaa (v) // Trg (m) // Krl (m)
Zus (v)Mnaa (v) & Krkt (m)




Geen opmerkingen: